Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Intussen had de koning van Egypte een leger, bijeengebracht zo talrijk als het zand aan het strand van de zee, en een grote vloot bovendien. Hij was van plan, zich op listige wijze meester te maken van het rijk van koning Alexander, en het in te lijven bij zijn rijk.
1ΚΑΙ ὁ βασιλεὺς Αἰγύπτου ἤθροισε δυνάμεις πολλὰς ὡς τὴν ἄμμον τὴν περὶ τὸ χεῖλος τῆς θαλάσσης καὶ πλοῖα πολλὰ καὶ ἐζήτησε κατακρατῆσαι τῆς βασιλείας Ἀλεξάνδρου δόλῳ καὶ προσθεῖναι αὐτὴν τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ.
2Onder het masker van vrede trok hij Syrië in, waar de inwoners de steden voor hem openstelden en hem welkom heetten; want koning Alexander had bevel gegeven, hem welkom te heten, omdat hij zijn schoonvader was.
2καὶ ἐξῆλθεν εἰς Συρίαν λόγοις εἰρηνικοῖς, καὶ ἤνοιγον αὐτῷ οἱ ἀπὸ τῶν πόλεων καὶ συνήντων αὐτῷ, ὅτι ἐντολὴ ἦν Ἀλεξάνδρου τοῦ βασιλέως συναντᾶν αὐτῷ διὰ τὸ πενθερὸν αὐτοῦ εἶναι.
3Maar telkens wanneer Ptoleméus een stad was binnengetrokken, liet hij er een afdeling soldaten als bezetting achter.
3ὡς δὲ εἰσεπορεύετο εἰς τὰς πόλεις ὁ Πτολεμαῖος, ἀπέτασσε τὰς δυνάμεις φρουρὰν ἐν ἑκάστῃ πόλει.
4Toen hij Asjdod had bereikt, wees men hem op de afgebrande tempel van Dagon, op de puinhopen van Asjdod en van het omliggende gebied, en op de lijken van hen, die in de oorlog waren verbrand en nu langs de weg lagen opgestapeld.
4ὡς δὲ ἤγγισεν Ἀζώτου, ἔδειξαν αὐτῷ τὸ ἱερὸν Δαγὼν ἐμπεπυρισμένον καὶ Ἄζωτον καὶ τὰ περιπόλια αὐτῆς καθῃρημένα καὶ τὰ σώματα ἐρριμμένα καὶ τοὺς ἐμπεπυρισμένους, οὓς ἐνεπύρισεν ἐν τῷ πολέμῳ· ἐποίησαν γὰρ θημωνίας αὐτῶν ἐν τῇ ὁδῷ αὐτοῦ.
5Ook vertelde men den koning, wat Jonatan zou hebben gedaan, om hem te kleineren; maar de koning zweeg.
5καὶ διηγήσαντο τῷ βασιλεῖ ἃ ἐποίησεν Ἰωνάθαν εἰς τὸ ψογίσαι αὐτόν· καὶ ἐσίγησεν ὁ βασιλεύς.
6Jonatan trok nu naar Jóppe met grote praal, om den koning welkom te heten. Zij begroetten elkander en overnachtten daar.
6καὶ συνήντησεν Ἰωνάθαν τῷ βασιλεῖ εἰς Ἰόππην μετὰ δόξης, καὶ ἠσπάσαντο ἀλλήλους καὶ ἐκοιμήθησαν ἐκεῖ.
7Daarna begeleidde Jonatan den koning tot aan de rivier de Eleúterus, en keerde toen naar Jerusalem terug.
7καὶ ἐπορεύθη Ἰωνάθαν μετὰ τοῦ βασιλέως ἕως τοῦ ποταμοῦ τοῦ καλουμένου Ἐλευθέρου καὶ ἐπέστρεψεν εἰς Ἱερουσαλήμ.
8Zo maakte koning Ptoleméus zich van de kuststeden meester tot aan Seleúcië, aan de zee. En daar hij vijandige plannen tegen Alexander beraamde,
8ὁ δὲ βασιλεὺς Πτολεμαῖος ἐκυρίευσε τῶν πόλεων τῆς παραλίας ἕως Σελευκείας τῆς παραθαλασσίας καὶ διελογίζετο περὶ Ἀλεξάνδρου λογισμοὺς πονηρούς.
9zond hij een gezantschap naar koning Demétrius, en deed hem het voorstel: Kom, laat ons een bondgenootschap sluiten. Ik zal u mijn dochter geven, de vrouw van Alexander, en dan zult gij koning worden over het rijk van uw vader.
