Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Intussen doorkruiste koning Antiochus de hoger gelegen gebieden. Daar hoorde hij, dat er in Elumáis van Perzië een stad moest liggen, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud.
1About that time king Antiochus travelling through the high countries heard say, that Elymais in the country of Persia was a city greatly renowned for riches, silver, and gold;
2Ook haar tempel moest buitengewoon rijk zijn, en in het bezit van gouden wapenrustingen, pantsers en zwaarden, die de macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus en eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten.
2And that there was in it a very rich temple, wherein were coverings of gold, and breastplates, and shields, which Alexander, son of Philip, the Macedonian king, who reigned first among the Grecians, had left there.
3Hij trok er derhalve op af, en trachtte de stad in te nemen en leeg te plunderen. Maar het gelukte hem niet, omdat zijn plan aan de inwoners verraden werd.
3Wherefore he came and sought to take the city, and to spoil it; but he was not able, because they of the city, having had warning thereof,
4Integendeel, zij rukten tegen hem op; hij moest de vlucht nemen, en trok hevig teleurgesteld vandaar naar Babylonië terug.
4Rose up against him in battle: so he fled, and departed thence with great heaviness, and returned to Babylon.
5Bovendien kwam men hem in Perzië berichten, dat de legers, die tegen het land Juda waren opgetrokken, de nederlaag hadden geleden;
5Moreover there came one who brought him tidings into Persia, that the armies, which went against the land of Judea, were put to flight:
6dat ook Lúsias aan het hoofd van een machtig leger was opgerukt, maar eveneens door de Joden verslagen was; dat de Joden hun bewapening hadden versterkt door de grote buit, die zij op het verslagen leger hadden behaald;
6And that Lysias, who went forth first with a great power was driven away of the Jews; and that they were made strong by the armour, and power, and store of spoils, which they had gotten of the armies, whom they had destroyed:
7dat zij de gruwel hadden neergehaald, die hij op het brandofferaltaar te Jerusalem had opgericht, en evenals vroeger het heiligdom aan alle kanten met hoge muren hadden omringd; en dat zij hetzelfde met zijn stad Bet-Soer hadden gedaan.
7Also that they had pulled down the abomination, which he had set up upon the altar in Jerusalem, and that they had compassed about the sanctuary with high walls, as before, and his city Bethsura.
8Bij het horen van deze berichten stond de koning verbijsterd en hevig geschokt. Hij moest zich te bed leggen en werd ziek van ergernis, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij verwacht had.
8Now when the king heard these words, he was astonished and sore moved: whereupon he laid him down upon his bed, and fell sick for grief, because it had not befallen him as he looked for.
9Zo lag hij daar vele dagen lang, telkens opnieuw door grote ergernis verbitterd. Toen hij dacht, dat hij sterven ging,
9And there he continued many days: for his grief was ever more and more, and he made account that he should die.
10ontbood hij al zijn vertrouwelingen, en sprak tot hen: De slaap is van mijn ogen geweken, en van kommer is mij de moed ontzonken.
10Wherefore he called for all his friends, and said unto them, The sleep is gone from mine eyes, and my heart faileth for very care.
11Ik denk bij mijzelf: In wat een ellende ben ik geraakt, en hoe groot is de rampspoed, waarin ik mij nu bevind: ik die heel mijn regering in aanzien stond en bemind was.
11And I thought with myself, Into what tribulation am I come, and how great a flood of misery is it, wherein now I am! for I was bountiful and beloved in my power.
12Nu eerst herinner ik mij al het leed, dat ik Jerusalem heb berokkend: hoe ik daar al de gouden en zilveren vaten heb weggeroofd, en soldaten heb afgezonden, om de bewoners van Juda eenvoudig te vermoorden.
12But now I remember the evils that I did at Jerusalem, and that I took all the vessels of gold and silver that were therein, and sent to destroy the inhabitants of Judea without a cause.
13Nu zie ik in, dat dit de reden is, waarom deze rampen mij treffen, en waarom ik van grote ellende in een vreemd land zal moeten sterven.
13I perceive therefore that for this cause these troubles are come upon me, and, behold, I perish through great grief in a strange land.
