1 Makkabeeen 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Intussen had de koning van Egypte een leger, bijeengebracht zo talrijk als het zand aan het strand van de zee, en een grote vloot bovendien. Hij was van plan, zich op listige wijze meester te maken van het rijk van koning Alexander, en het in te lijven bij zijn rijk.
1And the king of Egypt gathered together a great host, like the sand that lieth upon the sea shore, and many ships, and went about through deceit to get Alexander’s kingdom, and join it to his own.
2Onder het masker van vrede trok hij Syrië in, waar de inwoners de steden voor hem openstelden en hem welkom heetten; want koning Alexander had bevel gegeven, hem welkom te heten, omdat hij zijn schoonvader was.
2Whereupon he took his journey into Spain in peaceable manner, so as they of the cities opened unto him, and met him: for king Alexander had commanded them so to do, because he was his brother in law.
3Maar telkens wanneer Ptoleméus een stad was binnengetrokken, liet hij er een afdeling soldaten als bezetting achter.
3Now as Ptolemee entered into the cities, he set in every one of them a garrison of soldiers to keep it.
4Toen hij Asjdod had bereikt, wees men hem op de afgebrande tempel van Dagon, op de puinhopen van Asjdod en van het omliggende gebied, en op de lijken van hen, die in de oorlog waren verbrand en nu langs de weg lagen opgestapeld.
4And when he came near to Azotus, they shewed him the temple of Dagon that was burnt, and Azotus and the suburbs thereof that were destroyed, and the bodies that were cast abroad and them that he had burnt in the battle; for they had made heaps of them by the way where he should pass.
5Ook vertelde men den koning, wat Jonatan zou hebben gedaan, om hem te kleineren; maar de koning zweeg.
5Also they told the king whatsoever Jonathan had done, to the intent he might blame him: but the king held his peace.
6Jonatan trok nu naar Jóppe met grote praal, om den koning welkom te heten. Zij begroetten elkander en overnachtten daar.
6Then Jonathan met the king with great pomp at Joppa, where they saluted one another, and lodged.
7Daarna begeleidde Jonatan den koning tot aan de rivier de Eleúterus, en keerde toen naar Jerusalem terug.
7Afterward Jonathan, when he had gone with the king to the river called Eleutherus, returned again to Jerusalem.
8Zo maakte koning Ptoleméus zich van de kuststeden meester tot aan Seleúcië, aan de zee. En daar hij vijandige plannen tegen Alexander beraamde,
8King Ptolemee therefore, having gotten the dominion of the cities by the sea unto Seleucia upon the sea coast, imagined wicked counsels against Alexander.
9zond hij een gezantschap naar koning Demétrius, en deed hem het voorstel: Kom, laat ons een bondgenootschap sluiten. Ik zal u mijn dochter geven, de vrouw van Alexander, en dan zult gij koning worden over het rijk van uw vader.
9Whereupon he sent ambasadors unto king Demetrius, saying, Come, let us make a league betwixt us, and I will give thee my daughter whom Alexander hath, and thou shalt reign in thy father’s kingdom:
10Want het spijt me, dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij pogingen heeft gedaan, om mij te vermoorden.
10For I repent that I gave my daughter unto him, for he sought to slay me.
11Zo belasterde hij hem, daar hij zijn koninkrijk wenste.
11Thus did he slander him, because he was desirous of his kingdom.
12Hij ontnam hem zijn dochter, en gaf haar aan Demétrius. Zo brak hij met Alexander, en werden zij openlijk vijanden.
12Wherefore he took his daughter from him, and gave her to Demetrius, and forsook Alexander, so that their hatred was openly known.
13Ptoleméus trok Antiochië binnen, en zette zich de kroon van Azië op het hoofd, zodat hij nu twee kronen droeg, namelijk die van Egypte en Azië.
13Then Ptolemee entered into Antioch, where he set two crowns upon his head, the crown of Asia, and of Egypt.
14Koning Alexander bevond zich toen in Cilicië, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen.
14In the mean season was king Alexander in Cilicia, because those that dwelt in those parts had revolted from him.
15Maar zodra Alexander dit hoorde, trok hij tegen hem ten strijde. Ook Ptoleméus rukte uit, trok hem met een machtig leger tegemoet en versloeg hem.