9καὶ ἀπέστειλε πρέσβεις πρὸς Δημήτριον τὸν βασιλέα λέγων· δεῦρο συνθώμεθα πρὸς ἑαυτοὺς διαθήκην, καὶ δώσω σοι τὴν θυγατέρα μου, ἣν ἔχει Ἀλέξανδρος, καὶ βασιλεύσεις τῆς βασιλείας τοῦ πατρός σου·
10Want het spijt me, dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij pogingen heeft gedaan, om mij te vermoorden.
10μεταμεμέλημαι γὰρ δοὺς αὐτῷ τὴν θυγατέρα μου, ἐζήτησε γὰρ ἀποκτεῖναί με.
11Zo belasterde hij hem, daar hij zijn koninkrijk wenste.
11καὶ ἐψόγισεν αὐτὸν χάριν τοῦ ἐπιθυμῆσαι αὐτὸν τῆς βασιλείας αὐτοῦ·
12Hij ontnam hem zijn dochter, en gaf haar aan Demétrius. Zo brak hij met Alexander, en werden zij openlijk vijanden.
12καὶ ἀφελόμενος αὐτοῦ τὴν θυγατέρα ἔδωκεν αὐτὴν τῷ Δημητρίῳ καὶ ἠλλοτριώθη τῷ Ἀλεξάνδρῳ καὶ ἐφάνη ἡ ἔχθρα αὐτῶν.
13Ptoleméus trok Antiochië binnen, en zette zich de kroon van Azië op het hoofd, zodat hij nu twee kronen droeg, namelijk die van Egypte en Azië.
13καὶ εἰσῆλθε Πτολεμαῖος εἰς Ἀντιόχειαν καὶ περιέθετο τὸ διάδημα τῆς Ἀσίας· καὶ περιέθετο δύο διαδήματα περὶ τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ, τὸ τῆς Ἀσίας καὶ Αἰγύπτου.
14Koning Alexander bevond zich toen in Cilicië, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen.
14Ἀλέξανδρος δὲ ὁ βασιλεὺς ἦν ἐν Κιλικίᾳ κατὰ τοὺς καιροὺς ἐκείνους, ὅτι ἀπεστάτουν οἱ ἀπὸ τῶν τόπων ἐκείνων.
15Maar zodra Alexander dit hoorde, trok hij tegen hem ten strijde. Ook Ptoleméus rukte uit, trok hem met een machtig leger tegemoet en versloeg hem.
15καὶ ἤκουσεν Ἀλέξανδρος καὶ ἦλθεν ἐπ᾿ αὐτὸν πολέμῳ. καὶ ἐξήγαγε Πτολεμαῖος τὴν δύναμιν καὶ ἀπήντησεν αὐτῷ ἐν χειρὶ ἰσχυρᾷ καὶ ἐτροπώσατο αὐτόν.
16Alexander vluchtte naar Arabië, om daar veilig te zijn; en zo behield koning Ptoleméus de overhand.
16καὶ ἔφυγεν Ἀλέξανδρος εἰς τὴν Ἀραβίαν τοῦ σκεπασθῆναι αὐτὸν ἐκεῖ. ὁ δὲ βασιλεὺς Πτολεμαῖος ὑψώθη.
17Maar de Arabier Zabdiël sloeg Alexander het hoofd af, en zond het naar Ptoleméus.
17καὶ ἀφεῖλε Ζαβδιὴλ ὁ Ἄραψ τὴν κεφαλὴν Ἀλεξάνδρου καὶ ἀπέστειλε τῷ Πτολεμαίῳ.
18Drie dagen later stierf koning Ptoleméus zelf; daarop werden de soldaten, waarmee hij zijn vestingen had bezet, door de inwoners vermoord.
18καὶ ὁ βασιλεὺς Πτολεμαῖος ἀπέθανεν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ, καὶ οἱ ὄντες ἐν τοῖς ὀχυρώμασιν ἀπώλοντο ὑπὸ τῶν ἐν τοῖς ὀχυρώμασι.
19Zo kwam Demétrius in het jaar aan de regering.
19καὶ ἐβασίλευσε Δημήτριος ἔτους ἑβδόμου καὶ ἑξηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ.
20In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea op, om de burcht van Jerusalem te belegeren. Toen hij reeds veel belegeringswerktuigen had laten opstellen,
20Ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις συνήγαγεν Ἰωνάθαν τοὺς ἐκ τῆς Ἰουδαίας τοῦ ἐκπολεμῆσαι τὴν ἄκραν τὴν ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἐποίησεν ἐπ᾿ αὐτὴν μηχανὰς πολλάς.
