Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Jonatan zag, dat het ogenblik gunstig was, wees hij enkele mannen aan en zond hen naar Rome, om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te versterken en te vernieuwen.
1ΚΑΙ εἶδεν Ἰωνάθαν ὅτι ὁ καιρὸς αὐτῷ συνεργεῖ, καὶ ἐπέλεξεν ἄνδρας καὶ ἀπέστειλεν εἰς Ρώμην στῆσαι καὶ ἀνανεώσασθαι τὴν πρὸς αὐτοὺς φιλίαν.
2Ook aan de Spartanen en andere landen zond hij brieven, die hetzelfde beoogden.
2καὶ πρὸς Σπαρτιάτας καὶ τόπους ἑτέρους ἀπέστειλεν ἐπιστολὰς κατὰ τὰ αὐτά.
3Zij vertrokken dus naar Rome, traden daar de Senaat binnen, en spraken: De hogepriester Jonatan en het volk der Joden hebben ons gezonden, om de vriendschappelijke betrekkingen en het bondgenootschap onder de vroegere voorwaarden te laten vernieuwen.
3καὶ ἐπορεύθησαν εἰς Ρώμην καὶ εἰσῆλθον εἰς τὸ βουλευτήριον καὶ εἶπον· Ἰωνάθαν ὁ ἀρχιερεὺς καὶ τὸ ἔθνος τῶν Ἰουδαίων ἀπέστειλεν ἡμᾶς ἀνανεώσασθαι τὴν φιλίαν αὐτοῖς καὶ τὴν συμμαχίαν κατὰ τὸ πρότερον.
4Hierop gaf men hun brieven mee voor de verschillende plaatselijke overheden met het verzoek, hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken.
4καὶ ἔδωκαν ἐπιστολὰς αὐτοῖς πρὸς αὐτοὺς κατὰ τόπον, ὅπως προπέμπωσιν αὐτοὺς εἰς γῆν Ἰούδα μετ᾿ εἰρήνης.
5Dit is het afschrift van de brief, die Jonatan aan de Spartanen schreef:
5Καὶ τοῦτο τὸ ἀντίγραφον τῶν ἐπιστολῶν ὧν ἔγραψεν Ἰωνάθαν τοῖς Σπαρτιάταις·
6De hogepriester Jonatan, de hoge raad van het volk, de priesters en het overige volk der Joden, aan hun broeders de Spartanen: heil!
6‘ Ἰωνάθαν ἀρχιερεὺς καὶ ἡ γερουσία τοῦ ἔθνους καὶ οἱ ἱερεῖς καὶ ὁ λοιπὸς δῆμος τῶν Ἰουδαίων Σπαρτιάταις τοῖς ἀδελφοῖς χαίρειν.
7Reeds vroeger heeft de hogepriester Onias een brief ontvangen van Areios, een van uw koningen, waarin gezegd wordt, dat gij onze broeders zijt, zoals het ingesloten afschrift bewijst.
7ἔτι πρότερον ἀπεστάλησαν ἐπιστολαὶ πρὸς Ὀνίαν τὸν ἀρχιερέα παρὰ Δαρείου τοῦ βασιλεύοντος ἐν ὑμῖν ὅτι ἐστὲ ἀδελφοὶ ἡμῶν, ὡς τὸ ἀντίγραφον ὑπόκειται.
8Onias heeft den gezant eervol ontvangen en aanvaardde de brief, waarin uitdrukkelijk over een bondgenootschap en vriendschapsbetrekkingen werd gesproken.
8καὶ ἐπεδέξατο Ὀνίας τὸν ἄνδρα τὸν ἀπεσταλμένον ἐνδόξως καὶ ἔλαβε τὰς ἐπιστολάς, ἐν αἷς διεσαφεῖτο περὶ συμμαχίας καὶ φιλίας.
9Ofschoon geen noodzaak er ons toe dwingt, daar wij onze troost putten uit de heilige boeken, die wij bezitten,
9καὶ ἡμεῖς οὖν ἀπροσδεεῖς τούτων ὄντες, παράκλησιν ἔχοντες τὰ βιβλία τὰ ἅγια τὰ ἐν ταῖς χερσὶν ἡμῶν,
10willen wij toch, om niet van u te vervreemden, een poging doen, om door middel van een gezantschap de wederzijdse banden van broeders en bondgenoten te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden, dat gij uw laatste gezantschap naar ons hebt afgevaardigd.
