Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Toen de heidenen uit de omtrek hadden vernomen, dat het brandofferaltaar weer was opgebouwd en het heiligdom weer in zijn vroegere staat was hersteld, werden ze woedend;
1Καὶ ἐγένετο ὅτε ἤκουσαν τὰ ἔθνη κυκλόθεν ὅτι ᾠκοδομήθη τὸ θυσιαστήριον, καὶ ἐνεκαινίσθη τὸ ἁγίασμα ὡς τοπρότερον, καὶ ὠργίσθησαν σφόδρα.
2ze besloten, het geslacht van Jakob, dat in hun midden leefde, uit te roeien, en begonnen reeds het volk te moorden en te vernielen.
2Καὶ ἐβουλεύσαντο τοῦ ἆραι τὸ γένος Ἰακὼβ τοὺς ὄντας ἐν μέσῳ αὐτῶν, καὶ ἤρξαντο τοῦ θανατοῦν ἐν τῷ λαῷ καὶ ἐξαίρειν.
3Daarom trok Judas op tegen de zonen van Esau in Judea, die zich in Akrabatténe hadden gevestigd, en die het Israël in de omtrek lastig maakten. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, maakte ze weerloos en plunderde ze uit.
3Καὶ ἐπολέμει Ἰούδας πρὸς τοὺς υἱοὺς Ἡσαῦ ἐν τῇ Ἰδουμαίᾳ τὴν Ἀκραβαττίνην, ὅτι περιεκάθηντο τὸν Ἰσραὴλ, καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς πληγὴν μεγάλην, καὶ συνέστειλεν αὐτοὺς, καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῶν.
4Daarbij herinnerde hij zich de laagheid van de bewoners van Bajan, die het volk valstrikken en hinderlagen hadden gelegd en langs de wegen op hen hadden geloerd.
4Καὶ ἐμνήσθη τῆς κακίας υἱῶν Βαιὰν, οἳ ἦσαν τῷ λαῷ εἰς παγίδα καὶ εἰς σκάνδαλον ἐν τῷ ἐνεδρεύειν αὐτοὺς ἐν ταῖς ὁδοῖς.
5Hij sloot ze op in hun torens, belegerde hen, trof ze met de banvloek, en stak de torens met allen, die erin waren, in brand.
5Καὶ συνεκλείσθησαν ὑπʼ αὐτοῦ ἐν τοῖς πύργοις, καὶ παρενέβαλεν ἐπʼ αὐτοὺς, καὶ ἀνεθεμάτισεν αὐτοὺς, καὶ ἐνεπύρισε τοὺς πύργους αὐτῆς ἐν πυρὶ σὺν πᾶσι τοῖς ἐνοῦσι.
6Vandaar trok hij verder naar de zonen van Ammon, waar hij op een sterke weermacht stiet met veel soldaten, die onder bevel van Timóteus stonden.
6Καὶ διεπέρασεν ἐπὶ τοὺς υἱοὺς Ἀμμὼν, καὶ εὗρε χεῖρα κραταιὰν καὶ λαὸν πολὺν, καὶ Τιμόθεον ἡγούμενον αὐτῶν.
7In een reeks gevechten, die hij hun leverde, werden zij door hem in het nauw gedreven, en geheel verslagen.
7καὶ συνῆψε πρὸς αὐτοὺς πολέμους πολλοὺς, καὶ συνετρίβησαν πρὸ προσώπου αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτούς.
8En nadat hij ook Jazer had bedwongen met de onderhorige plaatsen, keerde hij naar Judea terug.
8Καὶ προκατελάβετο τὴν Ἰαζὴρ καὶ τὰς θυγατέρας αὐτῆς, καὶ ἀνέστρεψεν εἰς τὴν Ἰούδαίαν.
9Ook de heidenen van Gilad hadden tegen de Israëlieten, die hun gebied bewoonden, samengespannen, om hen uit te roeien. Dezen waren naar de vesting Dátema gevlucht,
9Καὶ ἐπισυνήχθησαν τὰ ἔθνη τὰ ἐν τῇ Γαλαὰδ ἐπὶ τὸν Ἰσραὴλ τοὺς ὄντας ἐπὶ τοῖς ὁρίοις αὐτῶν τοῦ ἐξᾶραι αὐτούς· καὶ ἔφυγον εἰς Δάθεμα τὸ ὀχύρωμα.