21gingen enkele afvalligen, die hun volk haatten, naar den koning, en berichtten hem, dat Jonatan de burcht belegerde.
21καὶ ἐπορεύθησάν τινες μισοῦντες τὸ ἔθνος αὐτῶν ἄνδρες παράνομοι πρὸς τὸν βασιλέα καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ ὅτι Ἰωνάθαν περικάθηται τὴν ἄκραν.
22Bij het bericht hiervan ontstak de koning in woede; hij reisde terstond naar Ptolemáis, en zond Jonatan een schriftelijk bevel, de belegering te staken en hem zo spoedig mogelijk in Ptolemáis te ontmoeten voor een onderhoud.
22καὶ ἀκούσας ὠργίσθη· ὡς δὲ ἤκουσεν, εὐθέως ἀναζεύξας ἦλθεν εἰς Πτολεμαΐδα καὶ ἔγραψεν Ἰωνάθαν τοῦ μὴ περικαθῆσθαι τῇ ἄκρᾳ καὶ τοῦ ἀπαντῆσαι αὐτὸν αὐτῷ συμμίσγειν εἰς Πτολεμαΐδα τὴν ταχίστην.
23Toch liet Jonatan ondanks het bevel de belegering voortzetten. Maar hij koos enkele oudsten van Israël en priesters uit, om met hen het gevaar te trotseren.
23ὡς δὲ ἤκουσεν Ἰωνάθαν, ἐκέλευσε περικαθῆσθαι καὶ ἐπέλεξε τῶν πρεσβυτέρων Ἰσραὴλ καὶ τῶν ἱερέων καὶ ἔδωκεν ἑαυτὸν τῷ κινδύνῳ·
24Hij nam zilver en goud mee, gewaden en veel andere geschenken, ging naar den koning in Ptolemáis, en wist diens gunst daar te winnen.
24καὶ λαβὼν ἀργύριον καὶ χρυσίον καὶ ἱματισμὸν καὶ ἕτερα ξένια πλείονα ἐπορεύθη πρὸς τὸν βασιλέα εἰς Πτολεμαΐδα καὶ εὗρε χάριν ἐνώπιον αὐτοῦ.
25Wel klaagden enige afvalligen uit het volk hem aan,
25καὶ ἐνετύγχανον κατ᾿ αὐτοῦ τινες ἄνομοι τῶν ἐκ τοῦ ἔθνους.
26maar de koning behandelde hem evenals zijn voorgangers, en bewees hem veel eer ten overstaan van al zijn vrienden.
26καὶ ἐποίησεν αὐτῷ ὁ βασιλεὺς καθὼς ἐποίησαν αὐτῷ οἱ πρὸ αὐτοῦ, καὶ ὕψωσεν αὐτὸν ἐναντίον πάντων τῶν φίλων αὐτοῦ,
27Ook bekrachtigde hij zijn aanstelling als hogepriester, handhaafde al de andere waardigheden, die hij vroeger had ontvangen, en liet hem onder zijn eerste vertrouwelingen opnemen.
27καὶ ἔστησεν αὐτῷ τὴν ἀρχιερωσύνην καὶ ὅσα ἄλλα εἶχε τίμια τὸ πρότερον καὶ ἐποίησεν αὐτὸν τῶν πρώτων φίλων ἡγεῖσθαι.
28Daarom deed Jonatan den koning het verzoek, om Judea en de drie gewesten van Samaria van belasting te ontheffen, en beloofde hem in plaats daarvan driehonderd talenten.
28καὶ ἠξίωσεν Ἰωνάθαν τὸν βασιλέα ποιῆσαι τὴν Ἰουδαίαν ἀφορολόγητον καὶ τὰς τρεῖς τοπαρχίας καὶ τὴν Σαμαρεῖτιν καὶ ἐπηγγείλατο αὐτῷ τάλαντα τριακόσια.
29De koning willigde het in, en liet over al deze punten de volgende oorkonde voor Jonatan opstellen:
29καὶ εὐδόκησεν ὁ βασιλεὺς καὶ ἔγραψε τῷ Ἰωνάθαν ἐπιστολὰς περὶ πάντων τούτων ἐχούσας τὸν τρόπον τοῦτον·
30Koning Demétrius aan zijn broeder Jonatan en het volk der Joden: heil!
