Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1De luiaard gelijkt op een smerige steen: Iedereen geeft af op zijn schande.
1ΛΙΘ† ἠρδαλωμένῳ συνεβλήθη ὀκνηρός, καὶ πᾶς ἐκσυριεῖ ἐπὶ τῇ ἀτιμίᾳ αὐτοῦ.
2Een luiaard gelijkt op het vuil van de mesthoop: Ieder, die het aanraakt, veegt zijn hand af.
2βολβίτῳ κοπρίων συνεβλήθη ὀκνηρός, πᾶς ὁ ἀναιρούμενος αὐτὸν ἐκτινάξει χεῖρα.
3Een tuchteloos meisje is een schande voor haar vader; Zo'n dochter berokkent hem oneer.
3αἰσχύνη πατρὸς ἐν γεννήσει ἀπαιδεύτου, θυγάτηρ δὲ ἐπ᾿ ἐλαττώσει γίνεται.
4Een verstandige dochter vindt haar man; Een eerloze echter wordt een smart voor haar vader.
4θυγάτηρ φρονίμη κληρονομήσει ἄνδρα αὐτῆς, καὶ ἡ καταισχύνουσα εἰς λύπην γεννήσαντος·
5De schaamteloze maakt vader en man te schande, En wordt door beiden veracht.
5πατέρα καὶ ἄνδρα καταισχύνει ἡ θρασεῖα καὶ ὑπὸ ἀμφοτέρων ἀτιμασθήσεται.
6Een ontijdig woord is als muziek ten tijde van rouw, Maar slagen en tucht zijn altijd wijsheid.
6Μουσικὰ ἐν πένθει ἄκαιρος διήγησις, μάστιγες δὲ καὶ παιδεία ἐν παντὶ καιρῷ σοφίας.
no verse 7 in this text
7συγκολλῶν ὄστρακον ὁ διδάσκων μωρόν, ἐξεγείρων καθεύδοντα ἐκ βαθέως ὕπνου.
no verse 8 in this text
8διηγούμενος νυστάζοντι ὁ διηγούμενος μωρῷ, καὶ ἐπὶ συντελείᾳ ἐρεῖ, τί ἐστιν;
9Wie een dwaas onderricht, lijmt scherven aaneen, Maakt een slaper wakker uit diepe rust.
no verse 9 in this text
10Wie spreekt tot een dwaas, spreekt tot iemand, die droomt; Ten slotte zal hij zeggen: “Wat is er?”
no verse 10 in this text
11Ween over een dode, want het licht ging uit; Ween ook over een dwaas, want het verstand is heen. Ween minder over een dode, want hij heeft rust bekomen; Maar het leven van een dwaas is erger nog dan de dood.
11ἐπὶ νεκρῷ κλαῦσον, ἐξέλιπε γὰρ φῶς, καὶ ἐπὶ μωρῷ κλαῦσον, ἐξέλιπε γὰρ σύνεσις. ἥδιον κλαῦσον ἐπὶ νεκρῷ, ὅτι ἀνεπαύσατο, τοῦ δὲ μωροῦ ὑπὲρ θάνατον ἡ ζωὴ πονηρά.
12Zeven dagen moet men een dode bewenen, Maar den dwaas en goddeloze geheel zijn leven.
12πένθος νεκροῦ ἑπτὰ ἡμέραι, μωροῦ δὲ καὶ ἀσεβοῦς πᾶσαι αἱ ἡμέραι τῆς ζωῆς αὐτοῦ.
13Spreek niet veel met een dwaas, En ga niet om met onverstand; Wacht u voor hem, om geen last te hebben, En niet door zijn aanraking te worden besmet. Ontwijk hem, en ge zult rust vinden, En geen last hebben van zijn dwaasheid.
13μετὰ ἄφρονος μὴ πληθύνῃς λόγον, καὶ πρὸς ἀσύνετον μὴ πορεύου· φύλαξαι ἀπ᾿ αὐτοῦ, ἵνα μὴ κόπον ἔχῃς, καὶ οὐ μὴ μολυνθῇς ἐν τῷ ἐντιναγμῷ αὐτοῦ· ἔκκλινον ἀπ᾿ αὐτοῦ καὶ εὑρήσεις ἀνάπαυσιν καὶ οὐ μὴ ἀκηδιάσῃς ἐν τῇ ἀπονοίᾳ αὐτοῦ.
14Wat is er zwaarder dan lood? Is zijn naam niet “een zot”?
14ὑπὲρ μόλυβδον τί βαρυνθήσεται; καὶ τί αὐτῷ ὄνομα ἀλλ᾿ ἢ μωρός;
15Zand en zout en ijzerklompen Zijn lichter te dragen dan een overstandig mens.