10en zonden nu brieven aan Judas en zijn broers met de volgende inhoud: De heidenen uit onze omgeving hebben tegen ons samengespannen, om ons uit te roeien.
10Καὶ ἀπέστειλαν γράμματα πρὸς Ἰούδαν καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ, λέγοντες, ἐπισυνηγμένα ἐστὶν ἐφʼ ἡμᾶς τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ ἡμῶν τοῦ ἐξᾶραι ἡμᾶς.
11Ze staan klaar, om een aanval te doen en de vesting te veroveren, waarin wij gevlucht zijn, en Timóteus heeft de leiding over hun troepen.
11Καὶ ἑτοιμάζονται ἐλθεῖν καὶ προκαταλαβέσθαι τὸ ὀχύρωμα εἰς ὃ κατεφύγομεν, καὶ Τιμόθεος ἡγεῖται τῆς δυνάμεως αὐτῶν.
12Kom ons dus uit hun handen redden! Reeds velen van ons zijn gesneuveld.
12Νῦν οὖν ἐλθὼν ἐξελοῦ ἡμᾶς ἐκ χειρὸς αὐτῶν, ὅτι πέπτωκεν ἐξ ἡμῶν πλῆθος.
13Al onze broeders, die de streek Toebi bewoonden, hebben ze vermoord, en hun vrouwen, kinderen en bezittingen meegenomen; ze hebben ongeveer duizend man omgebracht.
13Καὶ πάντες οἱ ἀδελφοὶ ἡμῶν οἱ ὄντες ἐν τοῖς Τωβίου τεθανάτωνται, καὶ ᾐχμαλωτίκασι τὰς γυναῖκας αὐτῶν καὶ τὰ τέκνα αὐτῶν καὶ τὴν ἀποσκευὴν, καὶ ἀπώλεσαν ἐκεῖ ὡς μίαν χιλιαρχίαν ἀνδρῶν.
14Nog was men bezig de brieven te lezen, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen, die hetzelfde berichtten:
14Ἔτι αἱ ἐπιστολαὶ ἀνεγινώσκοντο, καὶ ἰδοὺ ἄγγελοι ἕτεροι παρεγένοντο ἐκ τῆς Γαλιλαίας διεῤῥηχότες τὰ ἱμάτια, ἀπαγγέλλοντες κατὰ τὰ ῥήματα ταῦτα,
15Ptolemáis, Tyrus en Sidon, ja het gehele heidense Galilea heeft samengespannen, om ons uit de weg te ruimen.
15λέγοντες ἐπισυνῆχθαι ἐπʼ αὐτοὺς ἐκ Πτολεμαΐδος καὶ Τύρου καὶ Σιδῶνος καὶ πάσης Γαλιλαίας ἀλλοφύλων, τοῦ ἐξαναλῶσαι ἡμᾶς.
16Toen Judas en het volk deze berichten vernamen, belegden zij een grote vergadering, om te beraadslagen, wat zij konden doen voor hun broeders, die in nood verkeerden en door de heidenen werden bestookt.
16Ὡς δὲ ἤκουσεν Ἰούδας καὶ ὁ λαὸς τοὺς λόγους τούτους, ἐπισυνήχθη ἐκκλησία μεγάλη, βουλεύσασθαι τί ποιήσωσι τοῖς ἀδελφοῖς αὐτῶν τοῖς οὖσιν ἐν θλίψει, καὶ πολεμουμένοις ὑπʼ αὐτῶν.
17En Judas zeide tot zijn broer Sjimon: Kies mannen uit, en trek naar Galilea op, om uw broeders aldaar te bevrijden; ikzelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilad gaan.
