1 Makkabeeen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In het jaar 160 begon Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, een veldtocht en veroverde Ptolemáis, waar hij als koning erkend werd en optrad.
1No ano cento e sessenta, Alexandre Epifânio, filho de Antíoco, subiu e tomou Ptolemaida. Seus habitantes o receberam, e ele começou a reinar ali.
2Toen koning Demétrius dit hoorde, riep hij een ontzaggelijk leger bijeen, en trok tegen hem op.
2O rei Demétrio soube disso, reuniu forças extremamente grandes e saiu para enfrentá-lo em batalha.
3Daarom zond Demétrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem sprak van vrede en van zijn hoogachting.
3Demétrio enviou uma carta a Jônatas com palavras de paz, procurando honrá-lo.
4Want hij dacht bij zichzelf: Wij moeten zo snel mogelijk vrede met hem sluiten, eer hij tegen ons de partij van Alexander kiest.
4Pois dizia: “Vamos nos antecipar e fazer paz com eles, antes que Alexandre faça paz com eles contra nós.
5Want hij zal zeker al het kwaad niet vergeten zijn, dat wij hem, zijn broeders en zijn volk hebben berokkend.
5Ele se lembrará de todos os males que fizemos contra ele, seus irmãos e sua nação.”
6Hij machtigde hem dus, er een leger op na te houden, oorlogsmateriaal aan te schaffen en zijn bondgenoot te worden. Ook gaf hij bevel, hem de gijzelaars in de burcht uit te leveren.
6Assim deu a Jônatas autoridade para reunir tropas e providenciar armas, para que fosse seu aliado. Ordenou também que os reféns que estavam na cidadela fossem libertados e entregues a ele.
7Daarop ging Jonatan naar Jerusalem, en las de brief voor ten aanhoren van heel het volk en van de burchtbezetting.
7Jônatas foi a Jerusalém e leu a carta diante de todo o povo e dos que estavam na cidadela.
8De burchtbezetting werd zeer bevreesd, toen zij hoorde, dat de koning aan Jonatan machtiging had gegeven, er een leger op na te houden;
8Eles ficaram com muito medo quando ouviram que o rei lhe havia dado autoridade para reunir um exército.
9toch leverde zij hem de gijzelaars uit, en deze gaf ze aan hun ouders terug.
9Os que estavam na cidadela entregaram os reféns a Jônatas, e ele os devolveu a seus pais.
10Nu vestigde Jonatan zich in Jerusalem, en begon de stad weer op te bouwen en te herstellen.
10Jônatas passou a morar em Jerusalém e começou a reconstruir e renovar a cidade.
11Hij beval de werklieden, de muren weer op te bouwen, en de Sionsberg aan alle kanten met gehouwen stenen te versterken. Zo geschiedde het ook.
11Ordenou aos trabalhadores que reconstruíssem os muros e cercassem o monte Sião com pedras quadradas para defesa, e assim fizeram.
12Toen vluchtten de vreemdelingen weg, die zich nog in de vestingen bevonden, welke door Bakchides waren gebouwd;
12Os estrangeiros que estavam nas fortalezas construídas por Báquides fugiram.
13iedereen verliet zijn woonplaats, en trok naar zijn eigen land terug.
13Cada homem abandonou seu posto e voltou para sua própria terra.
14Alleen in Bet-Soer bleven enigen achter, die van wet en gebod waren afgevallen, omdat ze daar een veilige schuilplaats hadden gevonden.
14Somente em Betsur permaneceram alguns dos que haviam abandonado a Lei e os mandamentos, pois aquele lugar lhes servia de refúgio.
15Toen koning Alexander hoorde, welke beloften Demétrius aan Jonatan had gedaan, en toen men hem vertelde van de oorlogen en heldendaden, die deze en zijn broeders hadden verricht en van de moeilijkheden, die zij hadden doorstaan,
15O rei Alexandre ouviu falar de todas as promessas que Demétrio havia enviado a Jônatas. Também lhe contaram sobre as batalhas, os feitos valentes que ele e seus irmãos haviam realizado e as dificuldades que haviam suportado.
16zeide hij bij zichzelf: Zou er wel iemand te vinden zijn, zoals hij? Wij moeten hem tot onzen vriend en bondgenoot zien te maken.
16Então disse: “Poderíamos encontrar outro homem como ele? Agora o faremos nosso amigo e aliado.”
17Hij schreef derhalve een brief en zond hem die toe. De inhoud luidde als volgt:
17Escreveu-lhe uma carta e a enviou com estas palavras:
18Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan: heil!
