Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken,
1Then took Gorgias five thousand footmen, and a thousand of the best horsemen, and removed out of the camp by night;
2om het kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit de burcht zouden hem de weg wijzen.
2To the end he might rush in upon the camp of the Jews, and smite them suddenly. And the men of the fortress were his guides.
3Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag, een slag toebrengen,
3Now when Judas heard thereof he himself removed, and the valiant men with him, that he might smite the king’s army which was at Emmaus,
4terwijl de andere troep nog ver van de legerplaats was verspreid.
4While as yet the forces were dispersed from the camp.
5Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht!
5In the mean season came Gorgias by night into the camp of Judas: and when he found no man there, he sought them in the mountains: for said he, These fellows flee from us
6In alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad,
6But as soon as it was day, Judas shewed himself in the plain with three thousand men, who nevertheless had neither armour nor swords to their minds.
7nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de flank, en met geschoolde soldaten.
7And they saw the camp of the heathen, that it was strong and well harnessed, and compassed round about with horsemen; and these were expert of war.
8Maar Judas sprak tot zijn mannen: Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan komen stormen.
8Then said Judas to the men that were with him, Fear ye not their multitude, neither be ye afraid of their assault.
9Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde.
9Remember how our fathers were delivered in the Red sea, when Pharaoh pursued them with an army.
10Roepen wij thans de Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt, en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt.
10Now therefore let us cry unto heaven, if peradventure the Lord will have mercy upon us, and remember the covenant of our fathers, and destroy this host before our face this day:
11Dan zal de hele wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding brengt!
11That so all the heathen may know that there is one who delivereth and saveth Israel.
12Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken,
12Then the strangers lifted up their eyes, and saw them coming over against them.
13verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van Judas op de trompetten bliezen,
13Wherefore they went out of the camp to battle; but they that were with Judas sounded their trumpets.
14stormde men op elkander in. De heidenen werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte.
14So they joined battle, and the heathen being discomfited fled into the plain.
15Die achteraan kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van hen ongeveer drieduizend man.
15Howbeit all the hindmost of them were slain with the sword: for they pursued them unto Gazera, and unto the plains of Idumea, and Azotus, and Jamnia, so that there were slain of them upon a three thousand men.
16Nadat Judas met zijn leger van de achtervolging was teruggekeerd,
16This done, Judas returned again with his host from pursuing them,
17sprak hij tot het volk: Begeert thans geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten.
17And said to the people, Be not greedy of the spoil inasmuch as there is a battle before us,
18Want Górgias staat vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt.
18And Gorgias and his host are here by us in the mountain: but stand ye now against our enemies, and overcome them, and after this ye may boldly take the spoils.
19Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het gebergte te voorschijn komen.
19As Judas was yet speaking these words, there appeared a part of them looking out of the mountain:
20Maar die begrepen terstond, dat zij de nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was.
20Who when they perceived that the Jews had put their host to flight and were burning the tents; for the smoke that was seen declared what was done:
21Bij deze ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in de vlakte voor de aanval gereed stond,
21When therefore they perceived these things, they were sore afraid, and seeing also the host of Judas in the plain ready to fight,
22sloegen ze allen op de vlucht naar het land der Filistijnen.
22They fled every one into the land of strangers.
23Nu eerst trok Judas op de legerplaats af, om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden.
23Then Judas returned to spoil the tents, where they got much gold, and silver, and blue silk, and purple of the sea, and great riches.
24En op de terugtocht zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: “Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
24After this they went home, and sung a song of thanksgiving, and praised the Lord in heaven: because it is good, because his mercy endureth forever.
25Want die dag was Israël een grote redding geschonken.
25Thus Israel had a great deliverance that day.
26De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was.
26Now all the strangers that had escaped came and told Lysias what had happened:
27Deze berichten brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen.
27Who, when he heard thereof, was confounded and discouraged, because neither such things as he would were done unto Israel, nor such things as the king commanded him were come to pass.
28Daarom wierf hij het volgende jaar een leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om voor goed met hen af te rekenen.
28The next year therefore following Lysias gathered together threescore thousand choice men of foot, and five thousand horsemen, that he might subdue them.
29Zij rukten Idumea binnen, en sloegen hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
29So they came into Idumea, and pitched their tents at Bethsura, and Judas met them with ten thousand men.
30Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak: Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens wapendrager.
30And when he saw that mighty army, he prayed and said, Blessed art thou, O Saviour of Israel, who didst quell the violence of the mighty man by the hand of thy servant David, and gavest the host of strangers into the hands of Jonathan the son of Saul, and his armourbearer;
31Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij.
31Shut up this army in the hand of thy people Israel, and let them be confounded in their power and horsemen:
32Jaag ze de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun nederlaag,
32Make them to be of no courage, and cause the boldness of their strength to fall away, and let them quake at their destruction:
33en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen!