17Καὶ εἶπεν Ἰούδας Σίμωνι τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ, ἐπίλεξον σεαυτῷ ἄνδρας, καὶ πορεύου καὶ ῥῦσαι τοὺς ἀδελφούς σου τοὺς ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ· ἐγὼ δὲ καὶ Ἰωνάθαν ὁ ἀδελφός μου πορευσόμεθα εἰς τὴν Γαλααδίτιν.
18Josef, den zoon van Zekarja, en Azarja liet hij als aanvoerders met de rest van het leger in Judea als dekking achter;
18Καὶ κατέλιπεν Ἰώσηφον τὸν τοῦ Ζαχαρίου, καὶ Ἀζαρίαν, ἡγουμένους τοῦ λαοῦ, μετὰ τῶν ἐπιλοίπων τῆς δυνάμεως, ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ εἰς τήρησιν.
19hij gaf hun echter bevel: Neemt de leiding over deze mannen; maar begint geen gevecht met de heidenen, voordat wij terug zijn.
19Καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς, λέγων, πρόστητε τοῦ λαοῦ τούτου, καὶ μὴ συνάψητε πόλεμον πρὸς τὰ ἔθνη ἕως τοῦ ἐπιστρέψαι ἡμᾶς.
20Sjimon kreeg drieduizend man, om tegen Galilea op te trekken, en Judas achtduizend man voor zijn tocht tegen Gilad.
20Καὶ ἐμερίσθησαν Σίμωνι ἄνδρες τρισχίλιοι τοῦ πορευθῆναι εἰς τὴν Γαλιλαίαν, Ἰούδᾳ δὲ ἄνδρες ὀκτακισχίλιοι εἰς τὴν Γαλααδίτιν.
21Nu rukte Sjimon naar Galilea op, en leverde een reeks veldslagen tegen de heidenen. Ze werden door hem verslagen, en hij zette ze na tot aan de poort van Ptolemáis.
21Καὶ ἐπορεύθη Σίμων εἰς τὴν Γαλιλαίαν, καὶ συνῆψε πολέμους πολλοὺς πρὸς τὰ ἔθνη, καὶ συνετρίβη τὰ ἔθνη ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ,
22Van de heidenen sneuvelden er ongeveer drieduizend man, wier krijgsuitrusting hij in beslag nam.
22καὶ ἐδίωξεν αὐτοὺς ἕως τῆς πύλης Πτολεμαΐδος· καὶ ἔπεσον ἐκ τῶν ἐθνῶν εἰς τρισχιλίους ἄνδρας, καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῶν.
23Daarna nam hij de Joden uit Galilea en Arbátta met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee, en bracht hen onder groot gejubel naar Judea.
23Καὶ παρέλαβε τοὺς ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ καὶ ἐν Ἀρβάττοις σὺν ταῖς γυναιξὶ καὶ τοῖς τέκνοις, καὶ πάντα ὅσα ἦν αὐτοῖς, καὶ ἤγαγεν εἰς τὴν Ἰουδαίαν μετʼ εὐφροσύνης μεγάλης.
24Intussen was Judas de Makkabeër met zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken, en drie dagmarsen ver de woestijn ingetrokken.
24Καὶ Ἰούδας ὁ Μακκαβαῖος καὶ Ἰωνάθαν ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ διέβησαν τὸν Ἰορδάνην, καὶ ἐπορεύθησαν ὁδὸν τριῶν ἡμερῶν ἐν τῷ ἐρήμῳ.
25Daar stieten ze op de Nabateërs die hen echter vriendelijk bejegenden, en hun uitvoerig vertelden, wat hun broeders in Gilad was overkomen:
25Καὶ συνήντησαν τοῖς Ναβαταίοις, καὶ ἀπήντησαν αὐτοῖς εἰρηνικῶς, καὶ διηγήσαντο αὐτοῖς ἅπαντα τὰ συμβάντα τοῖς ἀδελφοῖς αὐτῶν ἐν τῇ Γαλααδίτιδι.