10ἐπειράθημεν ἀποστεῖλαι τὴν πρὸς ὑμᾶς ἀδελφότητα καὶ φιλίαν ἀνανεώσασθαι πρὸς τὸ μὴ ἐξαλλοτριωθῆναι ὑμῶν· πολλοὶ γὰρ καιροὶ διῆλθον ἀφ᾿ οὗ ἀπεστείλατε πρὸς ἡμᾶς.
11Wij van onze kant laten nooit een gelegenheid voorbijgaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het is een heilige plicht, dat broeders elkander indachtig zijn.
11ἡμεῖς οὖν ἐν παντὶ καιρῷ ἀδιαλείπτως ἔν τε ταῖς ἑορταῖς καὶ ταῖς λοιπαῖς καθηκούσαις ἡμέραις μιμνησκόμεθα ὑμῶν ἐφ᾿ ὧν προσφέρομεν θυσιῶν καὶ ἐν ταῖς προσευχαῖς, ὡς δέον ἐστὶ καὶ πρέπον μνημονεύειν ἀδελφῶν·
12Ook verheugen wij ons over de roem, die u ten deel is gevallen.
12εὐφραινόμεθα δὲ ἐπὶ τῇ δόξῃ ὑμῶν.
13En wat ons zelf betreft: wij hebben ons temidden van veel verdrukkingen en oorlogen bevonden, omdat de koningen uit onze omgeving tegen ons te velde trokken.
13ἡμᾶς δὲ ἐκύκλωσαν πολλαὶ θλίψεις καὶ πόλεμοι πολλοί, καὶ ἐπολέμησαν ἡμᾶς οἱ βασιλεῖς οἱ κύκλῳ ἡμῶν.
14In deze strijd echter hebben wij u, noch een van onze andere bondgenoten en vrienden willen lastig vallen.
14καὶ οὐκ ἠβουλόμεθα οὖν παρενοχλεῖν ὑμῖν καὶ τοῖς λοιποῖς συμμάχοις καὶ φίλοις ἡμῶν ἐν τοῖς πολέμοις τούτοις·
15Want wij hebben de hulp van de Hemel, die ons bijstaat; hierdoor werden wij van onze vijanden verlost, en werden onze tegenstanders vernederd.
15ἔχομεν γὰρ τὴν ἐξ οὐρανοῦ βοήθειαν βοηθοῦσαν ἡμῖν καὶ ἐρρύσθημεν ἀπὸ τῶν ἐχθρῶν ἡμῶν, καὶ ἐταπεινώθησαν οἱ ἐχθροὶ ἡμῶν.
16Nu hebben wij Noeménius, den zoon van Antiochus, en Antipater, den zoon van Jáson, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden, om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap met hen te vernieuwen.
16ἐπελέξαμεν οὖν Νουμήνιον Ἀντιόχου καὶ Ἀντίπατρον Ἰάσωνος καὶ ἀπεστάλκαμεν πρὸς Ρωμαίους ἀνανεώσασθαι τὴν πρὸς αὐτοὺς φιλίαν καὶ συμμαχίαν τὴν προτέραν.
17Tegelijkertijd droegen wij hun op, ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen, om onze vriendschap te vernieuwen.
17ἐνετειλάμεθα οὖν αὐτοῖς καὶ πρὸς ὑμᾶς πορευθῆναι καὶ ἀσπάσασθαι ὑμᾶς καὶ ἀποδοῦναι ὑμῖν τὰς παρ᾿ ἡμῶν ἐπιστολὰς περὶ τῆς ἀνανεώσεως καὶ τῆς ἀδελφότητος ἡμῶν.
18Gij zoudt ons ten zeerste verplichten, ons hierop een antwoord te zenden.
18καὶ νῦν καλῶς ποιήσετε ἀντιφωνήσοντες ἡμῖν πρὸς ταῦτα’.
