1 Makkabeeen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het jaar 160 begon Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, een veldtocht en veroverde Ptolemáis, waar hij als koning erkend werd en optrad.
1ΚΑΙ ἐν ἔτει ἑξηκοστῷ καὶ ἑκατοστῷ ἀνέβη Ἀλέξανδρος ὁ τοῦ Ἀντιόχου ὁ Ἐπιφανὴς καὶ κατελάβετο Πτολεμαΐδα, καὶ ἐπεδέξαντο αὐτόν, καὶ ἐβασίλευσεν ἐκεῖ.
2Toen koning Demétrius dit hoorde, riep hij een ontzaggelijk leger bijeen, en trok tegen hem op.
2καὶ ἤκουσε Δημήτριος ὁ βασιλεὺς καὶ συνήγαγε δυνάμεις πολλὰς σφόδρα καὶ ἐξῆλθεν εἰς συνάντησιν αὐτῷ εἰς πόλεμον.
3Daarom zond Demétrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem sprak van vrede en van zijn hoogachting.
3καὶ ἀπέστειλε Δημήτριος πρὸς Ἰωνάθαν ἐπιστολὰς λόγοις εἰρηνικοῖς ὥστε μεγαλῦναι αὐτόν.
4Want hij dacht bij zichzelf: Wij moeten zo snel mogelijk vrede met hem sluiten, eer hij tegen ons de partij van Alexander kiest.
4εἶπε γάρ· προφθάσωμεν τοῦ εἰρήνην θεῖναι μετ᾿ αὐτοῦ, πρὶν ἢ θεῖναι αὐτὸν μετὰ Ἀλεξάνδρου καθ᾿ ἡμῶν·
5Want hij zal zeker al het kwaad niet vergeten zijn, dat wij hem, zijn broeders en zijn volk hebben berokkend.
5μνησθήσεται γὰρ πάντων τῶν κακῶν, ὧν συνετελέσαμεν πρὸς αὐτὸν καὶ εἰς τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ καὶ εἰς τὸ ἔθνος αὐτοῦ.
6Hij machtigde hem dus, er een leger op na te houden, oorlogsmateriaal aan te schaffen en zijn bondgenoot te worden. Ook gaf hij bevel, hem de gijzelaars in de burcht uit te leveren.
6καὶ ἔδωκεν αὐτῷ ἐξουσίαν συναγαγεῖν δυνάμεις καὶ κατασκευάζειν ὅπλα καὶ εἶναι αὐτὸν σύμμαχον αὐτοῦ, καὶ τὰ ὅμηρα τὰ ἐν τῇ ἄκρᾳ εἶπε παραδοῦναι αὐτῷ.
7Daarop ging Jonatan naar Jerusalem, en las de brief voor ten aanhoren van heel het volk en van de burchtbezetting.
7καὶ ἦλθεν Ἰωνάθαν εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ ἀνέγνω τὰς ἐπιστολὰς εἰς τὰ ὦτα παντὸς τοῦ λαοῦ καὶ τῶν ἐκ τῆς ἄκρας.
8De burchtbezetting werd zeer bevreesd, toen zij hoorde, dat de koning aan Jonatan machtiging had gegeven, er een leger op na te houden;
8καὶ ἐφοβήθησαν φόβον μέγαν, ὅτι ἤκουσαν ὅτι ἔδωκεν ὁ βασιλεὺς ἐξουσίαν συναγαγεῖν δυνάμεις.
9toch leverde zij hem de gijzelaars uit, en deze gaf ze aan hun ouders terug.
9καὶ παρέδωκαν οἱ ἐκ τῆς ἄκρας Ἰωνάθαν τὰ ὅμηρα, καὶ ἀπέδωκεν αὐτοὺς τοῖς γονεῦσιν αὐτῶν.
10Nu vestigde Jonatan zich in Jerusalem, en begon de stad weer op te bouwen en te herstellen.
10καὶ ᾤκησεν Ἰωνάθαν ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἤρξατο οἰκοδομεῖν καὶ καινίζειν τὴν πόλιν.
11Hij beval de werklieden, de muren weer op te bouwen, en de Sionsberg aan alle kanten met gehouwen stenen te versterken. Zo geschiedde het ook.
11καὶ εἶπε πρὸς τοὺς ποιοῦντας τὰ ἔργα οἰκοδομεῖν τὰ τείχη καὶ τὸ ὄρος Σιὼν κυκλόθεν ἐκ λίθων τετραγώνων εἰς ὀχύρωσιν· καὶ ἐποίησαν οὕτως.
12Toen vluchtten de vreemdelingen weg, die zich nog in de vestingen bevonden, welke door Bakchides waren gebouwd;
12καὶ ἔφυγον οἱ ἀλλογενεῖς οἱ ὄντες ἐν τοῖς ὀχυρώμασιν, οἷς ᾠκοδόμησε Βακχίδης.
13iedereen verliet zijn woonplaats, en trok naar zijn eigen land terug.
13καὶ κατέλιπεν ἕκαστος τὸν τόπον αὐτοῦ καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ.
14Alleen in Bet-Soer bleven enigen achter, die van wet en gebod waren afgevallen, omdat ze daar een veilige schuilplaats hadden gevonden.