15But when Alexander heard of this, he came to war against him: whereupon king Ptolemee brought forth his host, and met him with a mighty power, and put him to flight.
16Alexander vluchtte naar Arabië, om daar veilig te zijn; en zo behield koning Ptoleméus de overhand.
16So Alexander fled into Arabia there to be defended; but king Ptolemee was exalted:
17Maar de Arabier Zabdiël sloeg Alexander het hoofd af, en zond het naar Ptoleméus.
17For Zabdiel the Arabian took off Alexander’s head, and sent it unto Ptolemee.
18Drie dagen later stierf koning Ptoleméus zelf; daarop werden de soldaten, waarmee hij zijn vestingen had bezet, door de inwoners vermoord.
18King Ptolemee also died the third day after, and they that were in the strong holds were slain one of another.
19Zo kwam Demétrius in het jaar aan de regering.
19By this means Demetrius reigned in the hundred threescore and seventh year.
20In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea op, om de burcht van Jerusalem te belegeren. Toen hij reeds veel belegeringswerktuigen had laten opstellen,
20At the same time Jonathan gathered together them that were in Judea to take the tower that was in Jerusalem: and he made many engines of war against it.
21gingen enkele afvalligen, die hun volk haatten, naar den koning, en berichtten hem, dat Jonatan de burcht belegerde.
21Then came ungodly persons, who hated their own people, went unto the king, and told him that Jonathan besieged the tower,
22Bij het bericht hiervan ontstak de koning in woede; hij reisde terstond naar Ptolemáis, en zond Jonatan een schriftelijk bevel, de belegering te staken en hem zo spoedig mogelijk in Ptolemáis te ontmoeten voor een onderhoud.
22Whereof when he heard, he was angry, and immediately removing, he came to Ptolemais, and wrote unto Jonathan, that he should not lay siege to the tower, but come and speak with him at Ptolemais in great haste.
23Toch liet Jonatan ondanks het bevel de belegering voortzetten. Maar hij koos enkele oudsten van Israël en priesters uit, om met hen het gevaar te trotseren.
23Nevertheless Jonathan, when he heard this, commanded to besiege it still: and he chose certain of the elders of Israel and the priests, and put himself in peril;
24Hij nam zilver en goud mee, gewaden en veel andere geschenken, ging naar den koning in Ptolemáis, en wist diens gunst daar te winnen.
24And took silver and gold, and raiment, and divers presents besides, and went to Ptolemais unto the king, where he found favour in his sight.
25Wel klaagden enige afvalligen uit het volk hem aan,
25And though certain ungodly men of the people had made complaints against him,
26maar de koning behandelde hem evenals zijn voorgangers, en bewees hem veel eer ten overstaan van al zijn vrienden.
26Yet the king entreated him as his predecessors had done before, and promoted him in the sight of all his friends,
27Ook bekrachtigde hij zijn aanstelling als hogepriester, handhaafde al de andere waardigheden, die hij vroeger had ontvangen, en liet hem onder zijn eerste vertrouwelingen opnemen.
27And confirmed him in the high priesthood, and in all the honours that he had before, and gave him preeminence among his chief friends.
28Daarom deed Jonatan den koning het verzoek, om Judea en de drie gewesten van Samaria van belasting te ontheffen, en beloofde hem in plaats daarvan driehonderd talenten.
28Then Jonathan desired the king, that he would make Judea free from tribute, as also the three governments, with the country of Samaria; and he promised him three hundred talents.
29De koning willigde het in, en liet over al deze punten de volgende oorkonde voor Jonatan opstellen:
29So the king consented, and wrote letters unto Jonathan of all these things after this manner:
30Koning Demétrius aan zijn broeder Jonatan en het volk der Joden: heil!
30King Demetrius unto his brother Jonathan, and unto the nation of the Jews, sendeth greeting:
31Om u in eens op de hoogte te stellen, zenden wij ook aan u een afschrift van de brief, die wij aan Lástenes, onzen bloedverwant, over u hebben geschreven:
31We send you here a copy of the letter which we did write unto our cousin Lasthenes concerning you, that ye might see it.
32Koning Demétrius aan vader Lástenes: heil!