19En dit is het afschrift van de brief, die aan Onias werd gezonden:
19Καὶ τοῦτο τὸ ἀντίγραφον τῶν ἐπιστολῶν, ὧν ἀπέστειλαν Ὀνίᾳ·
20Areios, koning der Spartanen, aan Onias den hogepriester: heil!
20‘ Ἄρειος βασιλεὺς Σπαρτιατῶν Ὀνίᾳ ἱερεῖ μεγάλῳ χαίρειν.
21Uit een geschrift over de Spartanen en de Joden is komen vast te staan, dat zij broeders zijn en beiden van Abraham afstammen.
21εὑρέθη ἐν γραφῇ περί τε τῶν Σπαρτιατῶν καὶ Ἰουδαίων, ὅτι εἰσὶν ἀδελφοὶ καὶ ὅτι εἰσὶν ἐκ γένους Ἁβραάμ.
22Nu ons dit bekend is geworden, zoudt gij ons zeer verplichten, ons te berichten, hoe het u gaat.
22καὶ νῦν ἀφ᾿ οὗ ἔγνωμεν ταῦτα, καλῶς ποιήσετε γράφοντες ἡμῖν περὶ τῆς εἰρήνης ὑμῶν,
23Wij van onze kant stellen u voor: Uw vee en uw have is als van ons, en het onze van u. Wij hebben opdracht gegeven u hiervan in kennis te stellen.
23καὶ ἡμεῖς δὲ ἀντιγράφομεν ὑμῖν τὰ κτήνη ὑμῶν καὶ ἡ ὕπαρξις ὑμῶν ἡμῖν ἐστι, καὶ τὰ ἡμῶν ὑμῖν ἐστιν. ἐντελλόμεθα οὖν ὅπως ἀπαγγείλωσιν ὑμῖν κατὰ ταῦτα’.
24Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demétrius met een veel groter leger dan vroeger waren teruggekomen, om hem te bestrijden,
24Καὶ ἤκουσεν Ἰωνάθαν ὅτι ἐπέστρεψαν οἱ ἄρχοντες Δημητρίου μετὰ δυνάμεως πολλῆς ὑπὲρ τὸ πρότερον τοῦ πολεμῆσαι πρὸς αὐτόν.
25verliet hij Jerusalem en trok hun in het gebied van Chamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven, zijn land binnen te rukken.
25καὶ ἀπῇρεν ἐξ Ἱερουσαλὴμ καὶ ἀπήντησεν αὐτοῖς εἰς τὴν Ἀμαθῖτιν χώραν· οὐ γὰρ ἔδωκεν αὐτοῖς ἀνοχὴν ἐμβατεῦσαι εἰς τὴν χώραν αὐτοῦ.
26Hij zond spionnen naar hun kamp, die met het bericht terugkwamen, dat men voorbereidingen trof, om hen des nachts te overvallen.
26καὶ ἀπέστειλε κατασκόπους εἰς τὴν παρεμβολὴν αὐτῶν, καὶ ἐπέστρεψαν καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ, ὅτι οὕτω τάσσονται ἐπιπεσεῖν ἐπ᾿ αὐτοὺς τὴν νύκτα.
27Daarom gaf Jonatan bij zonsondergang zijn mannen bevel, wakker en gewapend te blijven, en de hele nacht klaar te staan voor het gevecht; tevens zette hij rondom het kamp wachtposten uit.
27ὡς δὲ ἔδυ ὁ ἥλιος, ἐπέταξεν Ἰωνάθαν τοῖς παρ᾿ αὐτοῦ γρηγορεῖν καὶ εἶναι ἐπὶ τοῖς ὅπλοις καὶ ἑτοιμάζεσθαι εἰς πόλεμον δι᾿ ὅλης τῆς νυκτὸς καὶ ἐξέβαλε προφύλακας κύκλῳ τῆς παρεμβολῆς.
28Maar toen de vijanden hoorden, dat Jonatan en zijn mannen strijdvaardig stonden, werden zij door vrees overmand en verloren de moed; zij trokken weg, maar staken eerst in hun kamp de wachtvuren aan.