30‘Βασιλεὺς Δημήτριος Ἰωνάθαν τῷ ἀδελφῷ χαίρειν, καὶ ἔθνει Ἰουδαίων.
31Om u in eens op de hoogte te stellen, zenden wij ook aan u een afschrift van de brief, die wij aan Lástenes, onzen bloedverwant, over u hebben geschreven:
31τὸ ἀντίγραφον τῆς ἐπιστολῆς, ἧς ἐγράψαμεν Λασθένει τῷ συγγενεῖ ἡμῶν περὶ ὑμῶν, γεγράφαμεν καὶ πρὸς ὑμᾶς ὅπως εἰδῆτε.
32Koning Demétrius aan vader Lástenes: heil!
32βασιλεὺς Δημήτριος Λασθένει τῷ πατρὶ χαίρειν.
33Wij hebben besloten, voor het volk der Joden, dat onze vriend is, en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, als loon voor zijn goede gezindheid jegens ons, een gunstige regeling te treffen.
33τῷ ἔθνει τῶν Ἰουδαίων φίλοις ἡμῶν καὶ συντηροῦσι τὰ πρὸς ἡμᾶς δίκαια ἐκρίναμεν ἀγαθοποιῆσαι χάριν τῆς ἐξ αὐτῶν εὐνοίας πρὸς ἡμᾶς.
34Wij staan aan hen af het gebied van Judea en van de drie gewesten Efraïm, Lúdda, en Ramatáim die aan Samaria worden onttrokken, en in hun volle omvang bij Judea worden ingelijfd. Bovendien geven wij aan allen, die in Jerusalem offeren, vrijstelling van de jaarlijkse belastingen, die de koning voorheen op hun veld- en boomvruchten hief.
34ἑστάκαμεν οὖν αὐτοῖς τά τε ὅρια τῆς Ἰουδαίας καὶ τοὺς τρεῖς νομούς, Ἀφαίρεμα καὶ Λύδδαν καὶ Ραμαθέμ, οἵτινες προσετέθησαν τῇ Ἰουδαίᾳ ἀπὸ τῆς Σαμαρείτιδος, καὶ πάντα τὰ συγκυροῦντα αὐτοῖς πᾶσι τοῖς θυσιάζουσιν εἰς Ἱεροσόλυμα, ἀντὶ τῶν βασιλικῶν, ὧν ἐλάμβανεν ὁ βασιλεὺς παρ᾿ αὐτῶν τὸ πρότερον κατ᾿ ἐνιαυτὸν ἀπὸ τῶν γεννημάτων τῆς γῆς καὶ ἀπὸ τῶν ἀκροδρύων.
35Verder doen wij voor de toekomst afstand van al onze rechten op tienden en tollen, die voor ons zijn bestemd, en op de zoutvijvers en kroongelden, waarop wij aanspraak kunnen maken; van dit alles stellen we hen vrij.
35καὶ τὰ ἄλλα τὰ ἀνήκοντα ἡμῖν ἀπὸ τοῦ νῦν τῶν δεκατῶν καὶ τῶν τελῶν τῶν ἀνηκόντων ἡμῖν καὶ τὰς τοῦ ἁλὸς λίμνας καὶ τοὺς ἀνήκοντας ἡμῖν στεφάνους, πάντα ἐπαρκῶς παρίεμεν αὐτοῖς.
36En niets van dit alles zal worden ingetrokken, nu niet en nooit.
36καὶ οὐκ ἀθετηθήσεται οὐδὲ ἓν τούτων ἀπὸ τοῦ νῦν καὶ εἰς τὸν ἅπαντα χρόνον.
37Zorg er ook voor, hiervan een afschrift te laten maken en het Jonatan te geven; het moet worden aangebracht op een in het oog lopende plaats van de heilige berg.
37νῦν οὖν ἐπιμέλεσθε τοῦ ποιῆσαι τούτων ἀντίγραφον καὶ δοθήτω Ἰωνάθαν καὶ τεθήτω ἐν τῷ ὄρει τῷ ἁγίῳ ἐν τόπῳ ἐπισήμῳ’.
38Toen koning Demétrius zag, dat zijn land zich rustig hield en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen terug naar de plaatsen, waar zij vandaan kwamen, uitgezonderd de vreemde huurtroepen, die hij op de eilanden der heidenen had aangeworven. Daardoor kreeg hij heel het leger tegen zich, dat reeds onder zijn vaderen in dienst was geweest.