26dat er namelijk velen van hen waren opgesloten in Bossora, Bossor, Alama, Kasfon, Maked en Karnáin, allemaal versterkte en grote steden;
26Καὶ ὅτι πολλοὶ ἐξ αὐτῶν συνειλημμένοι εἰσὶν εἰς Βόσσορα, καὶ Βοσὸρ, ἐν Ἀλέμοις, Χασφὼρ, Μακὲδ, καὶ Καρναΐν· πᾶσαι αἱ πόλεις αὗται ὀχυραὶ καὶ μεγάλαι·
27dat er ook in de overige steden van Gilad zaten ingesloten, en dat men bepaald had, de vestingen de volgende dag te belegeren en in te nemen, en alle Joden op één en dezelfde dag te vermoorden.
27καὶ ἐν ταῖς λοιπαῖς πόλεσι τῆς Γαλααδίτιδός εἰσι συνειλημμένοι, καὶ εἰς αὔριον τάσσονται παρεμβάλλειν ἐπὶ τὰ ὀχυρώματα, καὶ καταλαβέσθαι, καὶ ἐξᾶραι πάντας τούτους ἐν ἡμέρᾳ μιᾷ.
28Toen maakte Judas dadelijk met zijn leger rechtsomkeer, in de richting van de woestijn, waar Bossora lag. Hij veroverde de stad, joeg alle mannen over de kling, nam hun gehele buit in beslag, en stak de stad in brand.
28Καὶ ἀπέστρεψεν Ἰούδας καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ ὁδὸν εἰς τὴν ἔρημον εἰς Βοσὸρ, ἄφνω· καὶ κατελάβετο τὴν πόλιν, καὶ ἀπέκτεινε πᾶν ἀρσενικὸν ἐν στόματι ῥομφαίας, καὶ ἔλαβε πάντα τὰ σκῦλα αὐτῶν, καὶ ἐνέπρησεν αὐτὴν πυρί.
29Nog in dezelfde nacht brak hij op, en trok naar de vesting Dátema.
29Καὶ ἀπῇρεν ἐκεῖθεν νυκτὸς, καὶ ἐπορεύετο ἕως ἐπὶ τὸ ὀχύρωμα.
30Toen het morgen geworden was, en ze rond konden kijken, zie: daar was een ontelbare drom van soldaten, die ladders en oorlogswerktuigen aansleepten, om de vesting te belegeren en in hun macht te krijgen.
30Καὶ ἐγένετο ἑωθινὴ, καὶ ᾖραν τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτῶν, καὶ ἰδοὺ λαὸς πολὺς οὗ οὐκ ἦν ἀριθμὸς, αἴροντες κλίμακας καὶ μηχανὰς καταλαβέσθαι τὸ ὀχύρωμα, καὶ ἐπολέμουν αὐτούς.
31Judas begreep, dat de strijd was begonnen. En terwijl uit de stad het rumoer van trompetten en krijgsgeschreeuw de lucht vervulde,
31Καὶ εἶδεν Ἰούδας ὅτι ἦρκται ὁ πόλεμος, καὶ ἡ κραυγὴ τῆς πόλεως ἀνέβη εἰς τὸν οὐρανὸν σάλπιγξι καὶ φωνῇ μεγάλῃ.
32riep hij zijn soldaten toe: Het zijn uw broeders, voor wie gij vandaag hebt te strijden!
32Καὶ εἶπε τοῖς ἀνδράσι τῆς δυνάμεως, πολεμήσατε σήμερον ὑπὲρ τῶν ἀδελφῶν ὑμῶν.
33Toen viel hij hen in drie afdelingen van achteren aan, terwijl zij op de trompetten bliezen en hun gebeden lieten weergalmen.
33Καὶ ἐξῆλθεν ἐν τρισὶν ἀρχαῖς ἐξ ὄπισθεν αὐτῶν· καὶ ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι, καὶ ἐβόησαν ἐν προσευχῇ.
34Maar zodra het leger van Timóteus bemerkte, dat het de Makkabeër was, sloeg het voor hem op de vlucht. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, en die dag vielen er van hen ongeveer achtduizend man.
34Καὶ ἐπέγνω ἡ παρεμβολὴ Τιμοθέου ὅτι Μακκαβαῖός ἐστι, καὶ ἔφυγον ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς πληγὴν μεγάλην, καὶ ἔπεσον ἐξ αὐτῶν ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ εἰς ὀκτακισχιλίους ἄνδρας.