14πλὴν ἐν Βαιθσούρᾳ ὑπελείφθησάν τινες τῶν καταλιπόντων τὸν νόμον καὶ τὰ προστάγματα, ἦν γὰρ αὐτοῖς φυγαδευτήριον.
15Toen koning Alexander hoorde, welke beloften Demétrius aan Jonatan had gedaan, en toen men hem vertelde van de oorlogen en heldendaden, die deze en zijn broeders hadden verricht en van de moeilijkheden, die zij hadden doorstaan,
15Καὶ ἤκουσεν Ἀλέξανδρος ὁ βασιλεὺς τὰς ἐπαγγελίας, ὅσας ἀπέστειλε Δημήτριος τῷ Ἰωνάθαν, καὶ διηγήσαντο αὐτῷ τοὺς πολέμους καὶ τὰς ἀνδραγαθίας, ἃς ἐποίησεν αὐτὸς καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ, καὶ τοὺς κόπους, οὓς ἔσχον,
16zeide hij bij zichzelf: Zou er wel iemand te vinden zijn, zoals hij? Wij moeten hem tot onzen vriend en bondgenoot zien te maken.
16καὶ εἶπε· μὴ εὑρήσομεν ἄνδρα τοιοῦτον ἕνα; καὶ νῦν ποιήσομεν αὐτὸν φίλον καὶ σύμμαχον ἡμῶν.
17Hij schreef derhalve een brief en zond hem die toe. De inhoud luidde als volgt:
17καὶ ἔγραψεν ἐπιστολὰς καὶ ἀπέστειλεν αὐτῷ κατὰ τοὺς λόγους τούτους λέγων·
18Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan: heil!
18‘Βασιλεὺς Ἀλέξανδρος τῷ ἀδελφῷ Ἰωνάθαν χαίρειν·
19Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig en invloedrijk man, en onze vriendschap waardig zijt.
19ἀκηκόαμεν περὶ σοῦ, ὅτι ἀνὴρ δυνατὸς ἰσχύϊ καὶ ἐπιτήδειος εἶ τοῦ εἶναι ἡμῖν φίλος.
20Daarom stellen wij u bij deze aan tot hogepriester van uw volk, en bepalen, dat uw titel zal zijn: ”Vriend des konings”. (Ook zond hij hem een purperen kleed en een gouden kroon). Kies dus onze partij, en houd vast aan onze vriendschap,
20καὶ νῦν καθεστάκαμέν σε σήμερον ἀρχιερέα τοῦ ἔθνους σου καὶ φίλον βασιλέως καλεῖσθαί σε (καὶ ἀπέστειλεν αὐτῷ πορφύραν καὶ στέφανον χρυσοῦν) καὶ φρονεῖν τὰ ἡμῶν καὶ συντηρεῖν φιλίαν πρὸς ἡμᾶς’.
21Daarom bekleedde Jonatan op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar 160 zich met het heilig gewaad. Ook bracht hij een leger op de been, en schafte veel oorlogsmateriaal aan.
21καὶ ἐνεδύσατο Ἰωνάθαν τὴν ἁγίαν στολὴν τῷ ἑβδόμῳ μηνὶ ἔτους ἑξηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ ἐν ἑορτῇ σκηνοπηγίας καὶ συνήγαγε δυνάμεις καὶ κατεσκεύασεν ὅπλα πολλά.
22Toen Demétrius dit alles vernam, zeide hij in diepe verslagenheid:
22Καὶ ἤκουσε Δημήτριος τοὺς λόγους τούτους καὶ ἐλυπήθη καὶ εἶπε·
23Hoe konden wij het zo ver laten komen, dat Alexander ons te vlug is geweest, en de vriendschap en de steun der Joden heeft verworven?
23τί τοῦτο ἐποιήσαμεν ὅτι προέφθακεν ἡμᾶς ὁ Ἀλέξανδρος τοῦ φιλίαν καταθέσθαι τοῖς Ἰουδαίοις εἰς στήριγμα;
24Ook ik zal een afdoend schrijven tot hem richten met toezegging van waardigheden en geschenken, om mij van hun hulp te verzekeren.
24γράψω αὐτοῖς κἀγὼ λόγους παρακλήσεως καὶ ὕψους καὶ δογμάτων, ὅπως ὦσι σὺν ἐμοὶ εἰς βοήθειαν.
25Hij zond hun dus een brief van de volgende inhoud: Koning Demétrius aan het volk der Joden: heil!
25καὶ ἀπέστειλεν αὐτοῖς κατὰ τοὺς λόγους τούτους· ‘Βασιλεὺς Δημήτριος τῷ ἔθνει τῶν Ἰουδαίων χαίρειν.
26Wij hebben met vreugde vernomen, dat gij de met ons gesloten verdragen zijt nagekomen, aan onze vriendschap hebt vastgehouden, en niet naar onze vijanden zijt overgelopen.
26ἐπεὶ συνετηρήσατε τὰς πρὸς ἡμᾶς συνθήκας καὶ ἐνεμείνατε τῇ φιλίᾳ ἡμῶν καὶ οὐ προσεχωρήσατε τοῖς ἐχθροῖς ἡμῶν, ἠκούσαμεν καὶ ἐχάρημεν.