18“O rei Alexandre a seu irmão Jônatas, saudações.
19Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig en invloedrijk man, en onze vriendschap waardig zijt.
19Ouvimos dizer que você é homem de grande valor e digno de ser nosso amigo.
20Daarom stellen wij u bij deze aan tot hogepriester van uw volk, en bepalen, dat uw titel zal zijn: ”Vriend des konings”. (Ook zond hij hem een purperen kleed en een gouden kroon). Kies dus onze partij, en houd vast aan onze vriendschap,
20Por isso hoje o nomeamos sumo sacerdote de sua nação, para ser chamado amigo do rei, tomar nosso partido e manter amizade conosco.” Ele também lhe enviou uma veste de púrpura e uma coroa de ouro.
21Daarom bekleedde Jonatan op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar 160 zich met het heilig gewaad. Ook bracht hij een leger op de been, en schafte veel oorlogsmateriaal aan.
21Jônatas vestiu as vestes sagradas no sétimo mês do ano cento e sessenta, durante a Festa dos Tabernáculos. Reuniu tropas e providenciou muitas armas.
22Toen Demétrius dit alles vernam, zeide hij in diepe verslagenheid:
22Quando Demétrio ouviu essas coisas, ficou entristecido e disse:
23Hoe konden wij het zo ver laten komen, dat Alexander ons te vlug is geweest, en de vriendschap en de steun der Joden heeft verworven?
23“O que fizemos? Alexandre se antecipou a nós e estabeleceu amizade com os judeus para fortalecer-se.
24Ook ik zal een afdoend schrijven tot hem richten met toezegging van waardigheden en geschenken, om mij van hun hulp te verzekeren.
24Também eu lhes escreverei palavras de encorajamento, honra e presentes, para que estejam ao meu lado e me ajudem.”
25Hij zond hun dus een brief van de volgende inhoud: Koning Demétrius aan het volk der Joden: heil!
25Assim lhes enviou esta mensagem: “O rei Demétrio à nação dos judeus, saudações.
26Wij hebben met vreugde vernomen, dat gij de met ons gesloten verdragen zijt nagekomen, aan onze vriendschap hebt vastgehouden, en niet naar onze vijanden zijt overgelopen.
26Ouvimos dizer que vocês têm guardado suas alianças conosco, permanecido em nossa amizade e não se unido aos nossos inimigos; ficamos contentes com isso.
27Wanneer gij dus ook in de toekomst in die trouw jegens ons blijft volharden, zullen wij u het goede vergelden, dat gij ons bewijst,
27Continuem, portanto, a permanecer fiéis a nós, e retribuiremos com o bem aquilo que fizerem por nós.
28door u vrij te stellen van vele lasten en u geschenken te geven.
28Concederemos a vocês muitas isenções e lhes daremos presentes.
29Hiermede onthef ik u, en stel ik alle Joden vrij van belasting, van accijns op zout en van de kroongelden.
29“Desde agora, declaro vocês livres e isento todos os judeus dos tributos, do imposto sobre o sal e das taxas da coroa.
30Evenzo doe ik van nu af voor altijd afstand van het derde deel van de veldoogst en van de helft der boomvruchten, waarop ik rechtens beslag kan leggen; ik zal ze van nu af nimmer meer heffen van Juda en van de drie gewesten van Samaria, die daarbij zijn ingelijfd.
30Em lugar da terça parte da produção dos campos e da metade dos frutos das árvores que me caberia receber, desde hoje renuncio a isso e daqui em diante não o cobrarei da terra de Judá nem dos três distritos acrescentados a ela a partir da região da Samaria e da Galileia, desde hoje e para sempre.
31Jerusalem zelf met zijn gebied zal heilig zijn, en vrij van tienden en tollen.
31Que Jerusalém seja santa e livre, juntamente com suas fronteiras, seus dízimos e seus impostos.
32Ook doe ik afstand van de macht over de burcht in Jerusalem, en geef hem over aan den hogepriester, die hem met manschappen naar eigen keuze kan bezetten, om hem te bewaken.
32Renuncio também à minha autoridade sobre a cidadela que está em Jerusalém e a entrego ao sumo sacerdote, para que ele coloque ali os homens que escolher para guardá-la.
33Aan alle Joden, die uit het land Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn verbannen, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid; en onderweg moeten allen hen vrijstellen van tolgeld, ook van dat voor het vee.
33Todo judeu levado cativo da terra de Judá para qualquer parte de meu reino eu libertarei sem pagamento. Que todos os oficiais também cancelem os impostos sobre o gado deles.