32King Demetrius unto his father Lasthenes sendeth greeting:
33Wij hebben besloten, voor het volk der Joden, dat onze vriend is, en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, als loon voor zijn goede gezindheid jegens ons, een gunstige regeling te treffen.
33We are determined to do good to the people of the Jews, who are our friends, and keep covenants with us, because of their good will toward us.
34Wij staan aan hen af het gebied van Judea en van de drie gewesten Efraïm, Lúdda, en Ramatáim die aan Samaria worden onttrokken, en in hun volle omvang bij Judea worden ingelijfd. Bovendien geven wij aan allen, die in Jerusalem offeren, vrijstelling van de jaarlijkse belastingen, die de koning voorheen op hun veld- en boomvruchten hief.
34Wherefore we have ratified unto them the borders of Judea, with the three governments of Apherema and Lydda and Ramathem, that are added unto Judea from the country of Samaria, and all things appertaining unto them, for all such as do sacrifice in Jerusalem, instead of the payments which the king received of them yearly aforetime out of the fruits of the earth and of trees.
35Verder doen wij voor de toekomst afstand van al onze rechten op tienden en tollen, die voor ons zijn bestemd, en op de zoutvijvers en kroongelden, waarop wij aanspraak kunnen maken; van dit alles stellen we hen vrij.
35And as for other things that belong unto us, of the tithes and customs pertaining unto us, as also the saltpits, and the crown taxes, which are due unto us, we discharge them of them all for their relief.
36En niets van dit alles zal worden ingetrokken, nu niet en nooit.
36And nothing hereof shall be revoked from this time forth for ever.
37Zorg er ook voor, hiervan een afschrift te laten maken en het Jonatan te geven; het moet worden aangebracht op een in het oog lopende plaats van de heilige berg.
37Now therefore see that thou make a copy of these things, and let it be delivered unto Jonathan, and set upon the holy mount in a conspicuous place.
38Toen koning Demétrius zag, dat zijn land zich rustig hield en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen terug naar de plaatsen, waar zij vandaan kwamen, uitgezonderd de vreemde huurtroepen, die hij op de eilanden der heidenen had aangeworven. Daardoor kreeg hij heel het leger tegen zich, dat reeds onder zijn vaderen in dienst was geweest.
38After this, when king Demetrius saw that the land was quiet before him, and that no resistance was made against him, he sent away all his forces, every one to his own place, except certain bands of strangers, whom he had gathered from the isles of the heathen: wherefore all the forces of his fathers hated him.
39Toen Trúfon, een vroegere aanhanger van Alexander, dan ook zag, dat heel het leger tegen Demétrius mopperde, ging hij naar den Arabier Imalkoeë, die Antiochus, het zoontje van Alexander, opvoedde,
39Moreover there was one Tryphon, that had been of Alexander’s part afore, who, seeing that all the host murmured against Demetrius, went to Simalcue the Arabian that brought up Antiochus the young son of Alexander,
40en verzocht hem dringend, hem den knaap toe te vertrouwen, opdat deze in plaats van zijn vader zou kunnen regeren. Daarom deelde hij hem mede, welke maatregelen Demétrius had getroffen, en hoe hij daardoor zijn leger tegen zich had gekregen. Hij bleef daar lange tijd.
40And lay sore upon him to deliver him this young Antiochus, that he might reign in his father’s stead: he told him therefore all that Demetrius had done, and how his men of war were at enmity with him, and there he remained a long season.
41Intussen had Jonatan bij koning Demétrius het verzoek laten indienen, om de burchtbezetting te Jerusalem met de troepen uit de overige vestingen terug te roepen, omdat zij Israël telkens aanvielen.
41In the mean time Jonathan sent unto king Demetrius, that he would cast those of the tower out of Jerusalem, and those also in the fortresses: for they fought against Israel.
42Demétrius liet Jonatan antwoorden: Niet alleen deze gunst zal ik u en uw volk verlenen, maar tevens zal ik u en uw volk hoge eer bewijzen, zo gauw ik een goede gelegenheid daartoe vind.
42So Demetrius sent unto Jonathan, saying, I will not only do this for thee and thy people, but I will greatly honour thee and thy nation, if opportunity serve.