38Καὶ εἶδε Δημήτριος ὁ βασιλεὺς ὅτι ἡσύχασεν ἡ γῆ ἐνώπιον αὐτοῦ καὶ οὐδὲν αὐτῷ ἀνθειστήκει, καὶ ἀπέλυσε πάσας τὰς δυνάμεις αὐτοῦ ἕκαστον εἰς τὸν ἴδιον τόπον, πλὴν τῶν ξένων δυνάμεων, ὧν ἐξενολόγησεν ἀπὸ τῶν νήσων τῶν ἐθνῶν· καὶ ἤχθραναν αὐτῷ πᾶσαι αἱ δυνάμεις τῶν πατέρων αὐτοῦ.
39Toen Trúfon, een vroegere aanhanger van Alexander, dan ook zag, dat heel het leger tegen Demétrius mopperde, ging hij naar den Arabier Imalkoeë, die Antiochus, het zoontje van Alexander, opvoedde,
39Τρύφων δὲ ἦν τῶν παρὰ Ἀλέξάνδρου τὸ πρότερον καὶ εἶδεν ὅτι πᾶσαι αἱ δυνάμεις καταγογγύζουσι τοῦ Δημητρίου, καὶ ἐπορεύθη πρὸς Εἰμαλκουαὶ τὸν Ἄραβα, ὃς ἔτρεφε τὸν Ἀντίοχον τὸ παιδάριον τὸ τοῦ Ἀλεξάνδρου.
40en verzocht hem dringend, hem den knaap toe te vertrouwen, opdat deze in plaats van zijn vader zou kunnen regeren. Daarom deelde hij hem mede, welke maatregelen Demétrius had getroffen, en hoe hij daardoor zijn leger tegen zich had gekregen. Hij bleef daar lange tijd.
40καὶ προσήδρευεν αὐτῷ, ὅπως παραδοῖ αὐτὸν αὐτῷ, ὅπως βασιλεύσῃ ἀντὶ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ. καὶ ἀπήγγειλεν αὐτῷ ὅσα συνετέλεσε Δημήτριος καὶ τὴν ἔχθραν, ἣν ἐχθραίνουσιν αὐτῷ αἱ δυνάμεις αὐτοῦ, καὶ ἔμεινεν ἐκεῖ ἡμέρας πολλάς.
41Intussen had Jonatan bij koning Demétrius het verzoek laten indienen, om de burchtbezetting te Jerusalem met de troepen uit de overige vestingen terug te roepen, omdat zij Israël telkens aanvielen.
41καὶ ἀπέστειλεν Ἰωνάθαν πρὸς Δημήτριον τὸν βασιλέα, ἵνα ἐκβάλῃ τοὺς ἐκ τῆς ἄκρας ἐξ Ἱερουσαλὴμ καὶ τοὺς ἐν τοῖς ὀχυρώμασιν· ἦσαν γὰρ πολεμοῦντες τὸν Ἰσραήλ.
42Demétrius liet Jonatan antwoorden: Niet alleen deze gunst zal ik u en uw volk verlenen, maar tevens zal ik u en uw volk hoge eer bewijzen, zo gauw ik een goede gelegenheid daartoe vind.
42καὶ ἀπέστειλε Δημήτριος πρὸς Ἰωνάθαν λέγων· οὐ μόνον ταῦτα ποιήσω σοι καὶ τῷ ἔθνει σου, ἀλλὰ δόξῃ δοξάσω σε καὶ τὸ ἔθνος σου, ἐὰν εὐκαιρίας τύχω.
43Op het ogenblik echter, nu al mijn troepen mij in de steek hebben gelaten, doet gij beter, mij soldaten te sturen, die het voor mij opnemen.
43νῦν οὖν ὀρθῶς ποιήσεις ἀποστείλας μοι ἄνδρας, οἳ συμμαχήσουσιν, ὅτι ἀπέστησαν πᾶσαι αἱ δυνάμεις μου.
44Daarom zond Jonatan drieduizend dappere soldaten naar Antiochië. Toen dezen den koning hadden bereikt, was hij zeer verheugd over hun komst.
44καὶ ἀπέστειλεν Ἰωνάθαν ἄνδρας τρισχιλίους δυνατοὺς ἰσχύϊ αὐτῷ εἰς Ἀντιόχειαν, καὶ ἤλθοσαν πρὸς τὸν βασιλέα, καὶ ηὐφράνθη ὁ βασιλεὺς ἐπὶ τῇ ἐφόδῳ αὐτῶν.
45Want er waren juist in de stad honderd twintigduizend inwoners te hoop gelopen, die den koning wilden vermoorden.