28καὶ ἤκουσαν οἱ ὑπεναντίοι ὅτι ἡτοίμασται Ἰωνάθαν καὶ οἱ παρ᾿ αὐτοῦ εἰς πόλεμον, καὶ ἐφοβήθησαν καὶ ἔπτηξαν τῇ καρδίᾳ αὐτῶν καὶ ἀνέκαυσαν πυρὰς ἐν τῇ παρεμβολῇ αὐτῶν.
29Jonatan en zijn mannen, die deze vuren zagen branden, bemerkten er dus niets van, vóór het morgen werd.
29Ἰωνάθαν δὲ καὶ οἱ παρ᾿ αὐτοῦ οὐκ ἔγνωσαν ἕως πρωΐ, ἔβλεπον γὰρ τὰ φῶτα καιόμενα.
30Toen zette Jonatan ze wel achterna, maar kon ze niet meer inhalen, omdat zij reeds de rivier de Eleúterus waren overgetrokken.
30καὶ κατεδίωξεν Ἰωνάθαν ὀπίσω αὐτῶν καὶ οὐ κατέλαβεν αὐτούς, διέβησαν γὰρ τὸν Ἐλεύθερον ποταμόν.
31Nu trok Jonatan naar de Arabieren, die men Zabadeërs noemde; hij versloeg hen en plunderde ze uit.
31καὶ ἐξέκλινεν Ἰωνάθαν ἐπὶ τοὺς Ἄραβας τοὺς καλουμένους Ζαβαδαίους καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς καὶ ἔλαβε τὰ σκῦλα αὐτῶν.
32Vandaar rukte hij verder, ging naar Damascus en doorkruiste het hele gebied.
32καὶ ἀναζεύξας ἦλθεν εἰς Δαμασκὸν καὶ διώδευσεν ἐν πάσῃ τῇ χώρᾳ.
33Ook Sjimon was uitgerukt en tot Asjkalon en de naastbijgelegen vestingen doorgedrongen. Vandaar trok hij naar Jóppe en nam de stad in,
33καὶ Σίμων ἐξῆλθε καὶ διώδευσεν ἕως Ἀσκάλωνος καὶ τῶν πλησίον ὀχυρωμάτων, καὶ ἐξέκλινεν εἰς Ἰόππην καὶ προκατελάβετο αὐτήν·
34omdat hij gehoord had, dat men de vesting aan de aanhangers van Demétrius wilde uitleveren. Hij liet er ter bewaking een bezetting achter.
34ἤκουσεν γὰρ ὅτι βούλονται τὸ ὀχύρωμα παραδοῦναι τοῖς παρὰ Δημητρίου· καὶ ἔθετο ἐκεῖ φρουράν, ὅπως φυλάσσωσιν αὐτήν.
35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen, en maakte met hen het besluit, vestingen in Judea te bouwen,
35καὶ ἐπέστρεψεν Ἰωνάθαν καὶ ἐξεκκλησίασε τοὺς πρεσβυτέρους τοῦ λαοῦ καὶ ἐβουλεύσατο μετ᾿ αὐτῶν τοῦ οἰκοδομῆσαι ὀχυρώματα ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ
36de muren van Jerusalem te verhogen en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken, om de burcht volslagen van de stad af te sluiten, en hem zó te versperren, dat alle koop en verkoop zou worden afgesneden.
36καὶ προσυψῶσαι τὰ τείχη Ἱερουσαλὴμ καὶ ὑψῶσαι ὕψος μέγα ἀνὰ μέσον τῆς ἄκρας καὶ τῆς πόλεως εἰς τὸ διαχωρίζειν αὐτὴν τῆς πόλεως, ἵνα ᾖ αὕτη κατὰ μόνας, ὅπως μήτε ἀγοράζωσι μήτε πωλῶσι.
37Zij sloegen dus de handen ineen voor de bouw van de stad; en daar een gedeelte van de muur bij de beek in het oosten was ingestort, herstelden zij die en noemden hem Kafenáta.
37καὶ συνήχθησαν τοῦ οἰκοδομεῖν τὴν πόλιν καὶ ἤγγισε τοῦ τείχους τοῦ χειμάρρου τοῦ ἐξ ἀπηλιώτου, καὶ ἐπεσκεύασαν τὸ καλούμενον Χαφεναθά.
