Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In die dagen trad Mattatias op, een zoon van Johannes en kleinzoon van Sjimon. Hij was priester uit het geslacht van Jojarib te Jerusalem, maar woonde in Modin.
1Naqueles dias, levantou-se Matatias, filho de João, filho de Simeão, sacerdote dos filhos de Joiaribe, natural de Jerusalém, que morava em Modim.
2Hij had vijf zonen: Johannes met de bijnaam Gaddi,
2Ele tinha cinco filhos: João, de sobrenome Gadi;
3Sjimon met de bijnaam Tassi,
3Simão, chamado Tassi;
4Judas die Makkabeër genoemd werd,
4Judas, chamado Macabeu;
5Elazar met de bijnaam Hauran, en Jonatan, die ook Affoes heette.
5Eleazar, chamado Avarã; e Jônatas, chamado Afus.
6Toen hij nu de gruwelen in Juda en Jerusalem aanschouwde,
6Ele viu as blasfêmias cometidas em Judá e em Jerusalém
7sprak hij: Wee mij! Waartoe werd ik geboren, Nu ik de ondergang van mijn volk aanschouw, de ruïne der heilige stad; Nu ik machteloos zit, terwijl zij aan den vijand wordt overgeleverd En het heiligdom in de handen van vreemden valt.
7e disse: “Ai de mim! Por que nasci para ver a destruição de meu povo e a ruína da cidade santa, e para morar nela enquanto era entregue nas mãos do inimigo e o santuário nas mãos de estrangeiros?
8Haar tempel werd als een onteerde man, Nu haar heerlijke vaten als buit zijn geroofd.
8Seu templo tornou-se como um homem que perdeu sua glória.
9Haar kinderen werden in haar straten vermoord, Haar jongemannen door het vijandig zwaard.
9Seus utensílios gloriosos foram levados para o cativeiro. Seus bebês foram mortos em suas ruas, e seus jovens, pela espada do inimigo.
10Is er nog een volk, dat niet over haar heerste, En dat geen beslag heeft gelegd op een deel van de buit?
10Que nação não herdou seus palácios e não tomou posse de seus despojos?
11Al haar sieraden zijn haar ontnomen; Die vroeger vrij was, werd een slavin.
11Todo o seu ornamento foi retirado. De mulher livre, tornou-se escrava.
12Ziet eens, hoe ons heiligdom, ons juweel, Hoe onze trots is verwoest, En hoe de heidenen het hebben onteerd!
12Eis que nossas coisas santas, nossa beleza e nossa glória foram devastadas. Os gentios as profanaram.
13Waartoe leven wij nog?
13Por que ainda haveríamos de viver?”
14Mattatias en zijn zonen scheurden hun klederen, hulden zich in boetezakken en waren diep bedroefd.
14Matatias e seus filhos rasgaram as roupas, vestiram pano de saco e fizeram grande lamentação.
15Op zekere dag verschenen er ook koninklijke beambten in Modin, om de stad tot afval en tot offeren te dwingen.
15Os oficiais do rei encarregados de impor a apostasia chegaram à cidade de Modim para oferecer sacrifícios.
16Vele Israëlieten liepen naar hen over, maar Mattatias en zijn zonen bleven standvastig.
16Muitos de Israel foram até eles, e Matatias e seus filhos também se reuniram ali.
17Daarom spraken de koninklijke beambten Mattatias hierover aan, en zeiden tot hem: In deze stad zijt gij een der leiders; ge staat hoog in aanzien en hebt grote invloed; bovendien staan uw zonen en uw familie achter u.
17Os oficiais do rei disseram a Matatias: “Você é líder, homem honrado e importante nesta cidade, fortalecido por filhos e parentes.
18Treed gij dus het eerst naar voren, en doe wat de koning beveelt; alle volken hebben het reeds gedaan, en de mannen uit Juda met die in Jerusalem zijn achtergebleven, eveneens. Dan zult gij en uw zonen tot de vrienden van den koning worden gerekend, en goud, zilver en veel andere eregeschenken ontvangen.
18Portanto, venha primeiro e cumpra a ordem do rei, como fizeram todas as nações, os homens de Judá e os que permaneceram em Jerusalém. Você e sua casa serão contados entre os amigos do rei, e você e seus filhos serão honrados com prata, ouro e muitos presentes.”