45καὶ ἐπισυνήχθησαν οἱ ἐκ τῆς πόλεως εἰς μέσον τῆς πόλεως εἰς ἀνδρῶν δώδεκα μυριάδας ἀνδρῶν καὶ ἠβούλοντο ἀνελεῖν τὸν βασιλέα.
46De koning was in het paleis gevlucht, maar de inwoners hadden de straten van de stad bezet, en waren tot de aanval overgegaan.
46καὶ ἔφυγεν ὁ βασιλεὺς εἰς τὴν αὐλήν, καὶ κατελάβοντο οἱ ἐκ τῆς πόλεως τὰς διόδους τῆς πόλεως καὶ ἤρξαντο πολεμεῖν.
47Nu riep de koning de Joden te hulp, die zich als één man rondom hem schaarden. Zij verspreidden zich in de stad, en doodden op die dag ongeveer honderdduizend man.
47καὶ ἐκάλεσεν ὁ βασιλεὺς τοὺς Ἰουδαίους ἐπὶ βοήθειαν, καὶ ἐπισυνήχθησαν πρὸς αὐτὸν πάντες ἅμα καὶ διεσπάρησαν ἐν τῇ πόλει πάντες ἅμα καὶ ἀπέκτειναν ἐν τῇ πόλει ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ εἰς μυριάδας δέκα·
48Zij staken de stad in brand, veroverden die dag een grote buit, en hadden den koning gered.
48καὶ ἐνεπύρισαν τὴν πόλιν καὶ ἐλάβοσαν σκῦλα πολλὰ ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ καὶ ἔσωσαν τὸν βασιλέα.
49Toen nu de burgers zagen, hoe krachtig de Joden in de stad optraden en daar deden wat ze wilden, verloren zij de moed, en baden en smeekten den koning:
49καὶ εἶδον οἱ ἀπὸ τῆς πόλεως ὅτι κατεκράτησαν οἱ Ἰουδαῖοι τῆς πόλεως ὡς ἠβούλοντο, καὶ ἠσθένησαν ταῖς διανοίαις αὐτῶν καὶ ἐκέκραξαν πρὸς τὸν βασιλέα μετὰ δεήσεως λέγοντες·
50Reik ons de hand, en laat de Joden niet langer woeden tegen ons en tegen de stad.
50δὸς ἡμῖν δεξιὰς καὶ παυσάσθωσαν οἱ Ἰουδαῖοι πολεμοῦντες ἡμᾶς καὶ τὴν πόλιν.
51Zij legden de wapenen neer en sloten vrede. De Joden echter kwamen in hoog aanzien te staan bij den koning en al zijn onderdanen, en keerden met een grote buit naar Jerusalem terug.
51καὶ ἔρριψαν τὰ ὅπλα καὶ ἐποίησαν εἰρήνην καὶ ἐδοξάσθησαν οἱ Ἰουδαῖοι ἐναντίον τοῦ βασιλέως καὶ ἐνώπιον πάντων τῶν ἐν τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ καὶ ἐπέστρεψαν εἰς Ἱερουσαλὴμ ἔχοντες σκῦλα πολλά.
52Maar nauwelijks zat koning Demétrius weer vast op zijn troon, en was de rust in zijn rijk teruggekeerd,
52καὶ ἐκάθησε Δημήτριος ὁ βασιλεὺς ἐπὶ θρόνου τῆς βασιλείας αὐτοῦ, καὶ ἡσύχασεν ἡ γῆ ἐνώπιον αὐτοῦ.
53of hij schond alle beloften, die hij gezworen had, brak met Jonatan, en in plaats van hem de bewezen diensten te vergelden, onderdrukte hij hem heel erg.
53καὶ ἐψεύσατο πάντα, ὅσα εἶπε, καὶ ἠλλοτριώθη τῷ Ἰωνάθαν καὶ οὐκ ἀνταπέδωκε κατὰ τὰς εὐνοίας, ἃς ἀνταπέδωκεν αὐτῷ, καὶ ἔθλιβεν αὐτὸν σφόδρα.
54Enige tijd later keerde Trúfon terug met Antiochus, die nog een zeer jonge knaap was; hij stelde hem aan tot koning en kroonde hem.
54Μετὰ δὲ ταῦτα ἀπέστρεψε Τρύφων καὶ Ἀντίοχος μετ᾿ αὐτοῦ παιδάριον νεώτερον· καὶ ἐβασίλευσε καὶ ἐπέθετο διάδημα.