43Op het ogenblik echter, nu al mijn troepen mij in de steek hebben gelaten, doet gij beter, mij soldaten te sturen, die het voor mij opnemen.
43Now therefore thou shalt do well, if thou send me men to help me; for all my forces are gone from me.
44Daarom zond Jonatan drieduizend dappere soldaten naar Antiochië. Toen dezen den koning hadden bereikt, was hij zeer verheugd over hun komst.
44Upon this Jonathan sent him three thousand strong men unto Antioch: and when they came to the king, the king was very glad of their coming.
45Want er waren juist in de stad honderd twintigduizend inwoners te hoop gelopen, die den koning wilden vermoorden.
45Howbeit they that were of the city gathered themselves together into the midst of the city, to the number of an hundred and twenty thousand men, and would have slain the king.
46De koning was in het paleis gevlucht, maar de inwoners hadden de straten van de stad bezet, en waren tot de aanval overgegaan.
46Wherefore the king fled into the court, but they of the city kept the passages of the city, and began to fight.
47Nu riep de koning de Joden te hulp, die zich als één man rondom hem schaarden. Zij verspreidden zich in de stad, en doodden op die dag ongeveer honderdduizend man.
47Then the king called to the Jews for help, who came unto him all at once, and dispersing themselves through the city slew that day in the city to the number of an hundred thousand.
48Zij staken de stad in brand, veroverden die dag een grote buit, en hadden den koning gered.
48Also they set fire on the city, and gat many spoils that day, and delivered the king.
49Toen nu de burgers zagen, hoe krachtig de Joden in de stad optraden en daar deden wat ze wilden, verloren zij de moed, en baden en smeekten den koning:
49So when they of the city saw that the Jews had got the city as they would, their courage was abated: wherefore they made supplication to the king, and cried, saying,
50Reik ons de hand, en laat de Joden niet langer woeden tegen ons en tegen de stad.
50Grant us peace, and let the Jews cease from assaulting us and the city.
51Zij legden de wapenen neer en sloten vrede. De Joden echter kwamen in hoog aanzien te staan bij den koning en al zijn onderdanen, en keerden met een grote buit naar Jerusalem terug.
51With that they cast away their weapons, and made peace; and the Jews were honoured in the sight of the king, and in the sight of all that were in his realm; and they returned to Jerusalem, having great spoils.
52Maar nauwelijks zat koning Demétrius weer vast op zijn troon, en was de rust in zijn rijk teruggekeerd,
52So king Demetrius sat on the throne of his kingdom, and the land was quiet before him.
53of hij schond alle beloften, die hij gezworen had, brak met Jonatan, en in plaats van hem de bewezen diensten te vergelden, onderdrukte hij hem heel erg.
53Nevertheless he dissembled in all that ever he spake, and estranged himself from Jonathan, neither rewarded he him according to the benefits which he had received of him, but troubled him very sore.
54Enige tijd later keerde Trúfon terug met Antiochus, die nog een zeer jonge knaap was; hij stelde hem aan tot koning en kroonde hem.
54After this returned Tryphon, and with him the young child Antiochus, who reigned, and was crowned.
55En alle troepen, die door Demétrius waren afgedankt, sloten zich bij hem aan, en streden tegen Demétrius, die verslagen werd en moest vluchten.
55Then there gathered unto him all the men of war, whom Demetrius had put away, and they fought against Demetrius, who turned his back and fled.
56Trúfon legde beslag op de olifanten, en veroverde Antiochië.
56Moreover Tryphon took the elephants, and won Antioch.
57Toen liet de jonge Antiochus aan Jonatan schrijven:Ik handhaaf u als hogepriester en stel u aan over de vier gewesten; gij zult tot de vertrouwelingen van den koning behoren.
57At that time young Antiochus wrote unto Jonathan, saying, I confirm thee in the high priesthood, and appoint thee ruler over the four governments, and to be one of the king’s friends.
58Tegelijkertijd zond hij hem een gouden tafelservies, en gaf hem verlof, uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen.
58Upon this he sent him golden vessels to be served in, and gave him leave to drink in gold, and to be clothed in purple, and to wear a golden buckle.
59Zijn broer Sjimon stelde hij aan tot veldheer over het gebied tussen de Tyrustrap en de grenzen van Egypte.