27Wanneer gij dus ook in de toekomst in die trouw jegens ons blijft volharden, zullen wij u het goede vergelden, dat gij ons bewijst,
27καὶ νῦν ἐμμείνατε ἔτι τοῦ συντηρῆσαι πρὸς ἡμᾶς πίστιν, καὶ ἀνταποδώσομεν ὑμῖν ἀγαθὰ ἀνθ᾿ ὧν ποιεῖτε μεθ᾿ ἡμῶν.
28door u vrij te stellen van vele lasten en u geschenken te geven.
28καὶ ἀφήσομεν ὑμῖν ἀφέματα πολλὰ καὶ δώσομεν ὑμῖν δόματα.
29Hiermede onthef ik u, en stel ik alle Joden vrij van belasting, van accijns op zout en van de kroongelden.
29καὶ νῦν ἀπολύω ὑμᾶς καὶ ἀφίημι πάντας τοὺς Ἰουδαίους ἀπὸ τῶν φόρων καὶ τῆς τιμῆς τοῦ ἁλὸς καὶ ἀπὸ τῶν στεφάνων,
30Evenzo doe ik van nu af voor altijd afstand van het derde deel van de veldoogst en van de helft der boomvruchten, waarop ik rechtens beslag kan leggen; ik zal ze van nu af nimmer meer heffen van Juda en van de drie gewesten van Samaria, die daarbij zijn ingelijfd.
30καὶ ἀντὶ τοῦ τρίτου τῆς σπορᾶς καὶ ἀντὶ τοῦ ἡμίσους τοῦ καρποῦ τοῦ ξυλίνου τοῦ ἐπιβάλλοντός μοι λαβεῖν, ἀφίημι ἀπὸ τῆς σήμερον καὶ ἐπέκεινα τοῦ λαβεῖν ἀπὸ τῆς γῆς Ἰούδα καὶ ἀπὸ τῶν τριῶν νομῶν τῶν προστιθεμένων αὐτῇ ἀπὸ τῆς Σαμαρείτιδος καὶ Γαλιλαίας, καὶ ἀπὸ τῆς σήμερον ἡμέρας καὶ εἰς τὸν αἰῶνα χρόνον.
31Jerusalem zelf met zijn gebied zal heilig zijn, en vrij van tienden en tollen.
31καὶ Ἱερουσαλὴμ ἤτω ἁγία καὶ ἀφειμένη καὶ τὰ ὅρια αὐτῆς, αἱ δεκάται καὶ τὰ τέλη.
32Ook doe ik afstand van de macht over de burcht in Jerusalem, en geef hem over aan den hogepriester, die hem met manschappen naar eigen keuze kan bezetten, om hem te bewaken.
32ἀφίημι καὶ τὴν ἐξουσίαν τῆς ἄκρας τῆς ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ δίδωμι τῷ ἀρχιερεῖ, ὅπως ἂν καταστήσῃ ἐν αὐτῇ ἄνδρας, οὓς ἂν ἐκλέξηται αὐτὸς τοῦ φυλάσσειν αὐτήν.
33Aan alle Joden, die uit het land Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn verbannen, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid; en onderweg moeten allen hen vrijstellen van tolgeld, ook van dat voor het vee.
33καὶ πᾶσαν ψυχὴν Ἰουδαίων τὴν αἰχμαλωτισθεῖσαν ἀπὸ γῆς Ἰούδα εἰς πᾶσαν βασιλείαν μου ἀφίημι ἐλευθέραν δωρεάν· καὶ πάντες ἀφιέτωσαν τοὺς φόρους καὶ τῶν κτηνῶν αὐτῶν.
34Verder zullen voor alle Joden in mijn rijk alle feesten: iedere sabbat en nieuwe maan, alle vastgestelde feestdagen, met de drie dagen, die aan zulk een feest voorafgaan en er op volgen, tolvrij zijn en onbelast;
34καὶ πᾶσαι αἱ ἑορταὶ καὶ τὰ σάββατα καὶ νουμηνίαι καὶ ἡμέραι ἀποδεδειγμέναι καὶ τρεῖς ἡμέραι πρὸ ἑορτῆς καὶ τρεῖς ἡμέραι μετὰ ἑορτὴν ἔστωσαν πᾶσαι αἱ ἡμέραι ἀτελείας καὶ ἀφέσεως πᾶσι τοῖς Ἰουδαίοις τοῖς οὖσιν ἐν τῇ βασιλείᾳ μου.
35en niemand zal dan het recht hebben, een van hen aan te houden of lastig te vallen om welke zaak ook.
35καὶ οὐχ ἕξει ἐξουσίαν οὐδεὶς πράσσειν καὶ παρενοχλεῖν τινα αὐτῶν περὶ παντὸς πράγματος.
36Van hun kant zullen van de Joden ongeveer dertigduizend man in het leger van den koning worden ingelijfd. Maar aan hen zal dezelfde soldij worden uitgekeerd, als waarop alle koninklijke troepen recht hebben.
36καὶ προγραφήτωσαν τῶν Ἰουδαίων εἰς τὰς δυνάμεις τοῦ βασιλέως εἰς τριάκοντα χιλιάδας ἀνδρῶν, καὶ δοθήσεται αὐτοῖς ξένια ὡς καθήκει πάσαις ταῖς δυνάμεσι τοῦ βασιλέως.