55En alle troepen, die door Demétrius waren afgedankt, sloten zich bij hem aan, en streden tegen Demétrius, die verslagen werd en moest vluchten.
55καὶ ἐπισυνήχθησαν πρὸς αὐτὸν πᾶσαι αἱ δυνάμεις, ἃς ἀπεσκόρπισε Δημήτριος, καὶ ἐπολέμησαν πρὸς αὐτόν, καὶ ἔφυγε καὶ ἐτροπώθη.
56Trúfon legde beslag op de olifanten, en veroverde Antiochië.
56καὶ ἔλαβε Τρύφων τὰ θηρία καὶ κατεκράτησεν Ἀντιοχείας.
57Toen liet de jonge Antiochus aan Jonatan schrijven:Ik handhaaf u als hogepriester en stel u aan over de vier gewesten; gij zult tot de vertrouwelingen van den koning behoren.
57καὶ ἔγραψεν Ἀντίοχος ὁ νεώτερος τῷ Ἰωνάθαν λέγων· ἵστημί σοι τὴν ἀρχιερωσύνην καὶ καθίστημί σε ἐπὶ τῶν τεσσάρων νομῶν καὶ εἶναί σε τῶν φίλων τοῦ βασιλέως.
58Tegelijkertijd zond hij hem een gouden tafelservies, en gaf hem verlof, uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen.
58καὶ ἀπέστειλεν αὐτῷ χρυσώματα καὶ διακονίαν καὶ ἔδωκεν αὐτῷ ἐξουσίαν πίνειν ἐν χρυσώμασι καὶ εἶναι ἐν πορφύρᾳ καὶ ἔχειν πόρπην χρυσῆν·
59Zijn broer Sjimon stelde hij aan tot veldheer over het gebied tussen de Tyrustrap en de grenzen van Egypte.
59καὶ Σίμωνα τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ κατέστησε στρατηγὸν ἀπὸ τῆς κλίμακος Τύρου ἕως τῶν ὁρίων Αἰγύπτου.
60Nu rukte Jonatan op, en trok door het gebied en de steden aan deze zijde van de Rivier, waar het gehele syrische leger zich bij hem aansloot, om hem te steunen. Hij ging het eerst naar Asjkalon, waar de bevolking hem met eerbewijzen ontving.
60καὶ ἐξῆλθεν Ἰωνάθαν καὶ διεπορεύετο πέραν τοῦ ποταμοῦ καὶ ἐν ταῖς πόλεσι, καὶ ἠθροίσθησαν πρὸς αὐτὸν πᾶσαι αἱ δυνάμεις Συρίας εἰς συμμαχίαν, καὶ ἦλθεν εἰς Ἀσκάλωνα, καὶ ἀπήντησαν αὐτῷ οἱ ἐκ τῆς πόλεως ἐνδόξως.
61Vervolgens trok hij naar Gaza. Daar echter de inwoners van Gaza hun poorten sloten, belegerde hij de stad, stak het omliggende gebied in brand en plunderde het uit.
61καὶ ἀπῆλθεν ἐκεῖθεν εἰς Γάζαν, καὶ ἀπέκλεισαν οἱ ἀπὸ Γάζης, καὶ περιεκάθισε περὶ αὐτὴν καὶ ἐνεπύρισε τὰ περιπόλια αὐτῆς πυρὶ καὶ ἐσκύλευσεν αὐτά.
62Toen smeekten Gaza's inwoners Jonatan om vrede, en hij ging er op in; maar hij nam de zonen van de voornaamste burgers als gijzelaars, en zond hen naar Jerusalem. Daarna doorkruiste hij het land tot Damascus toe.
62καὶ ἠξίωσαν οἱ ἀπὸ Γάζης τὸν Ἰωνάθαν, καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς δεξιὰς καὶ ἔλαβε τοὺς υἱοὺς ἀρχόντων αὐτῶν εἰς ὅμηρα καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς εἰς Ἱερουσαλήμ· καὶ διῆλθε τὴν χώραν ἕως Δαμασκοῦ.
63Maar toen Jonatan hoorde, dat de bevelhebbers van Demétrius met een groot leger bij Kadesj in Galilea waren gelegerd, en besloten hadden, hem ten val te brengen,
63καὶ ἤκουσεν Ἰωνάθαν ὅτι παρῆσαν οἱ ἄρχοντες Δημητρίου εἰς Κάδης τὴν ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ μετὰ δυνάμεως πολλῆς βουλόμενοι μεταστῆσαι αὐτὸν τῆς χρείας.