19Maar Mattatias antwoordde met luider stem: Al gehoorzamen hem alle volken in het rijksgebied van den koning, al valt iedereen van de godsdienst zijner vaderen af en voegt zich naar het bevel van den koning,
19Matatias respondeu em alta voz: “Ainda que todas as nações que estão sob o domínio do rei lhe obedeçam, cada uma abandonando o culto de seus antepassados e escolhendo seguir seus mandamentos,
20ik, mijn zonen en mijn familie blijven trouw aan het verbond onzer vaderen!
20eu, meus filhos e meus parentes andaremos na aliança de nossos antepassados.
21Wij denken er niet aan, de wet te verzaken en haar geboden.
21Longe de nós abandonar a Lei e os estatutos!
22Nooit gehoorzamen wij aan het bevel van den koning; van onze godsdienst wijken we niet af, niet rechts en niet links!
22Não obedeceremos às palavras do rei para nos desviarmos de nosso culto, nem para a direita nem para a esquerda.”
23Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of er trad een jood voor aller ogen naar voren, om volgens het bevel van den koning een offer te brengen op het altaar van Modin.
23Quando terminou de dizer essas palavras, um judeu veio diante de todos para sacrificar sobre o altar de Modim conforme a ordem do rei.
24Toen Mattatias dit zag, ontstak hij in heilige woede, en heel zijn wezen kwam in opstand. Hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit, en sloeg hem neer bij het altaar.
24Matatias viu isso; seu zelo se acendeu, suas entranhas estremeceram, e ele deu vazão à sua ira conforme o justo julgamento. Correu e matou o homem sobre o altar.
25Tegelijkertijd doodde hij den koninklijken beambte, die het offer had doorgedreven, en vernielde het altaar.
25Ao mesmo tempo, matou o oficial do rei que obrigava os homens a sacrificar e derrubou o altar.
26Zo kwam hij op voor de wet, evenals Pinechas tegen Zimri, den zoon van Sjalloem.
26Foi zeloso pela Lei, assim como Fineias foi contra Zinri, filho de Salu.
27Nu liet Mattatias met luider stem in de stad afkondigen: Iedereen die het opneemt voor de wet en trouw blijft aan het verbond, volge mij!
27Matatias gritou em alta voz pela cidade: “Quem for zeloso pela Lei e permanecer fiel à aliança, siga-me!”
28Daarop vluchtte hij met zijn zonen naar het gebergte, en ze lieten have en goed in de stad.
28Então ele e seus filhos fugiram para as montanhas e deixaram na cidade tudo o que possuíam.
29Toen trokken er velen, die naar recht en gerechtigheid snakten, naar de woestijn, en bleven daar wonen
29Muitos que buscavam justiça e juízo desceram ao deserto para morar ali —
30met vrouwen, kinderen en vee, omdat de nood te hoog was geklommen.
30eles, seus filhos, suas esposas e seu gado — porque os males haviam se multiplicado sobre eles.
31Maar zodra de koninklijke beambte en de bezetting, die zich te Jerusalem in de Davidstad ophield, te weten waren gekomen, dat velen van hen, die het koninklijk bevel in de wind hadden geslagen, naar de holen in de woestijn waren gevlucht,
31Foi informado aos oficiais do rei e às tropas que estavam em Jerusalém, na Cidade de Davi, que certos homens que haviam desobedecido à ordem do rei tinham descido aos esconderijos no deserto.
32trokken ze hen met een groot leger achterna, haalden hen in en omsingelden hen. Doch eerst op de sabbat gingen ze tot de aanval over,
32Muitos os perseguiram e, depois de alcançá-los, acamparam contra eles e se prepararam para atacá-los no sábado.
33en riepen hun toe: Nu is het genoeg; komt er uit! Als gij u onderwerpt aan het bevel van den koning, blijft gij in leven!
33Disseram-lhes: “Já chega! Saiam e façam conforme a palavra do rei, e vocês viverão.”
34Men riep hun terug: Wij komen er niet uit; wij onderwerpen ons niet aan het bevel van den koning, en willen nog minder de sabbat schenden.