37Een gedeelte van hen zal in de grote vestingen van den koning worden ondergebracht, en anderen weer zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen. Hun eigen mannen zullen hun aanvoerders en bevelhebbers zijn, en zij zullen mogen leven volgens hun wet, zoals de koning reeds voor het land Juda heeft vastgesteld.
37καὶ κατασταθήσεται ἐξ αὐτῶν ἐν τοῖς ὀχυρώμασι τοῦ βασιλέως τοῖς μεγάλοις, καὶ ἐκ τούτων κατασταθήσεται ἐπὶ χρειῶν τῆς βασιλείας τῶν οὐσῶν εἰς πίστιν· καὶ οἱ ἐπ᾿ αὐτῶν καὶ οἱ ἄρχοντες ἔστωσαν ἐξ αὐτῶν καὶ πορευέσθωσαν τοῖς νόμοις αὐτῶν. καθὰ καὶ προσέταξεν ὁ βασιλεὺς ἐν γῇ Ἰούδα.
38De drie gewesten van Samaria, die bij Judea zijn getrokken, zullen als gebied van Judea worden beschouwd, zodat zij onder één leiding staan en geen ander gezag hebben te erkennen dan dat van den hogepriester.
38καὶ τοὺς τρεῖς νομοὺς τοὺς προστεθέντας τῇ Ἰουδαίᾳ ἀπὸ τῆς χώρας Σαμαρείας προστεθήτω τῇ Ἰουδαίᾳ πρὸς τὸ λογισθῆναι τοῦ γενέσθαι ὑφ᾿ ἕνα, τοῦ μὴ ὑπακοῦσαι ἄλλης ἐξουσίας ἀλλ᾿ ἢ τοῦ ἀρχιερέως.
39Ptolemáis met zijn gebied sta ik af als een geschenk voor de tempel te Jerusalem, om de onkosten van het heiligdom te bestrijden.
39Πτολεμαΐδα καὶ τὴν προσκυροῦσαν αὐτῇ δέδωκα δόμα τοῖς ἁγίοις τοῖς ἐν Ἱερουσαλὴμ εἰς τὴν προσήκουσαν δαπάνην τοῖς ἁγίοις.
40Bovendien zal ik jaarlijks uit de koninklijke schatkist vijftienduizend zilveren sikkels beschikbaar stellen, die verhaald moeten worden op die plaatsen, waar dit gevoegelijk gaat.
40κἀγὼ δίδωμι κατ᾿ ἐνιαυτὸν δεκαπέντε χιλιάδας σίκλων ἀργυρίου ἀπὸ τῶν λόγων τοῦ βασιλέως ἀπὸ τῶν τόπων τῶν ἀνηκόντων.
41Al het achterstallige geld, ook dat van de vorige jaren, dat de ambtenaren nog niet hebben afgedragen, moet van nu af aan worden afgegeven voor het onderhoud van de tempel.
41καὶ πᾶν τὸ πλεονάζον, ὃ οὐκ ἀπεδίδοσαν οἱ ἀπὸ τῶν χρειῶν, ὡς ἐν τοῖς πρώτοις ἔτεσιν, ἀπὸ τοῦ νῦν δώσουσιν εἰς τὰ ἔργα τοῦ οἴκου.
42Verder zullen de vijfduizend zilveren sikkels, die zij jaarlijks hieven op de tempelinkomsten, worden vrijgegeven, en ten goede komen aan de dienstdoende priesters.
42καὶ ἐπὶ τούτοις πεντακισχιλίους σίκλους ἀργυρίου, οὓς ἐλάμβανον ἀπὸ τῶν χρειῶν τοῦ ἁγίου ἀπὸ τοῦ λόγου κατ᾿ ἐνιαυτόν, καὶ ταῦτα ἀφίεται διὰ τὸ ἀνήκειν αὐτὰ τοῖς ἱερεῦσι τοῖς λειτουργοῦσι.
43Daarenboven zal iedereen, die zich aan de koninklijke rechten of waaraan ook heeft vergrepen, en gevlucht is naar de tempel van Jerusalem of ergens binnen het tempelgebied, onschendbaar zijn met al zijn have en goed, dat zich in mijn gebied bevindt.
43καὶ ὅσοι ἐὰν φύγωσιν εἰς τὸ ἱερὸν τὸ ἐν Ἱεροσολύμοις καὶ ἐν πᾶσι τοῖς ὁρίοις αὐτοῦ ὀφείλοντες βασιλικὰ καὶ πᾶν πρᾶγμα, ἀπολελύσθωσαν καὶ πάντα, ὅσα ἐστὶν αὐτοῖς ἐν τῇ βασιλείᾳ μου.
44Ook zullen de kosten van het verbouwen en herstellen van de tempel uit de koninklijke schatkist worden bestreden.
44καὶ τοῦ οἰκοδομηθῆναι καὶ τοῦ ἐπικαινισθῆναι τὰ ἔργα τῶν ἁγίων, καὶ ἡ δαπάνη δοθήσεται ἐκ τοῦ λόγου τοῦ βασιλέως.
45Evenzo zullen de kosten voor het optrekken en versterken van de muren rondom Jerusalem en voor de bouw van de muren in Judea door de koninklijke inkomsten worden gedekt.
45καὶ τοῦ οἰκοδομηθῆναι τὰ τείχη Ἱερουσαλὴμ καὶ ὀχυρῶσαι κυκλόθεν, καὶ ἡ δαπάνη δοθήσεται ἐκ τοῦ λόγου τοῦ βασιλέως, καὶ τοῦ οἰκοδομηθῆναι τὰ τείχη τὰ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ’.
