1 Makkabeeen 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen de heidenen uit de omtrek hadden vernomen, dat het brandofferaltaar weer was opgebouwd en het heiligdom weer in zijn vroegere staat was hersteld, werden ze woedend;
1Quando os gentios ao redor ouviram que o altar havia sido reconstruído e que o santuário havia sido dedicado como antes, ficaram extremamente irados.
2ze besloten, het geslacht van Jakob, dat in hun midden leefde, uit te roeien, en begonnen reeds het volk te moorden en te vernielen.
2Decidiram destruir a raça de Jacó que vivia no meio deles e começaram a matar e destruir entre o povo.
3Daarom trok Judas op tegen de zonen van Esau in Judea, die zich in Akrabatténe hadden gevestigd, en die het Israël in de omtrek lastig maakten. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, maakte ze weerloos en plunderde ze uit.
3Judas lutou contra os filhos de Esaú na Idumeia, em Acrabatene, porque eles sitiavam Israel. Feriu-os com grande matança, humilhou-os e tomou seus despojos.
4Daarbij herinnerde hij zich de laagheid van de bewoners van Bajan, die het volk valstrikken en hinderlagen hadden gelegd en langs de wegen op hen hadden geloerd.
4Lembrou-se da maldade dos filhos de Beã, que eram uma armadilha e pedra de tropeço para o povo, preparando emboscadas nas estradas.
5Hij sloot ze op in hun torens, belegerde hen, trof ze met de banvloek, en stak de torens met allen, die erin waren, in brand.
5Ele os cercou nas torres, acampou contra eles, destruiu-os completamente e queimou as torres daquele lugar com todos os que estavam dentro delas.
6Vandaar trok hij verder naar de zonen van Ammon, waar hij op een sterke weermacht stiet met veel soldaten, die onder bevel van Timóteus stonden.
6Depois passou para os filhos de Amom e encontrou um poderoso grupo e muita gente, tendo Timóteo como comandante.
7In een reeks gevechten, die hij hun leverde, werden zij door hem in het nauw gedreven, en geheel verslagen.
7Travou muitas batalhas contra eles, e eles foram derrotados diante dele. Ele os feriu
8En nadat hij ook Jazer had bedwongen met de onderhorige plaatsen, keerde hij naar Judea terug.
8e tomou Jazer e suas aldeias, e voltou para a Judeia.
9Ook de heidenen van Gilad hadden tegen de Israëlieten, die hun gebied bewoonden, samengespannen, om hen uit te roeien. Dezen waren naar de vesting Dátema gevlucht,
9Os gentios que estavam em Gileade se reuniram contra os israelitas que viviam em suas fronteiras para destruí-los. Estes fugiram para a fortaleza de Datema
10en zonden nu brieven aan Judas en zijn broers met de volgende inhoud: De heidenen uit onze omgeving hebben tegen ons samengespannen, om ons uit te roeien.
10e enviaram cartas a Judas e seus irmãos, dizendo: “Os gentios ao nosso redor se reuniram contra nós para nos destruir.
11Ze staan klaar, om een aanval te doen en de vesting te veroveren, waarin wij gevlucht zijn, en Timóteus heeft de leiding over hun troepen.
11Eles estão se preparando para vir tomar a fortaleza para onde fugimos, e Timóteo é o comandante do exército deles.
12Kom ons dus uit hun handen redden! Reeds velen van ons zijn gesneuveld.
12Venham agora e livrem-nos de suas mãos, pois muitos de nós já caíram.
13Al onze broeders, die de streek Toebi bewoonden, hebben ze vermoord, en hun vrouwen, kinderen en bezittingen meegenomen; ze hebben ongeveer duizend man omgebracht.
13Todos os nossos irmãos que estavam na terra de Tobias foram mortos. Levaram cativas suas esposas, seus filhos e seus bens e mataram ali cerca de mil homens.”
14Nog was men bezig de brieven te lezen, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen, die hetzelfde berichtten:
14Enquanto as cartas ainda estavam sendo lidas, chegaram outros mensageiros da Galileia com as roupas rasgadas, trazendo notícia semelhante.