34Eles responderam: “Não sairemos nem obedeceremos à palavra do rei para profanar o sábado.”
35Nu vielen ze hen onmiddellijk aan.
35Então o inimigo se apressou em atacá-los.
36Maar de anderen verweerden zich niet; ze wierpen geen enkele steen naar hen, en sloten zelfs de holen niet af.
36Eles não responderam, não lançaram pedra alguma contra os atacantes nem bloquearam seus esconderijos.
37Ze riepen: We willen allen sterven met een rein geweten! Hemel en aarde zijn onze getuigen, dat gij ons wederrechtelijk vermoordt.
37Disseram: “Morreremos todos em nossa inocência. O céu e a terra testemunham por nós que vocês nos matam injustamente.”
38Zij vielen hen dus op sabbat aan, en ongeveer duizend mannen, vrouwen en kinderen vonden de dood met het vee.
38Assim foram atacados no sábado e morreram — eles, suas esposas, seus filhos e seu gado —, cerca de mil pessoas.
39Toen Mattatias en zijn vrienden dit vernamen, betreurden ze hen diep.
39Quando Matatias e seus amigos souberam disso, fizeram grande lamentação por eles.
40Maar ze zeiden ook tegen elkander: Wanneer wij allen doen als onze broeders, en ons leven en onze wet niet tegen de heidenen verdedigen dan zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgen.
40Disseram uns aos outros: “Se todos nós fizermos como nossos irmãos fizeram e não lutarmos contra os gentios por nossa vida e por nossos estatutos, eles logo nos destruirão da face da terra.”
41Nog diezelfde dag maakten ze dan ook het besluit: We grijpen iedereen aan, die ons aanvalt op sabbat, en laten ons niet tot den laatsten man uitmoorden, zoals onze broeders, die in de holen gedood zijn.
41Naquele dia decidiram: “Se alguém vier lutar contra nós no sábado, lutaremos contra ele. Não morreremos todos como nossos irmãos morreram nos esconderijos.”
42Nu sloot zich ook een groep chasidéen bij hen aan; het waren dappere Israëlieten, die allen met hart en ziel voor de wet opkwamen.
42Então se reuniu a eles um grupo de assideus, homens valentes de Israel, todos os que se ofereciam voluntariamente pela Lei.
43Ook allen, die voor de nood moesten vluchten, sloten zich bij hen aan, en versterkten hun macht.
43Todos os que fugiam dos males juntaram-se a eles e os fortaleceram.
44Zo vormden zij een legerschare, en In hun verbittering sloegen zij de goddelozen neer, En de afvalligen in hun woede! De rest wist zich te redden, door naar de heidenen te vluchten.
44Formaram um exército e atacaram os pecadores em sua ira e os homens sem Lei em sua indignação. Os demais fugiram para os gentios em busca de segurança.
45Nu trokken Mattatias en zijn vrienden overal rond, en vernielden de altaren.
45Matatias e seus amigos percorreram a região derrubando os altares.
46En wanneer ze ergens binnen het gebied van Israël een onbesneden kind ontdekten, lieten zij het desnoods met geweld besnijden;
46Circuncidaram à força todos os meninos incircuncisos que encontraram nas regiões de Israel.
47die zich hooghartig verzetten, joegen ze er uit. Hun werk werd met goede uitslag bekroond:
47Perseguiram os arrogantes, e a obra prosperou em suas mãos.
48ze beschermden de wet tegen heidenen en koningen, en gaven de goddelozen geen kans.
48Resgataram a Lei das mãos dos gentios e das mãos dos reis e nunca permitiram que o pecador triunfasse.
49Toen de tijd aanbrak, dat Mattatias zou sterven, sprak hij tot zijn zonen: Nu hebben trots en geweld de overhand, Het is een tijd van verwoesting en grimmige woede.
49Quando se aproximaram os dias de sua morte, Matatias disse a seus filhos: “Agora o orgulho e o desprezo ganharam força. É tempo de destruição e de ira indignada.
50Strijdt dus, mijn kinderen, voor de wet, En geeft uw leven voor het verbond onzer vaderen.
50Agora, meus filhos, sejam zelosos pela Lei e deem a vida pela aliança de seus antepassados.