34Verder zullen voor alle Joden in mijn rijk alle feesten: iedere sabbat en nieuwe maan, alle vastgestelde feestdagen, met de drie dagen, die aan zulk een feest voorafgaan en er op volgen, tolvrij zijn en onbelast;
34“Todas as festas, os sábados, as luas novas, os dias determinados, os três dias antes de uma festa e os três dias depois dela sejam dias de isenção e liberdade para todos os judeus que estão em meu reino.
35en niemand zal dan het recht hebben, een van hen aan te houden of lastig te vallen om welke zaak ook.
35Ninguém terá autoridade para exigir coisa alguma deles nem perturbá-los por motivo algum.
36Van hun kant zullen van de Joden ongeveer dertigduizend man in het leger van den koning worden ingelijfd. Maar aan hen zal dezelfde soldij worden uitgekeerd, als waarop alle koninklijke troepen recht hebben.
36“Sejam alistados entre as tropas do rei cerca de trinta mil judeus, e eles receberão o soldo devido a todas as tropas reais.
37Een gedeelte van hen zal in de grote vestingen van den koning worden ondergebracht, en anderen weer zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen. Hun eigen mannen zullen hun aanvoerders en bevelhebbers zijn, en zij zullen mogen leven volgens hun wet, zoals de koning reeds voor het land Juda heeft vastgesteld.
37Alguns deles serão colocados nas grandes fortalezas do rei, e outros serão postos sobre assuntos do reino que exigem confiança. Seus superiores e governantes serão escolhidos dentre eles mesmos, e viverão segundo suas próprias leis, assim como o rei ordenou na terra de Judá.
38De drie gewesten van Samaria, die bij Judea zijn getrokken, zullen als gebied van Judea worden beschouwd, zodat zij onder één leiding staan en geen ander gezag hebben te erkennen dan dat van den hogepriester.
38“Os três distritos acrescentados à Judeia a partir da região da Samaria sejam anexados à Judeia, para serem considerados sob um só governante e não obedecerem a nenhuma outra autoridade além da do sumo sacerdote.
39Ptolemáis met zijn gebied sta ik af als een geschenk voor de tempel te Jerusalem, om de onkosten van het heiligdom te bestrijden.
39Quanto a Ptolemaida e seu território, eu os dei como presente ao santuário de Jerusalém para as despesas do santuário.
40Bovendien zal ik jaarlijks uit de koninklijke schatkist vijftienduizend zilveren sikkels beschikbaar stellen, die verhaald moeten worden op die plaatsen, waar dit gevoegelijk gaat.
40Também darei todos os anos quinze mil siclos de prata das receitas do rei, retirados dos lugares apropriados.
41Al het achterstallige geld, ook dat van de vorige jaren, dat de ambtenaren nog niet hebben afgedragen, moet van nu af aan worden afgegeven voor het onderhoud van de tempel.
41Todos os fundos adicionais que os administradores do reino deixaram de pagar nos anos anteriores serão entregues de agora em diante para as obras do templo.
42Verder zullen de vijfduizend zilveren sikkels, die zij jaarlijks hieven op de tempelinkomsten, worden vrijgegeven, en ten goede komen aan de dienstdoende priesters.
42Além disso, os cinco mil siclos de prata que eram retirados anualmente das receitas do santuário também ficam liberados, porque pertencem aos sacerdotes que ali ministram.
43Daarenboven zal iedereen, die zich aan de koninklijke rechten of waaraan ook heeft vergrepen, en gevlucht is naar de tempel van Jerusalem of ergens binnen het tempelgebied, onschendbaar zijn met al zijn have en goed, dat zich in mijn gebied bevindt.
43Qualquer pessoa que fugir para o templo de Jerusalém ou para qualquer lugar dentro de seus limites, seja por dívida ao rei ou por qualquer outro motivo, ficará livre, juntamente com tudo o que possuir em meu reino.
44Ook zullen de kosten van het verbouwen en herstellen van de tempel uit de koninklijke schatkist worden bestreden.
44As despesas para a construção e renovação das estruturas do santuário também serão pagas pelas receitas do rei.
45Evenzo zullen de kosten voor het optrekken en versterken van de muren rondom Jerusalem en voor de bouw van de muren in Judea door de koninklijke inkomsten worden gedekt.
45As despesas para a construção dos muros de Jerusalém e sua fortificação ao redor também serão pagas pelas receitas do rei, assim como as despesas para a construção dos muros na Judeia.”