15ἄμμον καὶ ἅλα καὶ βῶλον σιδήρου εὔκοπον ὑπενεγκεῖν ἢ ἄνθρωπον ἀσύνετον.
16Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken.
16Ἱμάντωσις ξυλίνη ἐνδεδεμένη εἰς οἰκοδομὴν ἐν συσσεισμῷ οὐ διαλυθήσεται· οὕτως καρδία ἐστηριγμένη ἐπὶ διανοήματος βουλῆς ἐν καιρῷ οὐ δειλιάσει.
17Een hart, dat zich verlaat op een verstandig besluit, Is sterk als een glad gepleisterde muur;
17καρδία ἡδρασμένη ἐπὶ διανοίας συνέσεως ὡς κόσμος ψαμμωτὸς τοίχου ξυστοῦ.
18Maar stenen zonder kalk op elkaar gestapeld, Houden geen stand voor de storm. Zo is het hart, dat de plannen vreest van een dwaas, Tegen geen enkele angst bestand.
18χάρακες ἐπὶ μετεώρου κείμενοι κατέναντι ἀνέμου οὐ μὴ ὑπομείνωσιν· οὕτως καρδία δειλὴ ἐπὶ διανοήματος μωροῦ κατέναντι παντὸς φόβου οὐ μὴ ὑπομείνῃ.
19Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, Wie prikt in het hart, wekt gevoeligheid op;
19Ὁ νύσσων ὀφθαλμὸν κατάξει δάκρυα, καὶ ὁ νύσσων καρδίαν ἐκφαίνει αἴσθησιν.
20Wie een steen gooit naar vogels, jaagt ze weg, Wie zijn vriend beschimpt, verbreekt de vriendschap.
20βάλλων λίθον ἐπὶ πετεινὰ ἀποσοβεῖ αὐτά, καὶ ὁ ὀνειδίζων φίλον διαλύσει φιλίαν.
21Al trekt getegen uw vriend ook het zwaard, Wanhoop niet: het komt weer terecht;
21ἐπὶ φίλον ἐὰν σπάσῃς ρομφαίαν, μὴ ἀπελπίσῃς, ἔστι γὰρ ἐπάνοδος·
22Al zet ge een mond op tegen uw vriend, Wees niet bevreesd; het kan nog worden hersteld; Maar voor schimpen, trots en geheimen verklappen, Voor geniepige zetten gaat iedere vriend op de loop.
22ἐπὶ φίλον ἐὰν ἀνοίξῃς στόμα, μὴ εὐλαβηθῇς, ἔστι γὰρ διαλλαγή· πλὴν ὀνειδισμοῦ καὶ ὑπερηφανίας καὶ μυστηρίου ἀποκαλύψεως καὶ πληγῆς δολίας, ἐν τούτοις ἀποφεύξεται πᾶς φίλος.
23Blijf uw vriend in armoe trouw, Opdat ge ook in zijn voorspoed moogt delen. Verlaat hem niet ten tijde van nood; Dan deelt ge ook in zijn welvaart.
23πίστιν κτῆσαι ἐν πτωχείᾳ μετὰ τοῦ πλησίον, ἵνα ἐν τοῖς ἀγαθοῖς αὐτοῦ ὁμοῦ πλησθῇς· ἐν καιρῷ θλίψεως διάμενε αὐτῷ, ἵνα ἐν τῇ κληρονομίᾳ αὐτοῦ συγκληρονομήσῃς.
24Vóór het vuur geeft de oven rook en smook: Zo gaat schelden aan bloedvergieten vooraf.
24πρὸ πυρὸς ἀτμὶς καμίνου καὶ καπνός· οὕτως πρὸ αἱμάτων λοιδορίαι.
25Nooit zal ik me schamen, een vriend te beschermen, En nooit zal ik me voor hem verbergen;
25φίλον σκεπάσαι οὐκ αἰσχυνθήσομαι καὶ ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ οὐ μὴ κρυβῶ.
26En al zou hij mij soms met kwaad vergelden, Ieder, die het hoort, zal zich dan voor hem wachten.
26καὶ εἰ κακά μοι συμβῇ δι᾿ αὐτόν, πᾶς ὁ ἀκούων φυλάξεται ἀπ᾿ αὐτοῦ.
27Wie geeft mij een wacht op mijn mond, Een goedsluitend zegel op mijn lippen, Opdat ik er niet door ten val moge komen, En mijn tong mij niet in het verderf moge storten?
27Τίς δώσει μοι ἐπὶ στόμα μου φυλακὴν καὶ ἐπὶ τῶν χειλέων μου σφραγίδα πανοῦργον, ἵνα μὴ πέσω ἀπ᾿ αὐτῆς καὶ ἡ γλῶσσά μου ἀπολέσῃ με;

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.