64trok hij hun tegemoet. Hij liet echter zijn broer Sjimon in het land achter.
64καὶ συνήντησεν αὐτοῖς, τὸν δὲ ἀδελφὸν αὐτοῦ Σίμωνα κατέλιπεν ἐν τῇ χώρᾳ.
65Nu sloeg Sjimon zijn kamp op bij Bet-Soer, belegerde de stad lange tijd en sloot haar in,
65καὶ παρενέβαλε Σίμων ἐπὶ Βαιθσούρᾳ καὶ ἐπολέμει αὐτὴν ἡμέρας πολλὰς καὶ συνέκλεισεν αὐτήν.
66totdat men hem eindelijk om vrede bad. Hij sloot vrede met hen, maar dwong ze toch de stad te verlaten, die hij in bezit nam, en waar hij een bezetting in legde.
66καὶ ἠξίωσαν αὐτὸν τοῦ δεξιὰς λαβεῖν, καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς· καὶ ἐξέβαλεν αὐτοὺς ἐκεῖθεν καὶ κατελάβετο τὴν πόλιν καὶ ἔθετο ἐπ᾿ αὐτῇ φρουράν.
67Ondertussen was Jonatan met zijn troepen bij het meer van Gennezaret gelegerd.
67καὶ Ἰωνάθαν καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ παρενέβαλον ἐπὶ τὸ ὕδωρ Γεννησάρ, καὶ ὤρθρισαν τὸ πρωΐ εἰς τὸ πεδίον Νασώρ.
68Toen zij nu op een vroege morgen de vlakte van Chasor introkken, kwamen er eensklaps vreemde huurtroepen in de vlakte op hen af. Deze stormden nu recht op hem aan, maar hadden ook een hinderlaag in de bergen gelegd.
68καὶ ἰδοὺ παρεμβολὴ ἀλλοφύλων ἀπήντα αὐτῷ ἐν τῷ πεδίῳ καὶ ἐξέβαλον ἔνεδρον ἐπ᾿ αὐτὸν ἐν τοῖς ὄρεσιν, αὐτοὶ δὲ ἀπήντησαν ἐξεναντίας.
69Nu sprongen dus ook de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats te voorschijn en grepen in.
69τὰ δὲ ἔνεδρα ἐξανέστησαν ἐκ τῶν τόπων αὐτῶν καὶ συνῆψαν πόλεμον. καὶ ἔφυγον οἱ παρὰ Ἰωνάθαν πάντες,
70Het gehele leger van Jonatan sloeg op de vlucht; niet één van hen hield stand, behalve de legeraanvoerders Mattitja, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfai.
70οὐδὲ εἷς κατελείφθη ἀπ᾿ αὐτῶν, πλὴν Ματταθίας ὁ τοῦ Ἀβεσσαλώμου καὶ Ἰούδας ὁ τοῦ Χαλφὶ ἄρχοντες τῆς στρατιᾶς τῶν δυνάμεων.
71Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide as op zijn hoofd en begon te bidden.
71καὶ διέρρηξεν Ἰωνάθαν τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καὶ ἐπέθετο γῆν ἐπὶ τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ προσηύξατο.
72Daarop begon hij de aanval opnieuw, en bracht hun zulke slagen toe, dat zij de vlucht moesten nemen.
72καὶ ὑπέστρεψε πρὸς αὐτοὺς πολέμῳ καὶ ἐτροπώσατο αὐτούς, καὶ ἔφυγον.
73Zodra zijn eigen vluchtelingen dit zagen, keerden zij terug, sloten zich weer bij hem aan, en zetten ze na tot Kadesj, waar hun legerplaats lag. Daar hielden zij halt.
73καὶ εἶδον οἱ φεύγοντες οἱ παρ᾿ αὐτοῦ καὶ ἐπέστρεψαν πρὸς αὐτὸν καὶ ἐδίωκον μετ᾿ αὐτοῦ ἕως Κάδης ἕως τῆς παρεμβολῆς αὐτῶν καὶ παρενέβαλον ἐκεῖ.
74Die dag waren er ongeveer drieduizend heidenen gevallen. Hierop keerde Jonatan naar Jerusalem terug.
74καὶ ἔπεσον ἐκ τῶν ἀλλοφύλων ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ εἰς ἄνδρας τρισχιλίους. καὶ ἐπέστρεψεν Ἰωνάθαν εἰς Ἱερουσαλήμ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.