35Daarna boog hij af naar Alama, viel het aan, en veroverde het; hij doodde er alle mannen, nam de buit in beslag en stak de stad in brand.
35Καὶ ἀπέκλινεν εἰς Μασφὰ, καὶ ἐπολέμησεν αὐτὴν, καὶ προκατελάβετο αὐτὴν, καὶ ἀπέκτεινε πᾶν ἀρσενικὸν αὐτῆς, καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῆς, καὶ ἐνέπρησεν αὐτὴν πυρί.
36Vandaar trok hij verder, en veroverde Kasfon, Maked, Bossor en de overige steden van Gilad.
36Ἐκεῖθεν ἀπῇρε, καὶ προκατελάβετο τὴν Χασφὼν, Μακὲδ, Βοσὸρ, καὶ τὰς λοιπὰς πόλεις τῆς Γαλααδίτιδος.
37Enige tijd later bracht Timóteus een nieuw leger op de been, en stelde het op voor Rafon aan de overzijde van de beek.
37Μετὰ δὲ τὰ ῥήματα ταῦτα συνήγαγε Τιμόθεος παρεμβολὴν ἄλλην, καὶ παρενέβαλε κατὰ πρόσωπον Ῥαφὼν ἐκ πέραν τοῦ χειμάῤῥου.
38Judas had spionnen naar de legerplaats gezonden, en dezen deelden hem mee: Het is een ontzaglijk leger; alle heidenen hier uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten,
38Καὶ ἀπέστειλεν Ἰούδας κατασκοπεῦσαι τὴν παρεμβολήν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ, λέγοντες, ἐπισυνηγμένα εἰσὶ πρὸς αὐτοὺς πάντα τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ ἡμῶν, δύναμις πολλὴ σφόδρα.
39en zelfs Arabieren hebben zij als hulptroepen in dienst genomen. Hun kamp hebben ze opgeslagen aan de overkant van de beek, en ze staan klaar, om tegen u op te trekken. Judas ging dus op hen af.
39Καὶ Ἄραβας μεμίσθωται εἰς βοήθειαν αὐτοῖς, καὶ παρενέβαλον πέραν τοῦ χειμάῤῥου ἕτοιμοι τοῦ ἐλθεῖν ἐπὶ σὲ εἰς πόλεμον· καὶ ἐπορεύθη Ἰούδας εἰς συνάντησιν αὐτῶν.
40Toen Judas met zijn leger de beek naderde, sprak Timóteus tot zijn legeraanvoerders: Wanneer hij het eerst naar ons oversteekt, kunnen we hem geen weerstand bieden; want dan is hij ons de baas.
40Καὶ εἶπε Τιμόθεος τοῖς ἄρχουσι τῆς δυνάμεως αὐτοῦ, ἐν τῷ ἐγγίζειν Ἰούδαν καὶ τὴν παρεμβολὴν αὐτοῦ ἐπὶ τὸν χειμάῤῥουν τοῦ ὕδατος, ἐὰν διαβῇ πρὸς ἡμᾶς πρότερος, οὐ δυνησόμεθα ὑποστῆναι αὐτὸν, ὅτι δυνάμενος δυνήσεται πρὸς ἡμᾶς.
41Maar is hij bang, en blijft hij aan de overkant van de stroom, dan moeten wij naar hem oversteken, en zullen wij hem verslaan.
41Ἐὰν δὲ δειλωθῇ, καὶ παρεμβάλῃ πέραν τοῦ ποταμοῦ, διαπεράσομεν πρὸς αὐτὸν, καὶ δυνησόμεθα πρὸς αὐτόν.
42Toen Judas dus dicht bij de beek was gekomen, liet hij de leiders van het volk bij de rivier postvatten, en gaf hun bevel: Niemand mag hier blijven, maar allen moeten de strijd in.