46Maar toen Jonatan en het volk deze voorstellen hoorden, vertrouwden zij ze niet; zij gingen er dus niet op in, omdat zij zich al te goed herinnerden, hoe groot onheil hij over Israël gebracht had, en hoezeer hij hen had verdrukt.
46Ὡς δὲ ἤκουσεν Ἰωνάθαν καὶ ὁ λαὸς τοὺς λόγους τούτους, οὐκ ἐπίστευσαν αὐτοῖς οὐδὲ ἐπεδέξαντο, ὅτι ἐπεμνήσθησαν τῆς κακίας τῆς μεγάλης, ἧς ἐποίησεν ἐν Ἰσραὴλ καὶ ἔθλιψεν αὐτοὺς σφόδρα.
47Zij bleven het dus met Alexander houden, omdat hij hun het eerst vriendschap had aangeboden, en waren in het vervolg zijn bondgenoten.
47καὶ εὐδόκησαν ἐν Ἀλεξάνδρῳ, ὅτι αὐτὸς ἐγένετο αὐτοῖς ἀρχηγὸς λόγων εἰρηνικῶν, καὶ συνεμάχουν αὐτῷ πάσας τὰς ἡμέρας.
48Nu bracht koning Alexander een groot leger op de been, en stelde zich tegen Demétrius op.
48Καὶ συνήγαγεν Ἀλέξανδρος ὁ βασιλεὺς δυνάμεις μεγάλας καὶ παρενέβαλεν ἐξεναντίας Δημητρίου.
49Beide koningen raakten slaags met elkander; het leger van Demétrius sloeg op de vlucht en Alexander achtervolgde hem.
49καὶ συνῆψαν πόλεμον οἱ δύο βασιλεῖς, καὶ ἔφυγεν ἡ παρεμβολὴ Δημητρίου, καὶ ἐδίωξεν αὐτὸν ὁ Ἀλέξανδρος καὶ ἴσχυσεν ἐπ᾿ αὐτούς.
50Ofschoon hij hem reeds had overwonnen, zette hij toch de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang, met het gevolg dat Demétrius nog diezelfde dag sneuvelde.
50καὶ ἐστερέωσε τὸν πόλεμον σφόδρα, ἕως ἔδυ ὁ ἥλιος, καὶ ἔπεσεν ὁ Δημήτριος ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ.
51Daarop zond Alexander een gezantschap naar Ptoleméus, den koning van Egypte, met de volgende boodschap:
51καὶ ἀπέστειλεν Ἀλέξανδρος πρὸς Πτολεμαῖον βασιλέα Αἰγύπτου πρέσβεις κατὰ τοὺς λόγους τούτους λέγων·
52Nu ik weer in mijn rijk ben teruggekeerd, heb ik de troon van mijn vaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Demétrius heb ik overwonnen en ons land in bezit gekregen.
52‘ Ἐπεὶ ἀνέστρεψα εἰς γῆν βασιλείας μου καὶ ἐκάθισα ἐπὶ θρόνου πατέρων μου καὶ ἐκράτησα τῆς ἀρχῆς, καὶ συνέτριψα τὸν Δημήτριον καὶ ἐπεκράτησα τῆς χώρας ἡμῶν
53Want wij zijn met hem slaags geraakt, hebben zijn leger verpletterd, en bezit genomen van zijn koningstroon.
53καὶ συνῆψα πρὸς αὐτὸν μάχην, καὶ συνετρίβη αὐτὸς καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ ὑφ᾿ ἡμῶν, καὶ ἐκαθίσαμεν ἐπὶ θρόνου βασιλείας αὐτοῦ·
54Laat ons dus vriendschap met elkander sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw, zodat ik uw schoonzoon word; ik zal u en haar geschenken aanbieden, die u waardig zijn.
54καὶ νῦν στήσωμεν πρὸς ἑαυτοὺς φιλίαν, καὶ νῦν δός μοι τὴν θυγατέρα σου εἰς γυναῖκα, καὶ ἐπιγαμβρεύσω σοι καὶ δώσω σοι δόματα καὶ αὐτῇ ἄξιά σου’.
55Hierop antwoordde koning Ptoleméus als volgt: Gelukkig de dag, waarop gij in het land uwer vaderen zijt teruggekeerd en bezit hebt genomen van hun koningstroon.
55Καὶ ἀπεκρίθη Πτολεμαῖος ὁ βασιλεὺς λέγων· ‘ Ἀγαθὴ ἡμέρα, ἐν ᾗ ἀνέστρεψας εἰς γῆν πατέρων σου καὶ ἐκάθισας ἐπὶ θρόνου βασιλείας αὐτῶν.
56Ik sta u toe, waarover gij hebt geschreven. Kom mij echter in Ptolemáis tegemoet; dan kunnen wij elkander leren kennen en ik zal u tot mijn schoonzoon maken, zoals ge gevraagd hebt.
56καὶ νῦν ποιήσω σοι ἃ ἔγραψας, ἀλλ᾿ ἀπάντησον εἰς Πτολεμαΐδα, ὅπως ἴδωμεν ἀλλήλους, καὶ ἐπιγαμβρεύσω σοι, καθὼς εἴρηκας’.