38Sjimon werkte intussen aan de bouw en de versterking van Chadid in de Sjefela, en voorzag het van poorten en grendels.
38καὶ Σίμων ᾠκοδόμησε τὴν Ἀδιδὰ ἐν τῇ Σεφήλᾳ καὶ ὠχύρωσεν αὐτὴν καὶ ἐπέστησε θύρας καὶ μοχλούς.
39Intussen had Trúfon plannen beraamd, om koning van Azië te worden, zich de kroon op het hoofd te zetten en Antiochus uit de weg te ruimen.
39Καὶ ἐζήτησε Τρύφων βασιλεῦσαι τῆς Ἀσίας καὶ περιθέσθαι τὸ διάδημα καὶ ἐκτεῖναι χεῖρα ἐπὶ Ἀντίοχον τὸν βασιλέα.
40Daar hij echter vreesde dat Jonatan dit niet zou toelaten en hem zou tegenwerken, zocht hij naar een middel, om hem gevangen te nemen en te doden. Hij rukte dus uit, en ging naar Bet-Sjan.
40καὶ ἐφοβήθη μήποτε οὐκ ἐάσῃ αὐτὸν Ἰωνάθαν καὶ μήποτε πολεμήσῃ πρὸς αὐτόν, καὶ ἐζήτει πόρον τοῦ συλλαβεῖν τὸν Ἰωνάθαν τοῦ ἀπολέσαι αὐτόν, καὶ ἀπάρας ἦλθεν εἰς Βαιθσάν.
41Maar Jonatan trok met veertigduizend krijgshaftige soldaten tegen hem op, en bereikte Bet-Sjan eveneens.
41καὶ ἐξῆλθεν Ἰωνάθαν εἰς ἀπάντησιν αὐτῷ ἐν τεσσαράκοντα χιλιάσιν ἀνδρῶν ἐπιλελεγμέναις εἰς παράταξιν καὶ ἦλθεν εἰς Βαιθσάν.
42Toen Trúfon zag, dat hij met een groot leger gekomen was, schrok hij ervoor terug, zich aan hem te vergrijpen.
42καὶ εἶδε Τρύφων ὅτι πάρεστιν Ἰωνάθαν μετὰ δυνάμεως πολλῆς, καὶ ἐκτεῖναι χεῖρας ἐπ᾿ αὐτὸν εὐλαβήθη,
43Daarna ontving hij hem met hoge eerbewijzen, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen, gaf hem geschenken, en beval zijn vertrouwelingen en zijn troepen, Jonatan te gehoorzamen juist als hemzelf.
43καὶ ἐπεδέξατο αὐτὸν ἐνδόξως καὶ συνέστησεν αὐτὸν πᾶσι τοῖς φίλοις αὐτοῦ καὶ ἔδωκεν αὐτῷ δόματα καὶ ἐπέταξε ταῖς δυνάμεσιν αὐτοῦ ὑπακούειν αὐτῷ ὡς ἑαυτῷ.
44Daarna sprak hij tot Jonatan: Waarom hebt ge heel dit leger afgetobd, daar we toch geen van beiden het plan hebben, oorlog te maken?
44καὶ εἶπε τῷ Ἰωνάθαν· ἱνατί ἔκοψας πάντα τὸν λαὸν τοῦτον, πολέμου μὴ ἐνεστηκότος ἡμῖν;
45Stuur ze naar huis terug en kies u een paar mannen uit, om u te begeleiden, en ga met mij mee naar Ptolemáis. Daar zal ik de stad met de andere vestingen, de overige troepen en alle ambtenaren aan u overdragen. Dan trek ik mij terug en ga weg; want daarvoor alleen ben ik gekomen.
45καὶ νῦν ἀπόστειλον αὐτοὺς εἰς τοὺς οἴκους αὐτῶν, ἐπίλεξαι δὲ σεαυτῷ ἄνδρας ὀλίγους, οἵτινες ἔσονται μετὰ σοῦ, καὶ δεῦρο μετ᾿ ἐμοῦ εἰς Πτολεμαΐδα, καὶ παραδώσω σοι αὐτὴν καὶ τὰ λοιπὰ ὀχυρώματα καὶ τὰς δυνάμεις τὰς λοιπὰς καὶ πάντας τοὺς ἐπὶ τῶν χρειῶν, καὶ ἐπιστρέψας ἀπελεύσομαι· τούτου γὰρ χάριν πάρειμι.