42Ὡς δὲ ἤγγισεν Ἰούδας ἐπὶ τὸν χειμάῤῥουν τοῦ ὕδατος, ἔστησε τοὺς γραμματεῖς τοῦ λαοῦ ἐπὶ τοῦ χειμάῤῥου, καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς, λέγων, μὴ ἀφῆτε πάντα ἄνθρωπον παρεμβαλεῖν, ἀλλʼ ἐρχέσθωσαν πάντες εἰς τὸν πόλεμον.
43Zelf stak hij het eerst naar hen over, en al zijn soldaten kwamen achter hem aan. Heel het heidenleger bezweek voor hen; ze wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnáin.
43Καὶ διεπέρασεν ἐπʼ αὐτοὺς πρότερος, καὶ πᾶς ὁ λαὸς ὅπισθεν αὐτοῦ· καὶ συνετρίβησαν πρὸ προσώπου αὐτοῦ πάντα τὰ ἔθνη, καὶ ἔῤῥιψαν τὰ ὅπλα αὐτῶν, καὶ ἔφυγον εἰς τὸ τέμενος ἐν Καρναΐν.
44Maar de Joden veroverden de stad en staken de tempel, met allen die er in waren, in brand. Zo werd Karnáin diep vernederd, en kon zich niet langer tegen Judas verzetten.
44Καὶ προκατελάβοντο τὴν πόλιν, καὶ τὸ τέμενος ἐνεπύρισαν ἐν πυρὶ σὺν πᾶσι τοῖς ἐν αὐτῷ· καὶ ἐτροπώθη ἡ Καρναῒν, καὶ οὐκ ἐδύναντο ἔτι ὑποστῆναι κατὰ πρόσωπον Ἰούδα.
45Daarop bracht Judas alle Israëlieten uit Gilad bijeen, groot en klein, met vrouwen, kinderen, have en goed, om met die geweldige massa naar het land van Juda te gaan.
45Καὶ συνήγαγεν Ἰούδας πάντα Ἰσραὴλ τοὺς ἐν τῇ Γαλααδίτιδι ἀπὸ μικροῦ ἕως μεγάλου, καὶ τὰς γυναῖκας αὐτῶν, καὶ τὰ τέκνα αὐτῶν, καῖ τὴν ἀποσκευὴν, παρεμβολὴν μεγάλην σφόδρα, ἐλθεῖν εἰς γῆν Ἰούδα.
46Zo bereikten ze Efron. Dit was een grote en zeer sterke stad, aan een pas gelegen, waar men niet uitwijken kon naar links of naar rechts, doch waar men midden door moest trekken.
46Καὶ ἦλθον ἕως Ἐφρών· καὶ αὕτη ἡ πόλις μεγάλη ἐπὶ τῆς εἰσόδου ὀχυρὰ σφόδρα· οὐκ ἦν ἐκκλῖναι ἀπʼ αὐτῆς δεξιὰν ἢ ἀριστερὰν, ἀλλʼ ἢ διὰ μέσου αὐτῆς πορεύεσθαι.
47Maar de inwoners der stad sloten de poorten voor hen dicht, en hoopten er stenen tegen op.
47Καὶ ἀπέκλεισαν αὐτοὺς οἱ ἐκ τῆς πόλεως, καὶ ἐνέφραξαν τὰς πύλας λίθοις.
48Judas liet hun vriendelijk vragen: Geef ons verlof, door uw gebied te trekken, om in ons land te komen. Niemand zal u kwaad doen; wij willen er alleen maar doorheen. Maar zij weigerden, de poorten voor hen te openen.
48Καὶ ἀπέστειλε πρὸς αὐτοὺς Ἰούδας λόγοις εἰρηνικοῖς, λέγων, διελευσόμεθα διὰ τῆς γῆς σου τοῦ ἀπελθεῖν εἰς τὴν γῆν ἡμῶν, καὶ οὐδεὶς κακοποιήσει ὑμᾶς, πλὴν τοῖς ποσὶ παρελευσόμεθα· καὶ οὐκ ἠβούλοντο ἀνοῖξαι αὐτῷ.
49Toen liet Judas in zijn leger het bevel uitvaardigen, dat iedereen moest halt houden op de plaats, waar hij was.