57Vergezeld van zijn dochter Kleópatra verliet dus Ptoleméus Egypte, en kwam in het jaar 162 te Ptolemáis aan,
57Καὶ ἐξῆλθε Πτολεμαῖος ἐξ Αἰγύπτου, αὐτὸς καὶ Κλεοπάτρα ἡ θυγάτηρ αὐτοῦ, καὶ εἰσῆλθον εἰς Πτολεμαΐδα ἔτους δευτέρου καὶ ἑξηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ.
58waar koning Alexander hem tegemoet was gereisd. Hij gaf hem zijn dochter Kleópatra tot vrouw, en vierde daar in Ptolemáis haar huwelijksfeest op koninklijke wijze met pracht en praal.
58καὶ ἀπήντησεν αὐτῷ Ἀλέξανδρος ὁ βασιλεύς, καὶ ἐξέδοτο αὐτῷ Κλεοπάτραν τὴν θυγατέρα αὐτοῦ καὶ ἐποίησε τὸν γάμον αὐτῆς ἐν Πτολεμαΐδι καθὼς οἱ βασιλεὶς ἐν δόξῃ μεγάλῃ.
59Intussen had koning Alexander aan Jonatan een brief geschreven, om hem uit te nodigen bij hem te komen.
59καὶ ἔγραψεν Ἀλέξανδρος ὁ βασιλεὺς τῷ Ἰωνάθαν ἐλθεῖν εἰς συνάντησιν αὐτῷ.
60Rijk uitgedost vertrok deze dus naar Ptolemáis, en trof er de beide koningen aan. Hij bood hun en hun vertrouwelingen goud en zilver en allerlei andere geschenken aan, en wist daardoor hun gunst te winnen.
60καὶ ἐπορεύθη μετὰ δόξης εἰς Πτολεμαΐδα καὶ ἀπήντησε τοῖς δυσὶ βασιλεῦσι· καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς ἀργύριον καὶ χρυσίον καὶ τοῖς φίλοις αὐτῶν καὶ δόματα πολλὰ καὶ εὗρε χάριν ἐναντίον αὐτῶν.
61Bij die gelegenheid staken kwaadwillige en afvallige Israëlieten de hoofden bijeen, en klaagden hem aan. Maar de koning sloeg er geen acht op.
61καὶ ἐπισυνήχθησαν πρὸς αὐτὸν ἄνδρες λοιμοὶ ἐξ Ἰσραήλ, ἄνδρες παράνομοι, ἐντυχεῖν κατ᾿ αὐτοῦ, καὶ οὐ προσέσχεν αὐτοῖς ὁ βασιλεύς.
62Integendeel, de koning gaf bevel, dat men Jonatan zijn gewaad zou doen afleggen en hem in purper zou kleden; en zo geschiedde.
62καὶ προσέταξεν ὁ βασιλεὺς καὶ ἐξέδυσαν Ἰωνάθαν τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καὶ ἐνέδυσαν αὐτὸν πορφύραν, καὶ ἐποίησαν οὕτως.
63Daarop liet de koning hem naast zich plaats nemen, en beval zijn bevelhebbers: Gaat met hem midden door de stad, en maakt bekend, dat niemand het wage, hem van iets te beschuldigen, of hem om iets lastig te vallen.
63καὶ ἐκάθισεν αὐτὸν ὁ βασιλεὺς μετ᾿ αὐτοῦ καὶ εἶπε τοῖς ἄρχουσιν αὐτοῦ· ἐξέλθετε μετ᾿ αὐτοῦ εἰς μέσον τῆς πόλεως καὶ κηρύξατε τοῦ μηδένα ἐντυγχάνειν κατ᾿ αὐτοῦ περὶ μηδενὸς πράγματος, καὶ μηδεὶς αὐτῷ παρενοχλείτω περὶ παντὸς λόγου.
64Toen dus de aanklagers bemerkten, hoe hij openlijk gehuldigd werd en hem in purper zagen gekleed, namen zij allen de vlucht.
64καὶ ἐγένετο ὡς εἶδον οἱ ἐντυγχάνοντες τὴν δόξαν αὐτοῦ, καθὼς ἐκήρυξε, καὶ περιβεβλημένον αὐτὸν πορφύραν, καὶ ἔφυγον πάντες.
65De koning bewees hem hoge eer, nam hem op onder zijn eerste vrienden, en stelde hem aan tot veldheer en stadhouder.
65καὶ ἐδόξασεν αὐτὸν ὁ βασιλεὺς καὶ ἔγραψεν αὐτὸν τῶν πρώτων φίλων καὶ ἔθετο αὐτὸν στρατηγὸν καὶ μεριδάρχην.
66Zo keerde Jonatan behouden en geheel voldaan naar Jerusalem terug.
66καὶ ἐπέστρεψεν Ἰωνάθαν εἰς Ἱερουσαλὴμ μετ᾿ εἰρήνης καὶ εὐφροσύνης.
67In het jaar 165 ging Demétrius, de zoon van Demétrius, van Kreta naar het land zijner vaderen.
67Καὶ ἐν ἔτει πέμπτῳ καὶ ἑξηκοστῷ καὶ ἑκατοστῷ ἦλθε Δημήτριος υἱὸς Δημητρίου ἐκ Κρήτης εἰς τὴν γῆν τῶν πατέρων αὐτοῦ.