46Maar toen Jonatan en het volk deze voorstellen hoorden, vertrouwden zij ze niet; zij gingen er dus niet op in, omdat zij zich al te goed herinnerden, hoe groot onheil hij over Israël gebracht had, en hoezeer hij hen had verdrukt.
46Quando Jônatas e o povo ouviram essas palavras, não acreditaram nelas nem as aceitaram, pois se lembraram do grande mal que Demétrio havia feito em Israel e de como os havia afligido severamente.
47Zij bleven het dus met Alexander houden, omdat hij hun het eerst vriendschap had aangeboden, en waren in het vervolg zijn bondgenoten.
47Preferiram Alexandre, porque ele havia sido o primeiro a lhes dirigir palavras de paz, e permaneceram aliados dele.
48Nu bracht koning Alexander een groot leger op de been, en stelde zich tegen Demétrius op.
48O rei Alexandre reuniu grandes forças e acampou perto de Demétrio.
49Beide koningen raakten slaags met elkander; het leger van Demétrius sloeg op de vlucht en Alexander achtervolgde hem.
49Os dois reis entraram em batalha. O exército de Alexandre fugiu, e Demétrio o perseguiu e prevaleceu contra eles.
50Ofschoon hij hem reeds had overwonnen, zette hij toch de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang, met het gevolg dat Demétrius nog diezelfde dag sneuvelde.
50A batalha foi intensa até o pôr do sol, e Demétrio morreu naquele dia.
51Daarop zond Alexander een gezantschap naar Ptoleméus, den koning van Egypte, met de volgende boodschap:
51Alexandre enviou embaixadores a Ptolomeu, rei do Egito, com esta mensagem:
52Nu ik weer in mijn rijk ben teruggekeerd, heb ik de troon van mijn vaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Demétrius heb ik overwonnen en ons land in bezit gekregen.
52“Voltei ao meu reino, sentei-me no trono de meus antepassados, estabeleci meu domínio, derrotei Demétrio e tomei posse de nosso país.
53Want wij zijn met hem slaags geraakt, hebben zijn leger verpletterd, en bezit genomen van zijn koningstroon.
53Sim, lutei contra ele; ele e seu exército foram derrotados por nós, e nos assentamos no trono de seu reino.
54Laat ons dus vriendschap met elkander sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw, zodat ik uw schoonzoon word; ik zal u en haar geschenken aanbieden, die u waardig zijn.
54Agora façamos amizade um com o outro. Dê-me sua filha por esposa. Eu me unirei a você e darei a você e a ela presentes dignos de vocês.”
55Hierop antwoordde koning Ptoleméus als volgt: Gelukkig de dag, waarop gij in het land uwer vaderen zijt teruggekeerd en bezit hebt genomen van hun koningstroon.
55O rei Ptolomeu respondeu: “Feliz é o dia em que você voltou à terra de seus antepassados e se assentou no trono do reino deles.
56Ik sta u toe, waarover gij hebt geschreven. Kom mij echter in Ptolemáis tegemoet; dan kunnen wij elkander leren kennen en ik zal u tot mijn schoonzoon maken, zoals ge gevraagd hebt.
56Farei agora conforme você escreveu. Encontre-me, porém, em Ptolemaida, para que nos vejamos, e eu me unirei a você como disse.”
57Vergezeld van zijn dochter Kleópatra verliet dus Ptoleméus Egypte, en kwam in het jaar 162 te Ptolemáis aan,
57Ptolomeu saiu do Egito com Cleópatra, sua filha, e chegou a Ptolemaida no ano cento e sessenta e dois.
58waar koning Alexander hem tegemoet was gereisd. Hij gaf hem zijn dochter Kleópatra tot vrouw, en vierde daar in Ptolemáis haar huwelijksfeest op koninklijke wijze met pracht en praal.
58O rei Alexandre o encontrou, e Ptolomeu lhe deu sua filha Cleópatra. O casamento foi celebrado em Ptolemaida com grande esplendor, como fazem os reis.
59Intussen had koning Alexander aan Jonatan een brief geschreven, om hem uit te nodigen bij hem te komen.
59O rei Alexandre escreveu a Jônatas ordenando que viesse encontrá-lo.
60Rijk uitgedost vertrok deze dus naar Ptolemáis, en trof er de beide koningen aan. Hij bood hun en hun vertrouwelingen goud en zilver en allerlei andere geschenken aan, en wist daardoor hun gunst te winnen.
