Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven.
1He that loveth his son, frequently chastiseth him, that he may rejoice in his latter end, and not grope after the doors of his neighbours.
2Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan.
2He that instructeth his son shall be praised in him, and shall glory in him in the midst of them of his household.
3Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen.
3He that teacheth his son, maketh his enemy jealous, and in the midst of his friends he shall glory in him.
4Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter.
4His father is dead, and he is as if he were not dead: for he hath left one behind him that is like himself.
5Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer;
5While he lived he saw and rejoiced in him: and when he died he was not sorrowful, neither was he confounded before his enemies.
6Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt.
6For he left behind him a defender of his house against his enemies, and one that will requite kindness to his friends.
7Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld.
7For the souls of his sons he shall bind up his wounds, and at every cry his bowels shall be troubled.
8Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door.
8A horse not broken becometh stubborn, and a child left to himself will become headstrong.
9Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn.
9Give thy son his way, and he shall make thee afraid: play with him, and he shall make thee sorrowful.
10Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp.
10Laugh not with him, lest thou have sorrow, and at the last thy teeth be set on edge.
11Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is.
11Give him not liberty in his youth, and wink not at his devices.
12Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer.
12Bow down his neck while he is young, and beat his sides while he is a child, lest he grow stubborn, and regard thee not, and so be a sorrow of heart to thee.
13Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas.
13Instruct thy son, and labour about him, lest his lewd behaviour be an offence to thee.
14Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte;
14Better is a poor man who is sound, and strong of constitution, than a rich man who is weak and afflicted with evils.
15Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen.
15Health of the soul in holiness of justice, is better then all gold and silver: and a sound body, than immense revenues.
16Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;
16There is no riches above the riches of the health of the body: and there is no pleasure above the joy of the heart.
17Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed.
17Better is death than a bitter life: and everlasting rest, than continual sickness.
18Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld.
18Good things that are hidden in a mouth that is shut, are as masses of meat set about a grave.
19Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten:
19What good shall an offering do to an idol? for it can neither eat, nor smell:
20Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst.
20So is he that is persecuted by the Lord, bearing the reward of his iniquity:
21Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat;
21He seeth with his eyes, and groaneth, as an eunuch embracing a virgin, and sighing.
22Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang.
22Give not up thy soul to sadness, and afflict not thyself in thy own counsel.
23Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets.
23The joyfulness of the heart, is the life of a man, and a never failing treasure of holiness: and the joy of a man is length of life.
24Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.
24Have pity on thy own soul, pleasing God, and contain thyself: gather up thy heart in his holiness: and drive away sadness far from thee.
no verse 25 in this text
25For sadness hath killed many, and there is no profit in it.
no verse 26 in this text
26Envy and anger shorten a man’s days, and pensiveness will bring old age before the time.
no verse 27 in this text
27A Cheerful and good heart is always feasting: for his banquets are prepared with diligence.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.