68Toen koning Alexander dit vernam, keerde hij vol bekommering naar Antiochië terug.
68καὶ ἤκουσεν Ἀλέξανδρος βασιλεὺς καὶ ἐλυπήθη σφόδρα καὶ ὑπέστρεψεν εἰς Ἀντιόχειαν.
69Demétrius stelde Apollónius Táos tot stadhouder van Celesyrië aan. Deze bracht een groot leger op de been, en sloeg zijn kamp bij Jámnia op. En hij liet Jonatan, den hogepriester, weten:
69καὶ κατέστησε Δημήτριος Ἀπολλώνιον τὸν ὄντα ἐπὶ Κοίλης Συρίας, καὶ συνήγαγε δύναμιν μεγάλην καὶ παρενέβαλεν ἐν Ἰαμνείᾳ. καὶ ἀπέστειλε πρὸς Ἰωνάθαν τὸν ἀρχιερέα λέγων·
70Gij zijt de enige, die zich tegen ons verzet; door uw toedoen word ik uitgelachen en bespot. Waarom durft gij u tegen ons in de bergen verzetten?
70‘Σὺ μονώτατος ἐπαίρῃ ἐφ᾿ ἡμᾶς, ἐγὼ δὲ ἐγενήθην εἰς καταγέλωτα καὶ εἰς ὀνειδισμὸν διὰ σέ· καὶ διατί σὺ ἐξουσιάζῃ ἐφ᾿ ἡμᾶς ἐν τοῖς ὄρεσι;
71Wanneer gij werkelijk op uw troepen vertrouwt, kom dan omlaag, bij ons in de vlakte; dan kunnen wij ons met elkander meten. Aan mijn kant staat de legermacht der steden.
71νῦν οὖν εἰ πέποιθας ἐπὶ ταῖς δυνάμεσί σου, κατάβηθι πρὸς ἡμᾶς εἰς τὸ πεδίον, καὶ συγκριθῶμεν ἑαυτοῖς ἐκεῖ, ὅτι μετ᾿ ἐμοῦ ἐστι δύναμις τῶν πόλεων.
72Vraag maar na, dan zult ge wel horen, wie ik ben, en wie onze hulptroepen zijn. Men zal u zeggen, dat gij onmogelijk tegen ons stand kunt houden. Want uw vaderen werden tot twee maal toe door ons in hun eigen land verslagen:
72ἐρώτησον καὶ μάθε τίς εἰμι καὶ οἱ λοιποὶ οἱ βοηθοῦντες ἡμῖν, καὶ λέγουσιν· οὐκ ἔστιν ὑμῖν στάσις ποδὸς κατὰ πρόσωπον ἡμῶν, ὅτι δὶς ἐτροπώθησαν οἱ πατέρες σου ἐν γῇ αὐτῶν.
73dus gij zult thans nog veel minder bestand zijn tegen zo'n geweldige ruiterij en troepenmacht, en zeker niet in de vlakte, waar steen noch kiezel, noch schuilplaats is.
73καὶ νῦν οὐ δυνήσῃ ὑποστῇναι τὴν ἵππον καὶ δύναμιν τοιαύτην ἐν τῷ πεδίῳ, ὅπου οὐκ ἔστι λίθος οὐδὲ κόχλαξ οὐδὲ τόπος τοῦ φυγεῖν’.
74Toen Jonatan deze grootspraak van Apollónius vernam, voelde hij zich diep gegriefd. Hij koos tienduizend soldaten uit en verliet Jerusalem; en zijn broer Sjimon sloot zich bij hem aan, om hem te helpen.
74Ὡς δὲ ἤκουσεν Ἰωνάθαν τῶν λόγων Ἀπολλωνίου, ἐκινήθη τῇ διανοίᾳ καὶ ἐπέλεξε δέκα χιλιάδας ἀνδρῶν καὶ ἐξῆλθεν ἐξ Ἱερουσαλήμ, καὶ συνήντησεν αὐτῷ Σίμων ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ ἐπὶ βοήθειαν αὐτοῦ.
75Zij sloegen hun kamp op voor Jóppe; maar de inwoners hielden de stad gesloten, omdat er in Jóppe een bezetting van Apollónius lag. Toen zij echter de stad bestormden,
75καὶ παρενέβαλεν ἐπὶ Ἰόππην, καὶ ἀπέκλεισαν αὐτὸν ἐκ τῆς πόλεως, ὅτι φρουρὰ Ἀπολλωνίου ἐν Ἰόππῃ, καὶ ἐπολέμησαν αὐτήν.
76deden de bang geworden inwoners hun open, en zo werd Jonatan heer en meester in Jóppe.
76καὶ φοβηθέντες ἤνοιξαν οἱ ἐκ τῆς πόλεως, καὶ ἐκυρίευσεν Ἰωνάθαν Ἰόππης.
77Zodra Apollónius dit hoorde, rukte hij met drieduizend ruiters en een grote legermacht uit, en trok in de richting van Asjdod, alsof hij daarheen wilde gaan. Maar vertrouwend op zijn sterke ruiterij, rukte hij eensklaps de vlakte in,
77καὶ ἤκουσεν Ἀπολλώνιος, καὶ παρενέβαλε τρισχιλίαν ἵππον καὶ δύναμιν πολλὴν καὶ ἐπορεύθη εἰς Ἄζωτον ὡς διοδεύων καὶ ἅμα προῆγεν εἰς τὸ πεδίον διὰ τὸ ἔχειν αὐτὸν πλῆθος ἵππου καὶ πεποιθέναι ἐπ᾿ αὐτῇ.