33Cast them down with the sword of them that love thee, and let all those that know thy name praise thee with thanksgiving.
34Daarna stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van Lúsias' leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten.
34So they joined battle; and there were slain of the host of Lysias about five thousand men, even before them were they slain.
35Toen Lúsias de nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van Judas' troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn.
35Now when Lysias saw his army put to flight, and the manliness of Judas’ soldiers, and how they were ready either to live or die valiantly, he went into Antiochia, and gathered together a company of strangers, and having made his army greater than it was, he purposed to come again into Judea.
36Nu spraken Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden.
36Then said Judas and his brethren, Behold, our enemies are discomfited: let us go up to cleanse and dedicate the sanctuary.
37En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg.
37Upon this all the host assembled themselves together, and went up into mount Sion.
38Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op een van de bergen, en de zijvertrekken vernield:
38And when they saw the sanctuary desolate, and the altar profaned, and the gates burned up, and shrubs growing in the courts as in a forest, or in one of the mountains, yea, and the priests’ chambers pulled down;
39scheurden zij hun klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as,
39They rent their clothes, and made great lamentation, and cast ashes upon their heads,
40wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten hemel.
40And fell down flat to the ground upon their faces, and blew an alarm with the trumpets, and cried toward heaven.
41Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd.
41Then Judas appointed certain men to fight against those that were in the fortress, until he had cleansed the sanctuary.
42Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan de wet;
42So he chose priests of blameless conversation, such as had pleasure in the law:
43en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het afgodsaltaar op een onreine plaats.
43Who cleansed the sanctuary, and bare out the defiled stones into an unclean place.
44Daarna beraadslaagden zij, wat ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen;
44And when as they consulted what to do with the altar of burnt offerings, which was profaned;
45en ze kwamen op de goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar af,
45They thought it best to pull it down, lest it should be a reproach to them, because the heathen had defiled it: wherefore they pulled it down,
46maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg, totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest gebeuren.
46And laid up the stones in the mountain of the temple in a convenient place, until there should come a prophet to shew what should be done with them.
47Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige.
47Then they took whole stones according to the law, and built a new altar according to the former;
48Daarna herstelden ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven in.
48And made up the sanctuary, and the things that were within the temple, and hallowed the courts.
49Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel in de tempel,
49They made also new holy vessels, and into the temple they brought the candlestick, and the altar of burnt offerings, and of incense, and the table.
50lieten wierook branden op het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de tempel weer verlichtten,
50And upon the altar they burned incense, and the lamps that were upon the candlestick they lighted, that they might give light in the temple.
51legden de broden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden voltooid,
51Furthermore they set the loaves upon the table, and spread out the veils, and finished all the works which they had begun to make.
52brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148,
52Now on the five and twentieth day of the ninth month, which is called the month Casleu, in the hundred forty and eighth year, they rose up betimes in the morning,
53een offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar.
53And offered sacrifice according to the law upon the new altar of burnt offerings, which they had made.
54Het was juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers, harpen en cymbalen.
54Look, at what time and what day the heathen had profaned it, even in that was it dedicated with songs, and citherns, and harps, and cymbals.
55En heel het volk viel in aanbidding neer, en loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken.
55Then all the people fell upon their faces, worshipping and praising the God of heaven, who had given them good success.
56Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten.
56And so they kept the dedication of the altar eight days and offered burnt offerings with gladness, and sacrificed the sacrifice of deliverance and praise.
57Ze versierden de tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en zijvertrekken, en zetten de deuren erin.
57They decked also the forefront of the temple with crowns of gold, and with shields; and the gates and the chambers they renewed, and hanged doors upon them.
58En er heerste een grote vreugde onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen.
58Thus was there very great gladness among the people, for that the reproach of the heathen was put away.
59Daarom nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag van de maand Kislew.
59Moreover Judas and his brethren with the whole congregation of Israel ordained, that the days of the dedication of the altar should be kept in their season from year to year by the space of eight days, from the five and twentieth day of the month Casleu, with mirth and gladness.
60Tegelijkertijd begonnen ze met de aanleg van hoge ringmuren en zware torens rond de berg Sion, om te verhinderen dat de heidenen het heiligdom zouden binnendringen en het evenals vroeger vernielen;
60At that time also they builded up the mount Sion with high walls and strong towers round about, lest the Gentiles should come and tread it down as they had done before.
61hij legde er een bezetting in, om ze te bewaken. Bovendien versterkte hij Bet-Soer tot een verdedigingspost, om de bevolking tegen Iduméa te beschermen.
61And they set there a garrison to keep it, and fortified Bethsura to preserve it; that the people might have a defence against Idumea.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.