49Καὶ ἐπέταξεν Ἰούδας κηρύξαι ἐν τῇ παρεμβολῇ, τοῦ παρεμβαλεῖν ἕκαστον ἐν ᾧ ἐστι τόπῳ.
50En zodra zijn manschappen halt hadden gehouden, deed hij een aanval op de stad, de hele dag en de hele nacht lang, totdat de stad zich aan hem overgaf.
50Καὶ παρενέβαλον οἱ ἄνδρες τῆς δυνάμεως, καὶ ἐπολέμησαν τὴν πόλιν ὅλην τὴν ἡμέραν ἐκείνην καὶ ὅλην τὴν νύκτα, καὶ παρεδόθη ἡ πόλις ἐν χερσὶν αὐτοῦ.
51De mannen joeg hij over de kling, en maakte de stad met de grond gelijk; hij legde beslag op de buit, en rukte over de lijken heen door de stad.
51Καὶ ἀπώλεσε πᾶν ἀρσενικὸν ἐν στόματι ῥομφαίας, καὶ ἐξεῤῥίζωσεν αὐτὴν, καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῆς, καὶ διῆλθε διὰ τῆς πόλεως ἐπάνω τῶν ἀπεκταμμένων.
52Daarna trokken ze over de Jordaan en bereikten de grote vlakte tegenover Bet-Sjan.
52Καὶ διέβησαν τὸν Ἰορδάνην εἰς τὸ πεδίον τὸ μέγα κατὰ πρόσωπον Βαιθσάν.
53Intussen bleef Judas er voor zorgen, dat zij die achteraan kwamen, bij konden blijven, en de gehele tocht sprak hij het volk moed in, totdat hij in het land van Juda kwam.
53Καὶ ἦν Ἰούδας ἐπισυνάγων τοὺς ἐσχατίζοντας, καὶ παρακαλῶν τὸν λαὸν κατὰ πᾶσαν τὴν ὁδὸν, ἕως οὗ ἦλθον εἰς γῆν Ἰούδα.
54Verrukt en opgetogen bestegen zij nu de Sionsberg, en droegen brandoffers op, omdat er niemand van hen onderweg was gevallen, maar allen behouden waren teruggekeerd.
54Καὶ ἀνέβησαν εἰς τὸ ὄρος Σιὼν ἐν εὐφροσύνῃ καὶ χαρᾷ· καὶ προσήγαγον ὁλοκαυτώματα, ὅτι οὐκ ἔπεσεν ἐξ αὐτῶν οὐθεὶς ἕως τοῦ ἐπιστρέψαι ἐν εἰρήνῃ.
55Terwijl Judas met Jonatan in Gilad vertoefde, en zijn broer Sjimon in Galilea voor Ptolemáis lag,
55Καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις αἷς ἦν Ἰούδας καὶ Ἰωνάθαν ἐν τῇ Γαλαὰδ, καὶ Σίμων ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ κατὰ πρόσωπον Πτολεμαΐδος,
56hoorden de legerbevelhebbers Josef, de zoon van Zekarja, en Azarja van hun heldendaden en gevechten gewagen.
56ἤκουσεν Ἰωσὴφ ὁ τοῦ Ζαχαρίου, καὶ Ἀζαρίας, ἄρχοντες τῆς δυνάμεως, τῶν ἀνδραγαθιῶν καὶ τοῦ πολέμου οἷα ἐποίησαν,
57En ze zeiden: Ook wij willen ons een naam veroveren, door ten strijde te trekken tegen de heidenen in onze omgeving.
57καὶ εἶπε, ποιήσωμεν καὶ αὐτοὶ ἑαυτοῖς ὄνομα, καὶ πορευθῶμεν πολεμῆσαι πρὸς τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ ἡμῶν.
58En zij gaven hun mannen bevel tot de opmars, en rukten tegen Jámnia uit.
58Καὶ παρήγγειλαν τοῖς ἀπὸ τῆς δυνάμεως τῆς μετʼ αὐτῶν, καὶ ἐπορεύθησαν ἐπὶ Ἰάμνειαν.
