Jezussirach 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie Jahweh vreest, hem treft geen onheil; En wordt hij beproefd, hij wordt telkens bevrijd.
1[Timenti Dominum non occurrent mala: sed in tentatione Deus illum conservabit, et liberabit a malis. Sapiens non odit mandata et justitias,
2Het is niet verstandig, de Wet te haten, Want men verliest de koers als een schip in de storm.
2et non illidetur quasi in procella navis.
3Een verstandig man geeft acht op Gods woord, En vertrouwt op zijn Wet als op een orakel.
3Homo sensatus credit legi Dei, et lex illi fidelis.]
4Bereid uw zaak voor en handel dan; Zorg eerst voor een rusthuis en neem dan rust.
4[Qui interrogationem manifestat parabit verbum, et sic deprecatus exaudietur: et conservabit disciplinam, et tunc respondebit.
5Als het rad van een wagen is het hart van een dwaas, Als een wentelend wiel zijn gedachten.
5Præcordia fatui quasi rota carri, et quasi axis versatilis cogitatus illius.
6Wie telkens wisselt van vriend, gelijkt op een hengst, Die hinnikt onder iederen ruiter.
6Equus emissarius, sic et amicus subsannator: sub omni supra sedente hinnit.]
7Waarom verschilt de ene dag van de ander? Het licht komt toch van dezelfde zon!
7[Quare dies diem superat, et iterum lux lucem, et annus annum a sole?
8Door Jahweh's wijsheid zijn ze onderscheiden, Sommige er van zijn dagen van feest;
8A Domini scientia separati sunt, facto sole, et præceptum custodiente.
9Want sommige heeft Hij gezegend en geheiligd, En andere tot gewone dagen gemaakt.
9Et immutavit tempora, et dies festos ipsorum, et in illis dies festos celebraverunt ad horam.
10Zo is iedere mens uit stof, Omdat de mens uit aarde is gemaakt.
10Ex ipsis exaltavit et magnificavit Deus, et ex ipsis posuit in numerum dierum: et omnes homines de solo et ex terra unde creatus est Adam.
11Maar Jahweh's wijsheid deed hen uiteengaan, En maakte hun wegen verschillend.
11In multitudine disciplinæ Dominus separavit eos, et immutavit vias eorum.
12Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven; Hen geheiligd, en tot Zich getrokken; Anderen heeft Hij gevloekt en vernederd, En ze verdreven uit hun woonsteden.
12Ex ipsis benedixit et exaltavit, et ex ipsis sanctificavit, et ad se applicavit, et ex ipsis maledixit, et humiliavit, et convertit illos a separatione ipsorum.
13Zoals de klei in de hand van den pottenbakker Vorm ontvangt naar zijn verkiezing, Zo is de mens in de hand van zijn Schepper: Van Hem ontvangt hij zijn taak.
13Quasi lutum figuli in manu ipsius, plasmare illud et disponere.
14Tegenover het kwaad staat het goed, Tegenover het leven de dood; Tegenover den goede staat de slechte, Zoals licht tegenover duisternis staat.
14Omnes viæ ejus secundum dispositionem ejus: sic homo in manu illius qui se fecit, et reddet illi secundum judicium suum.
15Zie naar al de werken Gods; Altijd zijn het er twee, het een tegenover het ander.
15Contra malum bonum est, et contra mortem vita: sic et contra virum justum peccator, et sic intuere in omnia opera Altissimi, duo et duo, et unum contra unum.]
16Al ben ik als laatste gekomen, Als een arenlezer achter de maaiers,
16[Et ego novissimus evigilavi, et quasi qui colligit acinos post vindemiatores.
17Toch snelde ook ik onder Gods zegen toe, En heb als een oogster mijn wijnkuip gevuld.
17In benedictione Dei et ipse speravi, et quasi qui vindemiat replevi torcular.
18Ziet, hoe ik niet alleen voor mijzelf heb gewerkt, Maar voor allen, die wijsheid zoeken.
18Respicite quoniam non mihi soli laboravi, sed omnibus exquirentibus disciplinam.
19Hoort dus, prinsen van geheel het volk, Gij, leiders der gemeente, luistert naar mij!
19Audite me, magnates et omnes populi: et rectores ecclesiæ, auribus percipite.]
20Kind of vrouw, broer of vriend, Laat ze niet heersen over uw leven.
20[Filio et mulieri, fratri et amico, non des potestatem super te in vita tua: et non dederis alii possessionem tuam, ne forte pœniteat te, et depreceris pro illis.
21Zo lang er leven in u is en adem, Zij niemand over u de baas. Geef uw vermogen niet aan een ander, Opdat ge hem later niet behoeft te vragen.
21Dum adhuc superes et aspiras, non immutabit te omnis caro.
22Want beter is het, dat uw kinderen u moeten bidden, Dan dat gij naar de hand van uw kinderen moet zien.
22Melius est enim ut filii tui te rogent, quam te respicere in manus filiorum tuorum.
23Blijf heer en meester bij al wat ge doet,
23In omnibus operibus tuis præcellens esto.
24En werp geen smet op uw eer; Als het getal van uw dagen voleind is, Op de dag van de dood, verdeel eerst dan uw bezit.
24Ne dederis maculam in gloria tua. In die consummationis dierum vitæ tuæ, et in tempore exitus tui, distribue hæreditatem tuam.]
25Zoals hooi, stok en last bij den ezel, Zo passen straf en werk bij den slaaf.
25[Cibaria, et virga, et onus asino: panis, et disciplina, et opus servo.
26Laat uw slaaf werken, zonder verpozen, Want maakt ge het hem licht, dan wordt hij u ontrouw.
26Operatur in disciplina, et quærit requiescere: laxa manus illi, et quærit libertatem.
27Juk, boeien en roede maken hem gedwee; Bestraf dus een slechten slaaf met gestrengheid.
27Jugum et lorum curvant collum durum, et servum inclinant operationes assiduæ.
28Laat uw slaaf werken, en hij wordt niet opstandig; Want ledigheid veroorzaakt veel kwaad.
28Servo malevolo tortura et compedes: mitte illum in operationem, ne vacet:
29Zet hem aan het werk, zoals het hem past; En gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten in kluisters.
29multam enim malitiam docuit otiositas.
30Maar ga u nooit tegen iemand te buiten, En doe nimmer iets zonder recht.
30In opera constitue eum: sic enim condecet illum. Quod si non obaudierit, curva illum compedibus, et non amplifices super omnem carnem: verum sine judicio nihil facias grave.
31Bezit ge een slaaf, heb hem lief als uzelf, Want ge hebt hem ook nodig als uzelf;
31Si est tibi servus fidelis, sit tibi quasi anima tua: quasi fratrem sic eum tracta, quoniam in sanguine animæ comparasti illum.
32Hebt ge een slaaf, beschouw hem als broeder, En woed niet tegen uw eigen bloed.
32Si læseris eum injuste, in fugam convertetur:
33Want behandelt ge hem slecht, dan loopt hij weg; En zijt ge hem kwijt, waar vindt ge hem terug?
33et si extollens discesserit, quem quæras et in qua via quæras illum nescis.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.