15Ptolemáis, Tyrus en Sidon, ja het gehele heidense Galilea heeft samengespannen, om ons uit de weg te ruimen.
15Disseram: “Os habitantes de Ptolemaida, Tiro, Sidom e toda a Galileia dos gentios se reuniram para nos destruir.”
16Toen Judas en het volk deze berichten vernamen, belegden zij een grote vergadering, om te beraadslagen, wat zij konden doen voor hun broeders, die in nood verkeerden en door de heidenen werden bestookt.
16Quando Judas e o povo ouviram essas palavras, uma grande assembleia se reuniu para decidir o que fazer por seus irmãos que estavam em perigo e sob ataque.
17En Judas zeide tot zijn broer Sjimon: Kies mannen uit, en trek naar Galilea op, om uw broeders aldaar te bevrijden; ikzelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilad gaan.
17Judas disse a Simão, seu irmão: “Escolha homens e vá livrar nossos irmãos que estão na Galileia. Eu e Jônatas, meu irmão, iremos à terra de Gileade.”
18Josef, den zoon van Zekarja, en Azarja liet hij als aanvoerders met de rest van het leger in Judea als dekking achter;
18Deixou José, filho de Zacarias, e Azarias como líderes do povo, com o restante do exército na Judeia, para protegê-la.
19hij gaf hun echter bevel: Neemt de leiding over deze mannen; maar begint geen gevecht met de heidenen, voordat wij terug zijn.
19Ordenou-lhes: “Fiquem encarregados deste povo e não travem batalha contra os gentios até que voltemos.”
20Sjimon kreeg drieduizend man, om tegen Galilea op te trekken, en Judas achtduizend man voor zijn tocht tegen Gilad.
20Foram designados três mil homens para ir à Galileia com Simão, e oito mil foram designados para ir com Judas à terra de Gileade.
21Nu rukte Sjimon naar Galilea op, en leverde een reeks veldslagen tegen de heidenen. Ze werden door hem verslagen, en hij zette ze na tot aan de poort van Ptolemáis.
21Simão foi para a Galileia e travou muitas batalhas contra os gentios, e os gentios foram derrotados diante dele.
22Van de heidenen sneuvelden er ongeveer drieduizend man, wier krijgsuitrusting hij in beslag nam.
22Perseguiu-os até o portão de Ptolemaida. Cerca de três mil homens dos gentios caíram, e ele tomou seus despojos.
23Daarna nam hij de Joden uit Galilea en Arbátta met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee, en bracht hen onder groot gejubel naar Judea.
23Levou consigo os que estavam na Galileia e em Arbata, com suas esposas, seus filhos e tudo o que possuíam, e os trouxe para a Judeia com grande alegria.
24Intussen was Judas de Makkabeër met zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken, en drie dagmarsen ver de woestijn ingetrokken.
24Judas Macabeu e seu irmão Jônatas atravessaram o Jordão e caminharam três dias pelo deserto.
25Daar stieten ze op de Nabateërs die hen echter vriendelijk bejegenden, en hun uitvoerig vertelden, wat hun broeders in Gilad was overkomen:
25Encontraram-se com os nabateus, que os receberam pacificamente e lhes contaram tudo o que havia acontecido com seus irmãos na terra de Gileade,
26dat er namelijk velen van hen waren opgesloten in Bossora, Bossor, Alama, Kasfon, Maked en Karnáin, allemaal versterkte en grote steden;
26e como muitos deles estavam cercados em Bosora, Bosor, Alema, Casfor, Maqued e Carnaim — todas cidades fortes e grandes —
27dat er ook in de overige steden van Gilad zaten ingesloten, en dat men bepaald had, de vestingen de volgende dag te belegeren en in te nemen, en alle Joden op één en dezelfde dag te vermoorden.
27e como outros estavam cercados nas demais cidades da terra de Gileade. Disseram também que no dia seguinte os inimigos planejavam acampar contra as fortalezas, tomá-las e destruir todos aqueles homens num só dia.