59Maar Górgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad, en bond de strijd met hen aan.
59Καὶ ἐξῆλθε Γοργίας ἐκ τῆς πόλεως, καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ, εἰς συνάντησιν αὐτοῖς εἰς πόλεμον.
60Josef en Azarja werden verslagen en achterna gezet tot aan de grenzen van Judea; die dag vielen er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man.
60Καὶ ἐτροπώθη Ἰώσηφος καὶ Ἀζαρίας, καὶ ἐδιώχθησαν ἕως τῶν ὁρίων τῆς Ἰουδαίας· καὶ ἔπεσον ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἐκ τοῦ λαοῦ τοῦ Ἰσραὴλ εἰς δισχιλίους ἄνδρας.
61Deze pijnlijke slag trof het volk, omdat zij niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd;
61Καὶ ἐγενήθη τροπὴ μεγάλη ἐν τῷ λαῷ Ἰσραὴλ, ὅτι οὐκ ἤκουσαν Ἰούδα καὶ τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ, οἰόμενοι ἀνδραγαθῆσαι.
62bovendien behoorden zij niet tot het geslacht van die mannen, door wie Israël de vrijheid moest krijgen.
62Αὐτοὶ δὲ οὐκ ἦσαν ἐκ τοῦ σπέρματος τῶν ἀνδρῶν ἐκείνων, οἷς ἐδόθη σωτηρία Ἰσραὴλ διὰ χειρὸς αὐτῶν.
63Niettemin bleven Judas, de held, en zijn broers in het hoogste aanzien staan bij heel Israël en zelfs bij al de heidenen; en waar maar hun naam werd bekend,
63Καὶ ὁ ἀνὴρ Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ ἐδοξάσθησαν σφόδρα ἑναντίον παντὸς Ἰσραὴλ, καὶ τῶν ἐθνῶν πάντων, οὗ ἠκούετο τὸ ὄνομα αὐτῶν.
64ging men naar hen toe en wenste hun geluk.
64Καὶ ἐπισυνήγοντο πρὸς αὐτοὺς εὐφημοῦντες.
65Daarna rukte Judas uit met zijn broers, om tegen de zonen van Esau te strijden in het land, dat naar het zuiden ligt. Hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken, en stak op alle punten de torens in brand.
65Καὶ ἐξῆλθεν Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ, καὶ ἐπολέμουν τοὺς υἱοὺς Ἡσαῦ ἐν τῇ γῇ πρὸς Νότον, καὶ ἐπάταξε τὴν Χεβρὼν καὶ τὰς θυγατέρας αὐτῆς, καὶ καθεῖλε τὸ ὀχύρωμα αὐτῆς, καὶ τοὺς πύργους αὐτῆς ἐνέπρησε κυκλόθεν.
66Vandaar rukte hij verder op voor een tocht tegen het land der Filistijnen, en trok door Maresja.
66Καὶ ἀπῇρε τοῦ πορευθῆναι εἰς γῆν ἀλλοφύλων, καὶ διεπορεύετο τὴν Σαμάρειαν.
67Op die dag vielen er verschillende priesters op het slagveld, omdat ook zij heldendaden wilden verrichten, en zich onbekookt in de strijd hadden gewaagd.
67Ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἔπεσον ἱερεῖς ἐν πολέμῳ βουλόμενοι ἀνδραγαθῆσαι, ἐν τῷ αὐτοὺς ἐξελθεῖν εἰς πόλεμον ἀβουλεύτως.
68Daarna boog Judas af naar Asjdod in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde hun afgodsbeelden, nam uit de steden de buit met zich mee, en keerde naar het land van Juda terug.
68Καὶ ἐξέκλινεν Ἰούδας εἰς Ἄζωτον γῆν ἀλλοφύλων, καὶ καθεῖλε τοὺς βωμοὺς αὐτῶν, καὶ τὰ γλυπτὰ τῶν θεῶν αὐτῶν κατέκαυσε πυρὶ, καὶ ἐσκύλευσε τὰ σκῦλα τῶν πόλεων, καὶ ἐπέστρεψεν εἰς τὴν γῆν Ἰούδα.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.