46Jonatan vertrouwde hem en deed, wat hij hem had gezegd. Hij zond de troepen weg, die naar het land Juda teruggingen.
46καὶ ἐμπιστεύσας αὐτῷ ἐποίησε καθὼς εἶπε, καὶ ἐξαπέστειλε τὰς δυνάμεις, καὶ ἀπῆλθον εἰς γῆν Ἰούδα.
47Slechts drieduizend man hield hij bij zich, waarvan hij er nog tweeduizend naar Galilea zond, zodat er slechts duizend met hem meegingen.
47κατέλιπε δὲ μεθ᾿ ἑαυτοῦ ἄνδρας τρισχιλίους, ὧν δισχιλίους ἀφῆκεν ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ, χίλιοι δὲ συνῆλθον αὐτῷ.
48Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemáis aangekomen, of de inwoners sloten de poorten, namen hem gevangen en joegen al zijn begeleiders over de kling.
48ὡς δὲ εἰσῆλθεν Ἰωνάθαν εἰς Πτολεμαΐδα, ἀπέκλεισαν οἱ Πτολεμαεῖς τὰς πύλας καὶ συνέλαβον αὐτόν, καὶ πάντας τοὺς εἰσελθόντας μετ᾿ αὐτοῦ ἀπέκτειναν ἐν ρομφαίᾳ.
49Bovendien zond Trúfon voetvolk en ruiters naar Galilea en naar de grote vlakte, om de gehele aanhang van Jonatan uit de weg te ruimen.
49καὶ ἀπέστειλε Τρύφων δυνάμεις καὶ ἵππον εἰς τὴν Γαλιλαίαν καὶ τὸ πεδίον τὸ μέγα τοῦ ἀπολέσαι πάντας τοὺς παρὰ Ἰωνάθαν.
50Daar dezen echter hadden vernomen dat Jonatan en de zijnen zouden gevangen genomen zijn en vermoord, hitsten zij elkander op, en rukten in gesloten gelederen vooruit, gereed om te vechten.
50καὶ ἐπέγνωσαν ὅτι συνελήφθη Ἰωνάθαν καὶ ἀπόλωλε καὶ οἱ μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ παρεκάλεσαν ἑαυτοὺς καὶ ἐπορεύοντο συνεστραμμένοι ἕτοιμοι εἰς πόλεμον.
51Toen de achtervolgers dus zagen, dat zij op leven en dood wilden strijden, keerden ze terug.
51καὶ εἶδον οἱ διώκοντες ὅτι περὶ ψυχῆς αὐτοῖς ἐστι, καὶ ἐπέστρεψαν.
52Zo konden zij allen behouden het land Juda bereiken, waar zij, met grote angst in het hart, Jonatan en zijn mannen beweenden. Ook Israël hield een grote dodenklacht.
52καὶ ἦλθον πάντες μετ᾿ εἰρήνης εἰς γῆν Ἰούδα καὶ ἐπένθησαν τὸν Ἰωνάθαν καὶ τοὺς μετ᾿ αὐτοῦ καὶ ἐφοβήθησαν σφόδρα· καὶ ἐπένθησε πᾶς Ἰσραὴλ πένθος μέγα.
53Maar alle heidenen uit de omtrek stelden nu pogingen in het werk, om hen te verdelgen. Want ze zeiden: Ze hebben geen enkelen aanvoerder meer, die hen helpt. Nu moeten wij hen bestrijden, en zelfs hun nagedachtenis bij de mensen verdelgen.
53καὶ ἐζήτησαν πάντα τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ αὐτῶν ἐκτρίψαι αὐτούς· εἶπαν γάρ· οὐκ ἔχουσιν ἄρχοντα καὶ βοηθοῦντα· νῦν οὖν πολεμήσωμεν αὐτοὺς καὶ ἐξάρωμεν ἐξ ἀνθρώπων τὸ μνημόσυνον αὐτῶν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.