28Toen maakte Judas dadelijk met zijn leger rechtsomkeer, in de richting van de woestijn, waar Bossora lag. Hij veroverde de stad, joeg alle mannen over de kling, nam hun gehele buit in beslag, en stak de stad in brand.
28Judas e seu exército mudaram repentinamente de direção e seguiram pelo deserto até Bosora. Ele tomou a cidade, matou todos os homens ao fio da espada, tomou todos os seus despojos e incendiou a cidade.
29Nog in dezelfde nacht brak hij op, en trok naar de vesting Dátema.
29Partiu dali durante a noite e continuou até chegar à fortaleza.
30Toen het morgen geworden was, en ze rond konden kijken, zie: daar was een ontelbare drom van soldaten, die ladders en oorlogswerktuigen aansleepten, om de vesting te belegeren en in hun macht te krijgen.
30Pela manhã, levantaram os olhos e viram uma multidão incontável trazendo escadas e máquinas de guerra para tomar a fortaleza e atacando os que estavam dentro.
31Judas begreep, dat de strijd was begonnen. En terwijl uit de stad het rumoer van trompetten en krijgsgeschreeuw de lucht vervulde,
31Judas viu que a batalha havia começado e que o clamor da cidade subia ao céu, acompanhado de trombetas e grande estrondo.
32riep hij zijn soldaten toe: Het zijn uw broeders, voor wie gij vandaag hebt te strijden!
32Disse aos homens de seu exército: “Lutem hoje por seus irmãos!”
33Toen viel hij hen in drie afdelingen van achteren aan, terwijl zij op de trompetten bliezen en hun gebeden lieten weergalmen.
33Então saiu por trás dos inimigos em três companhias. Tocaram as trombetas e clamaram em oração.
34Maar zodra het leger van Timóteus bemerkte, dat het de Makkabeër was, sloeg het voor hem op de vlucht. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, en die dag vielen er van hen ongeveer achtduizend man.
34Quando o exército de Timóteo percebeu que era Macabeu, fugiu diante dele. Judas os feriu com grande matança, e cerca de oito mil homens deles caíram naquele dia.
35Daarna boog hij af naar Alama, viel het aan, en veroverde het; hij doodde er alle mannen, nam de buit in beslag en stak de stad in brand.
35Depois desviou-se para Mispá, lutou contra ela, tomou-a, matou todos os homens, tomou seus despojos e incendiou-a.
36Vandaar trok hij verder, en veroverde Kasfon, Maked, Bossor en de overige steden van Gilad.
36Dali partiu e tomou Casfor, Maqued, Bosor e as outras cidades da terra de Gileade.
37Enige tijd later bracht Timóteus een nieuw leger op de been, en stelde het op voor Rafon aan de overzijde van de beek.
37Depois dessas coisas, Timóteo reuniu outro exército e acampou perto de Rafom, do outro lado do riacho.
38Judas had spionnen naar de legerplaats gezonden, en dezen deelden hem mee: Het is een ontzaglijk leger; alle heidenen hier uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten,
38Judas enviou homens para espionar o exército. Eles voltaram dizendo: “Todos os gentios ao nosso redor se reuniram com eles, formando um exército extremamente grande.
39en zelfs Arabieren hebben zij als hulptroepen in dienst genomen. Hun kamp hebben ze opgeslagen aan de overkant van de beek, en ze staan klaar, om tegen u op te trekken. Judas ging dus op hen af.
39Contrataram árabes para ajudá-los e estão acampados do outro lado do riacho, prontos para vir contra você em batalha.” Então Judas foi ao encontro deles.
40Toen Judas met zijn leger de beek naderde, sprak Timóteus tot zijn legeraanvoerders: Wanneer hij het eerst naar ons oversteekt, kunnen we hem geen weerstand bieden; want dan is hij ons de baas.
40Timóteo disse aos comandantes de seu exército quando Judas e suas tropas se aproximavam do riacho: “Se ele atravessar primeiro para o nosso lado, não poderemos resistir a ele, pois certamente nos derrotará;
41Maar is hij bang, en blijft hij aan de overkant van de stroom, dan moeten wij naar hem oversteken, en zullen wij hem verslaan.