60Jônatas foi com grande pompa a Ptolemaida e encontrou os dois reis. Deu a eles e a seus amigos prata, ouro e muitos presentes, e encontrou favor diante deles.
61Bij die gelegenheid staken kwaadwillige en afvallige Israëlieten de hoofden bijeen, en klaagden hem aan. Maar de koning sloeg er geen acht op.
61Alguns homens descontentes de Israel, transgressores da Lei, reuniram-se contra ele para acusá-lo, mas o rei não lhes deu atenção.
62Integendeel, de koning gaf bevel, dat men Jonatan zijn gewaad zou doen afleggen en hem in purper zou kleden; en zo geschiedde.
62O rei ordenou que tirassem as roupas de Jônatas e o vestissem de púrpura, e assim fizeram.
63Daarop liet de koning hem naast zich plaats nemen, en beval zijn bevelhebbers: Gaat met hem midden door de stad, en maakt bekend, dat niemand het wage, hem van iets te beschuldigen, of hem om iets lastig te vallen.
63O rei o fez sentar-se ao seu lado e disse a seus príncipes: “Saiam com ele pelo centro da cidade e proclamem que ninguém pode apresentar acusação alguma contra ele nem perturbá-lo por motivo algum.”
64Toen dus de aanklagers bemerkten, hoe hij openlijk gehuldigd werd en hem in purper zagen gekleed, namen zij allen de vlucht.
64Quando os que o acusavam viram a honra que lhe era dada conforme a proclamação e o viram vestido de púrpura, todos fugiram.
65De koning bewees hem hoge eer, nam hem op onder zijn eerste vrienden, en stelde hem aan tot veldheer en stadhouder.
65O rei o honrou, inscreveu-o entre seus principais amigos e o nomeou comandante e governador de uma província.
66Zo keerde Jonatan behouden en geheel voldaan naar Jerusalem terug.
66Jônatas voltou para Jerusalém em paz e com alegria.
67In het jaar 165 ging Demétrius, de zoon van Demétrius, van Kreta naar het land zijner vaderen.
67No ano cento e sessenta e cinco, Demétrio, filho de Demétrio, saiu de Creta e chegou à terra de seus antepassados.
68Toen koning Alexander dit vernam, keerde hij vol bekommering naar Antiochië terug.
68Quando o rei Alexandre ouviu isso, ficou profundamente entristecido e voltou para Antioquia.
69Demétrius stelde Apollónius Táos tot stadhouder van Celesyrië aan. Deze bracht een groot leger op de been, en sloeg zijn kamp bij Jámnia op. En hij liet Jonatan, den hogepriester, weten:
69Demétrio nomeou Apolônio governador da Celessíria. Ele reuniu um grande exército, acampou contra Jâmnia e enviou uma mensagem a Jônatas, o sumo sacerdote:
70Gij zijt de enige, die zich tegen ons verzet; door uw toedoen word ik uitgelachen en bespot. Waarom durft gij u tegen ons in de bergen verzetten?
70“Só você se levanta contra nós, e por sua causa sou motivo de riso e vergonha. Por que exerce autoridade contra nós nas montanhas?
71Wanneer gij werkelijk op uw troepen vertrouwt, kom dan omlaag, bij ons in de vlakte; dan kunnen wij ons met elkander meten. Aan mijn kant staat de legermacht der steden.
71Se confia em suas tropas, desça agora até nós na planície, e ali mediremos nossas forças, pois comigo está o poder das cidades.
72Vraag maar na, dan zult ge wel horen, wie ik ben, en wie onze hulptroepen zijn. Men zal u zeggen, dat gij onmogelijk tegen ons stand kunt houden. Want uw vaderen werden tot twee maal toe door ons in hun eigen land verslagen:
72Pergunte e descubra quem sou e quem são os demais que nos ajudam. Eles dizem: ‘Seus pés não conseguirão permanecer diante de nós, pois seus antepassados já foram postos em fuga duas vezes em sua própria terra.’
73dus gij zult thans nog veel minder bestand zijn tegen zo'n geweldige ruiterij en troepenmacht, en zeker niet in de vlakte, waar steen noch kiezel, noch schuilplaats is.
73Agora você não conseguirá resistir à cavalaria e a um exército como este na planície, onde não há pedra nem cascalho, nem lugar para fugir.”
74Toen Jonatan deze grootspraak van Apollónius vernam, voelde hij zich diep gegriefd. Hij koos tienduizend soldaten uit en verliet Jerusalem; en zijn broer Sjimon sloot zich bij hem aan, om hem te helpen.