59His brother Simon also he made captain from the place called The ladder of Tyrus unto the borders of Egypt.
60Nu rukte Jonatan op, en trok door het gebied en de steden aan deze zijde van de Rivier, waar het gehele syrische leger zich bij hem aansloot, om hem te steunen. Hij ging het eerst naar Asjkalon, waar de bevolking hem met eerbewijzen ontving.
60Then Jonathan went forth, and passed through the cities beyond the water, and all the forces of Syria gathered themselves unto him for to help him: and when he came to Ascalon, they of the city met him honourably.
61Vervolgens trok hij naar Gaza. Daar echter de inwoners van Gaza hun poorten sloten, belegerde hij de stad, stak het omliggende gebied in brand en plunderde het uit.
61From whence he went to Gaza, but they of Gaza shut him out; wherefore he laid siege unto it, and burned the suburbs thereof with fire, and spoiled them.
62Toen smeekten Gaza's inwoners Jonatan om vrede, en hij ging er op in; maar hij nam de zonen van de voornaamste burgers als gijzelaars, en zond hen naar Jerusalem. Daarna doorkruiste hij het land tot Damascus toe.
62Afterward, when they of Gaza made supplication unto Jonathan, he made peace with them, and took the sons of their chief men for hostages, and sent them to Jerusalem, and passed through the country unto Damascus.
63Maar toen Jonatan hoorde, dat de bevelhebbers van Demétrius met een groot leger bij Kadesj in Galilea waren gelegerd, en besloten hadden, hem ten val te brengen,
63Now when Jonathan heard that Demetrius’ princes were come to Cades, which is in Galilee, with a great power, purposing to remove him out of the country,
64trok hij hun tegemoet. Hij liet echter zijn broer Sjimon in het land achter.
64He went to meet them, and left Simon his brother in the country.
65Nu sloeg Sjimon zijn kamp op bij Bet-Soer, belegerde de stad lange tijd en sloot haar in,
65Then Simon encamped against Bethsura and fought against it a long season, and shut it up:
66totdat men hem eindelijk om vrede bad. Hij sloot vrede met hen, maar dwong ze toch de stad te verlaten, die hij in bezit nam, en waar hij een bezetting in legde.
66But they desired to have peace with him, which he granted them, and then put them out from thence, and took the city, and set a garrison in it.
67Ondertussen was Jonatan met zijn troepen bij het meer van Gennezaret gelegerd.
67As for Jonathan and his host, they pitched at the water of Gennesar, from whence betimes in the morning they gat them to the plain of Nasor.
68Toen zij nu op een vroege morgen de vlakte van Chasor introkken, kwamen er eensklaps vreemde huurtroepen in de vlakte op hen af. Deze stormden nu recht op hem aan, maar hadden ook een hinderlaag in de bergen gelegd.
68And, behold, the host of strangers met them in the plain, who, having laid men in ambush for him in the mountains, came themselves over against him.
69Nu sprongen dus ook de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats te voorschijn en grepen in.
69So when they that lay in ambush rose out of their places and joined battle, all that were of Jonathan’s side fled;
70Het gehele leger van Jonatan sloeg op de vlucht; niet één van hen hield stand, behalve de legeraanvoerders Mattitja, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfai.
70Insomuch as there was not one of them left, except Mattathias the son of Absalom, and Judas the son of Calphi, the captains of the host.
71Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide as op zijn hoofd en begon te bidden.
71Then Jonathan rent his clothes, and cast earth upon his head, and prayed.
72Daarop begon hij de aanval opnieuw, en bracht hun zulke slagen toe, dat zij de vlucht moesten nemen.
72Afterwards turning again to battle, he put them to flight, and so they ran away.
73Zodra zijn eigen vluchtelingen dit zagen, keerden zij terug, sloten zich weer bij hem aan, en zetten ze na tot Kadesj, waar hun legerplaats lag. Daar hielden zij halt.
73Now when his own men that were fled saw this, they turned again unto him, and with him pursued them to Cades, even unto their own tents, and there they camped.
74Die dag waren er ongeveer drieduizend heidenen gevallen. Hierop keerde Jonatan naar Jerusalem terug.
74So there were slain of the heathen that day about three thousand men: but Jonathan returned to Jerusalem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.