41mas, se tiver medo e acampar do outro lado do rio, nós atravessaremos contra ele e o derrotaremos.”
42Toen Judas dus dicht bij de beek was gekomen, liet hij de leiders van het volk bij de rivier postvatten, en gaf hun bevel: Niemand mag hier blijven, maar allen moeten de strijd in.
42Quando Judas chegou perto do riacho, mandou os escribas do povo permanecerem junto à água e lhes ordenou: “Não permitam que homem algum fique no acampamento; todos devem vir para a batalha.”
43Zelf stak hij het eerst naar hen over, en al zijn soldaten kwamen achter hem aan. Heel het heidenleger bezweek voor hen; ze wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnáin.
43Então ele atravessou primeiro contra os inimigos, e todo o povo o seguiu. Todos os gentios foram derrotados diante dele, jogaram fora suas armas e fugiram para o templo em Carnaim.
44Maar de Joden veroverden de stad en staken de tempel, met allen die er in waren, in brand. Zo werd Karnáin diep vernederd, en kon zich niet langer tegen Judas verzetten.
44Eles tomaram a cidade e queimaram o templo com todos os que estavam dentro. Carnaim foi subjugada, e os inimigos já não puderam resistir diante de Judas.
45Daarop bracht Judas alle Israëlieten uit Gilad bijeen, groot en klein, met vrouwen, kinderen, have en goed, om met die geweldige massa naar het land van Juda te gaan.
45Judas reuniu todos os israelitas que estavam na terra de Gileade, do menor ao maior, com suas esposas, seus filhos e seus bens, formando uma multidão extremamente grande, para irem à terra de Judá.
46Zo bereikten ze Efron. Dit was een grote en zeer sterke stad, aan een pas gelegen, waar men niet uitwijken kon naar links of naar rechts, doch waar men midden door moest trekken.
46Chegaram até Efrom, uma cidade grande e muito forte que ficava no caminho por onde precisavam passar. Não podiam contorná-la nem pela direita nem pela esquerda; era necessário atravessá-la.
47Maar de inwoners der stad sloten de poorten voor hen dicht, en hoopten er stenen tegen op.
47Os habitantes da cidade fecharam a passagem e bloquearam os portões com pedras.
48Judas liet hun vriendelijk vragen: Geef ons verlof, door uw gebied te trekken, om in ons land te komen. Niemand zal u kwaad doen; wij willen er alleen maar doorheen. Maar zij weigerden, de poorten voor hen te openen.
48Judas enviou-lhes palavras de paz: “Passaremos por sua terra para chegar à nossa própria terra, e ninguém lhes fará mal. Apenas passaremos a pé.” Mas eles se recusaram a abrir.
49Toen liet Judas in zijn leger het bevel uitvaardigen, dat iedereen moest halt houden op de plaats, waar hij was.
49Então Judas ordenou que se fizesse uma proclamação no exército, para que cada homem acampasse onde estava.
50En zodra zijn manschappen halt hadden gehouden, deed hij een aanval op de stad, de hele dag en de hele nacht lang, totdat de stad zich aan hem overgaf.
50Os homens do exército acamparam e lutaram contra a cidade durante todo aquele dia e toda aquela noite, e a cidade foi entregue em suas mãos.
51De mannen joeg hij over de kling, en maakte de stad met de grond gelijk; hij legde beslag op de buit, en rukte over de lijken heen door de stad.
51Judas matou todos os homens ao fio da espada, arrasou a cidade, tomou seus despojos e atravessou a cidade passando sobre os mortos.
52Daarna trokken ze over de Jordaan en bereikten de grote vlakte tegenover Bet-Sjan.
52Atravessaram o Jordão e chegaram à grande planície perto de Bete-Seã.
53Intussen bleef Judas er voor zorgen, dat zij die achteraan kwamen, bij konden blijven, en de gehele tocht sprak hij het volk moed in, totdat hij in het land van Juda kwam.