74Quando Jônatas ouviu as palavras de Apolônio, ficou indignado. Escolheu dez mil homens e saiu de Jerusalém, e Simão, seu irmão, encontrou-se com ele para ajudá-lo.
75Zij sloegen hun kamp op voor Jóppe; maar de inwoners hielden de stad gesloten, omdat er in Jóppe een bezetting van Apollónius lag. Toen zij echter de stad bestormden,
75Ele acampou contra Jope. Os habitantes da cidade fecharam-lhe os portões, porque Apolônio mantinha uma guarnição em Jope.
76deden de bang geworden inwoners hun open, en zo werd Jonatan heer en meester in Jóppe.
76Então lutaram contra a cidade. Seus habitantes ficaram com medo e abriram-lhe os portões, e Jônatas tornou-se senhor de Jope.
77Zodra Apollónius dit hoorde, rukte hij met drieduizend ruiters en een grote legermacht uit, en trok in de richting van Asjdod, alsof hij daarheen wilde gaan. Maar vertrouwend op zijn sterke ruiterij, rukte hij eensklaps de vlakte in,
77Quando Apolônio soube disso, reuniu três mil cavaleiros e um grande exército. Marchou em direção a Azoto como se estivesse apenas de passagem, mas ao mesmo tempo avançava pela planície, pois confiava na grande quantidade de sua cavalaria.
78terwijl Jonatan hem achterna trok naar Asjdod. Zo raakten de legers slaags.
78Perseguiu Jônatas até Azoto, e os exércitos entraram em batalha.
79Apollónius had achter de linie der Joden duizend ruiters gelaten, die verdekt waren opgesteld;
79Apolônio havia deixado secretamente mil cavaleiros atrás deles.
80maar Jonatan wist, dat hem een hinderlaag was gelegd. Nu sloten de Syriërs zijn leger in, en beschoten zijn volk met pijlen van de morgen tot de avond.
80Jônatas soube que havia uma emboscada atrás de si. Os cavaleiros cercaram seu exército e lançaram flechas contra o povo desde a manhã até a tarde.
81Maar het volk hield stand, zoals Jonatan hun bevolen had. Toen echter de vijandelijke ruiterij uitgeput raakte,
81O povo, porém, permaneceu firme conforme Jônatas havia ordenado, e os cavalos dos inimigos ficaram cansados.
82trok Sjimon zijn leger samen, en stormde op het voetvolk los. En daar de ruiterij machteloos was, werden zij door hem verslagen en gingen op de vlucht.
82Então Simão avançou com seu exército e entrou em combate com a falange — pois a cavalaria já estava exausta —, e eles foram derrotados diante dele e fugiram.
83Ook de ruiterij werd in de vlakte uit elkaar gedreven. Zij vluchtten naar Asjdod, en gingen het huis van Dagon binnen, om in hun afgodstempel redding te zoeken.
83A cavalaria se dispersou pela planície. Fugiram para Azoto e entraram em Bete-Dagom, o templo de seu ídolo, para se salvar.
84Maar Jonatan stak Asjdod en de omliggende plaatsen in brand, maakte zich meester van de oorlogsbuit, en gaf de tempel van Dagon met allen, die er een toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs.
84Jônatas incendiou Azoto e as cidades ao redor e tomou seus despojos. Queimou o templo de Dagom e também os que haviam fugido para dentro dele.
85Het getal van hen, die door het zwaard en het vuur waren omgekomen, bedroeg ongeveer achtduizend man.
85Os que caíram pela espada, somados aos que foram queimados, totalizaram cerca de oito mil homens.
86Toen trok Jonatan verder, en legerde zich bij Asjkalon, waar de inwoners hem met hoge eerbewijzen ontvingen.
86Dali Jônatas partiu e acampou contra Ascalom. Os habitantes da cidade saíram para recebê-lo com grande pompa.
87Daarna keerde Jonatan met zijn mannen en een grote buit naar Jerusalem terug.
87Jônatas voltou para Jerusalém com os que estavam ao seu lado, levando muitos despojos.
88Toen koning Alexander dit hoorde, bewees hij Jonatan nog hoger eer. Hij zond hem een gouden gesp, waarmede anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron en het daarbij behorende gebied in bezit.
88Quando o rei Alexandre soube dessas coisas, honrou Jônatas ainda mais.
no verse 89 in this text
89Enviou-lhe uma fivela de ouro, como era costume oferecer aos parentes do rei, e deu-lhe Ecrom e todo o seu território como propriedade.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.