51Denkt aan het werk van uw vaderen, Dat zij bij hun leven hebben verricht: Dan valt u grote eer ten deel, En eeuwige roem!
51Lembrem-se das obras que nossos antepassados realizaram em suas gerações, e vocês receberão grande glória e um nome eterno.
52Toonde Abraham zich niet trouw in de beproeving, En werd hem dit niet tot gerechtigheid gerekend?
52Abraão não foi encontrado fiel na provação, e isso lhe foi atribuído como justiça?
53In zijn nood hield Josef vast aan de wet, En hij werd heer van Egypte.
53José guardou o mandamento no tempo de sua aflição e tornou-se senhor do Egito.
54Pinechas, onze vader, was een voorbeeld van ijver; Daarom werd hem een priesterschap voor eeuwig beloofd.
54Fineias, nosso antepassado, por ser extremamente zeloso, recebeu a aliança de um sacerdócio eterno.
55Omdat Josuël zijn plicht vervulde, Werd hij rechter in Israël.
55Josué, por cumprir a palavra, tornou-se juiz em Israel.
56Omdat Kaleb voor het volk heeft getuigd, Kreeg hij een erfdeel in bezit.
56Calebe, por dar testemunho diante da assembleia, recebeu uma herança na terra.
57David ontving voor zijn vroomheid De koningstroon voor altijd.
57Davi, por sua misericórdia, herdou o trono de um reino para todo o sempre.
58Omdat Elias voor de wet had geijverd, Werd hij in de hemel opgenomen.
58Elias, por ser extremamente zeloso pela Lei, foi levado ao céu.
59Ananja, Azarja en Misjaël werden door hun geloof Voor de vuurdood behoed.
59Hananias, Azarias e Misael creram e foram salvos da chama.
60De onschuld van Daniël Redde hem uit de muil van de leeuwen.
60Daniel, por sua inocência, foi livrado da boca dos leões.
61Zo kunt gij nagaan van geslacht tot geslacht, Dat niemand, die op God vertrouwt, het onderspit delft.
61“Assim, considerem de geração em geração que ninguém que põe sua confiança nele ficará sem força.
62Weest dus niet bang voor het dreigen van den goddeloze; Want zijn pracht vervuilt en valt de wormen ten prooi.
62Não tenham medo das palavras de um pecador, pois sua glória se transformará em esterco e vermes.
63Vandaag nog is hij hoog verheven, Morgen niet eens meer te vinden; Tot zijn stof keert hij terug, En met zijn plannen is het gedaan.
63Hoje ele será exaltado, mas amanhã não será encontrado, porque voltou ao pó e seus planos pereceram.
64Dus kinderen, weest moedig, en staat pal voor de wet, Want daarin alleen ligt uw roem!
64Vocês, meus filhos, sejam fortes e mostrem-se homens em defesa da Lei, pois por meio dela alcançarão glória.
65En omdat ik weet, dat uw broer Sjimon een man is met doorzicht, moet gij altijd naar hem luisteren; hij zal uw vader zijn.
65Eis Simão, seu irmão. Sei que é homem de conselho. Escutem-no sempre. Ele será um pai para vocês.
66Maar Judas de Makkabeër moet uw legeraanvoerder zijn, omdat hij van jongsaf een dapper held is geweest; hij moet de leiding nemen in de oorlog tegen de heidenen.
66Judas Macabeu tem sido forte e valente desde a juventude. Ele será seu comandante e lutará a batalha do povo.
67Verzamelt dan allen, die de wet onderhouden, om u heen, en neemt wraak voor uw volk.
67Reúnam ao redor de vocês todos os que praticam a Lei e vinguem o mal feito ao seu povo.
68Vergeldt de heidenen wat ze ons deden, en houdt vast aan de wet en haar geboden.
68Retribuam aos gentios e obedeçam aos mandamentos da Lei.”
69Daarna zegende hij hen, en ging tot zijn vaderen.
69Então ele os abençoou e foi reunido aos seus antepassados.
70Hij stierf in het jaar 146, en werd in het familiegraf te Modin begraven. Heel Israël hield over hem een plechtige rouwklacht.
70Morreu no ano cento e quarenta e seis, e seus filhos o sepultaram nos túmulos de seus antepassados em Modim. Todo Israel fez grande lamentação por ele.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.