78terwijl Jonatan hem achterna trok naar Asjdod. Zo raakten de legers slaags.
78καὶ κατεδίωξεν Ἰωνάθαν ὀπίσω αὐτοῦ εἰς Ἄζωτον, καὶ συνῆψαν αἱ παρεμβολαὶ εἰς πόλεμον.
79Apollónius had achter de linie der Joden duizend ruiters gelaten, die verdekt waren opgesteld;
79καὶ ἀπέλιπεν Ἀπολλώνιος χιλίαν ἵππον ἐν κρυπτῷ κατόπισθεν αὐτῶν.
80maar Jonatan wist, dat hem een hinderlaag was gelegd. Nu sloten de Syriërs zijn leger in, en beschoten zijn volk met pijlen van de morgen tot de avond.
80καὶ ἔγνω Ἰωνάθαν ὅτι ἔστιν ἔνεδρον κατόπισθεν αὐτοῦ, καὶ ἐκύκλωσαν αὐτοῦ τὴν παρεμβολὴν καὶ ἐξετίναξαν τὰς σχίζας εἰς τὸν λαὸν ἐκ πρωΐθεν ἕως ἑσπέρας·
81Maar het volk hield stand, zoals Jonatan hun bevolen had. Toen echter de vijandelijke ruiterij uitgeput raakte,
81ὁ δὲ λαὸς εἱστήκει καθὼς ἐπέταξεν Ἰωνάθαν, καὶ ἐκοπίασαν οἱ ἵπποι αὐτῶν.
82trok Sjimon zijn leger samen, en stormde op het voetvolk los. En daar de ruiterij machteloos was, werden zij door hem verslagen en gingen op de vlucht.
82καὶ εἵλκυσε Σίμων τὴν δύναμιν αὐτοῦ καὶ συνῆψε πρὸς τὴν φάραγγα, ἡ γὰρ ἵππος ἐξελύθη, καὶ συνετρίβησαν ὑπ᾿ αὐτοῦ καὶ ἔφυγον.
83Ook de ruiterij werd in de vlakte uit elkaar gedreven. Zij vluchtten naar Asjdod, en gingen het huis van Dagon binnen, om in hun afgodstempel redding te zoeken.
83καὶ ἡ ἵππος ἐσκορπίσθη ἐν τῷ πεδίῳ, καὶ ἔφυγον εἰς Ἄζωτον καὶ εἰσῆλθον εἰς Βηθδαγὼν τὸ εἰδωλεῖον αὐτῶν τοῦ σωθῆναι.
84Maar Jonatan stak Asjdod en de omliggende plaatsen in brand, maakte zich meester van de oorlogsbuit, en gaf de tempel van Dagon met allen, die er een toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs.
84καὶ ἐνεπύρισεν Ἰωνάθαν τὴν Ἄζωτον καὶ τὰς πόλεις τὰς κύκλῳ αὐτῆς καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῶν καὶ τὸ ἱερὸν Δαγὼν καὶ τοὺς συμφυγόντας εἰς αὐτὸ ἐνεπύρισε πυρί.
85Het getal van hen, die door het zwaard en het vuur waren omgekomen, bedroeg ongeveer achtduizend man.
85καὶ ἐγένοντο οἱ πεπτωκότες μαχαίρᾳ σὺν τοῖς ἐμπυρισθεῖσιν εἰς ἄνδρας ὀκτακισχιλίους.
86Toen trok Jonatan verder, en legerde zich bij Asjkalon, waar de inwoners hem met hoge eerbewijzen ontvingen.
86καὶ ἀπῇρεν ἐκεῖθεν Ἰωνάθαν καὶ παρενέβαλεν ἐπὶ Ἀσκάλωνα, καὶ ἐξῆλθον οἱ ἐκ τῆς πόλεως εἰς συνάντησιν αὐτῷ ἐν δόξῃ μεγάλῃ.
87Daarna keerde Jonatan met zijn mannen en een grote buit naar Jerusalem terug.
87καὶ ἐπέστρεψεν Ἰωνάθαν εἰς Ἱερουσαλὴμ σὺν τοῖς παρ᾿ αὐτοῦ ἔχοντες σκῦλα πολλά.
88Toen koning Alexander dit hoorde, bewees hij Jonatan nog hoger eer. Hij zond hem een gouden gesp, waarmede anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron en het daarbij behorende gebied in bezit.
88καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἀλέξανδρος ὁ βασιλεὺς τοὺς λόγους τούτους, καὶ προσέθετο δοξάσαι τὸν Ἰωνάθαν.
no verse 89 in this text
89καὶ ἀπέστειλεν αὐτῷ πόρπην χρυσῆν, ὡς ἔθος ἐστὶ δίδοσθαι τοῖς συγγενέσι τῶν βασιλέων, καὶ ἔδωκεν αὐτῷ τὴν Ἀκκαρὼν καὶ πάντα τὰ ὅρια αὐτῆς εἰς κληροδοσίαν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.