53Judas reunia os que ficavam para trás e encorajava o povo durante todo o caminho, até chegar à terra de Judá.
54Verrukt en opgetogen bestegen zij nu de Sionsberg, en droegen brandoffers op, omdat er niemand van hen onderweg was gevallen, maar allen behouden waren teruggekeerd.
54Subiram ao monte Sião com alegria e júbilo e ofereceram holocaustos, porque nenhum deles havia sido morto até que voltassem em paz.
55Terwijl Judas met Jonatan in Gilad vertoefde, en zijn broer Sjimon in Galilea voor Ptolemáis lag,
55Nos dias em que Judas e Jônatas estavam na terra de Gileade, e Simão, seu irmão, na Galileia diante de Ptolemaida,
56hoorden de legerbevelhebbers Josef, de zoon van Zekarja, en Azarja van hun heldendaden en gevechten gewagen.
56José, filho de Zacarias, e Azarias, comandantes do exército, ouviram falar dos feitos e das batalhas que eles haviam realizado.
57En ze zeiden: Ook wij willen ons een naam veroveren, door ten strijde te trekken tegen de heidenen in onze omgeving.
57Disseram: “Também nós conquistaremos um nome. Vamos lutar contra os gentios que estão ao nosso redor.”
58En zij gaven hun mannen bevel tot de opmars, en rukten tegen Jámnia uit.
58Então deram ordens aos homens do exército que estava com eles e marcharam em direção a Jâmnia.
59Maar Górgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad, en bond de strijd met hen aan.
59Górgias e seus homens saíram da cidade para enfrentá-los em batalha.
60Josef en Azarja werden verslagen en achterna gezet tot aan de grenzen van Judea; die dag vielen er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man.
60José e Azarias foram postos em fuga e perseguidos até as fronteiras da Judeia. Cerca de dois mil homens de Israel caíram naquele dia.
61Deze pijnlijke slag trof het volk, omdat zij niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd;
61Houve grande derrota entre o povo, porque eles não deram ouvidos a Judas e seus irmãos, pensando realizar algum grande feito.
62bovendien behoorden zij niet tot het geslacht van die mannen, door wie Israël de vrijheid moest krijgen.
62Mas não pertenciam à família daqueles homens por cujas mãos foi dada libertação a Israel.
63Niettemin bleven Judas, de held, en zijn broers in het hoogste aanzien staan bij heel Israël en zelfs bij al de heidenen; en waar maar hun naam werd bekend,
63Judas e seus irmãos foram grandemente glorificados diante de todo Israel e de todos os gentios, em todos os lugares onde seu nome era ouvido.
64ging men naar hen toe en wenste hun geluk.
64As pessoas se reuniam ao redor deles, aclamando-os.
65Daarna rukte Judas uit met zijn broers, om tegen de zonen van Esau te strijden in het land, dat naar het zuiden ligt. Hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken, en stak op alle punten de torens in brand.
65Judas e seus irmãos saíram e lutaram contra os filhos de Esaú na terra ao sul. Ele atacou Hebrom e suas aldeias, derrubou suas fortalezas e queimou as torres ao redor.
66Vandaar rukte hij verder op voor een tocht tegen het land der Filistijnen, en trok door Maresja.
66Marchou para entrar na terra dos filisteus e atravessou Samaria.
67Op die dag vielen er verschillende priesters op het slagveld, omdat ook zij heldendaden wilden verrichten, en zich onbekookt in de strijd hadden gewaagd.
67Naquele dia, certos sacerdotes, desejando realizar grandes feitos, foram mortos em batalha quando saíram imprudentemente para lutar.
68Daarna boog Judas af naar Asjdod in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde hun afgodsbeelden, nam uit de steden de buit met zich mee, en keerde naar het land van Juda terug.
68Judas, porém, voltou-se para Azoto, na terra dos filisteus, derrubou seus altares, queimou as imagens esculpidas de seus deuses, tomou os despojos de suas cidades e voltou para a terra de Judá.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.