14Daarna ontbood hij Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over heel zijn rij;
14Then called he for Philip, one of his friends, who he made ruler over all his realm,
15hij reikte hem de diadeem, zijn mantel en de zegelring over, daar hij zijn zoon Antiochus moest opvoeden en nog op het koningschap moest voorbereiden.
15And gave him the crown, and his robe, and his signet, to the end he should bring up his son Antiochus, and nourish him up for the kingdom.
16Zo stierf koning Antiochus daar in het jaar 6:149.
16So king Antiochus died there in the hundred forty and ninth year.
17Maar toen Lúsias hoorde, dat de koning gestorven was, riep hij diens zoon Antiochus, dien hij in zijn jeugd had opgevoed, tot koning uit, en gaf hem de bijnaam Eúpator.
17Now when Lysias knew that the king was dead, he set up Antiochus his son, whom he had brought up being young, to reign in his stead, and his name he called Eupator.
18Ondertussen bleef de burchtbezetting rondom het heiligdom Israël lastig vallen; ze waren er op uit, hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en de heidenen te beschermen.
18About this time they that were in the tower shut up the Israelites round about the sanctuary, and sought always their hurt, and the strengthening of the heathen.
19Daarom besloot Judas, hen uit de weg te ruimen, en riep hij het gehele volk op, om hen te gaan belegeren.
19Wherefore Judas, purposing to destroy them, called all the people together to besiege them.
20Ze sloten zich dus aaneen, en begonnen met de belegering in het jaar 150, waarbij gebruik werd gemaakt van schiettorens en belegeringswerktuigen.
20So they came together, and besieged them in the hundred and fiftieth year, and he made mounts for shot against them, and other engines.
21Toch wisten enkelen door de omsingeling heen te breken. Bij hen sloten zich ook enige afvallige Israëlieten aan,
21Howbeit certain of them that were besieged got forth, unto whom some ungodly men of Israel joined themselves:
22en samen reisden ze naar den koning, en zeiden: Hoe lang nog talmt gij, om recht te doen, en laat gij onze broeders ongewroken?
22And they went unto the king, and said, How long will it be ere thou execute judgment, and avenge our brethren?
23Wij hebben uw vader graag gediend; we hielden ons aan zijn voorschriften en volgden zijn bevelen op.
23We have been willing to serve thy father, and to do as he would have us, and to obey his commandments;
24Maar hierom zijn onze volksgenoten ons vijandig geworden; meer nog: al de onzen, die hun in handen vielen, werden vermoord, en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen.
24For which cause they of our nation besiege the tower, and are alienated from us: moreover as many of us as they could light on they slew, and spoiled our inheritance.
25En niet alleen naar ons, maar ook naar alle grensgebieden hebben ze de hand uitgestoken.
25Neither have they stretched out their hand against us only, but also against their borders.
26En nu zijn ze weer begonnen, de burcht van Jerusalem te belegeren, om hem in te nemen, nadat ze de tempel en Bet-Soer al hebben versterkt.
26And, behold, this day are they besieging the tower at Jerusalem, to take it: the sanctuary also and Bethsura have they fortified.
27Wanneer gij niet onmiddellijk ingrijpt, zullen zij nog erger dingen doen, en zult gij hen niet kunnen tegenhouden.
27Wherefore if thou dost not prevent them quickly, they will do the greater things than these, neither shalt thou be able to rule them.
28Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend, en riep al zijn rijksgroten op met de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij.
28Now when the king heard this, he was angry, and gathered together all his friends, and the captains of his army, and those that had charge of the horse.
29Ook uit het buitenland en van de eilanden stroomden hem huurtroepen toe;
29There came also unto him from other kingdoms, and from isles of the sea, bands of hired soldiers.
30het getal van zijn leger bedroeg honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en twee en dertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht.
30So that the number of his army was an hundred thousand footmen, and twenty thousand horsemen, and two and thirty elephants exercised in battle.
31Dezen trokken door Iduméa, en begonnen Bet-Soer te belegeren. Lang duurde de strijd, waarbij men gebruik maakte van belegeringswerktuigen; maar de Joden deden telkens een uitval, staken ze in brand en streden moedig.
31These went through Idumea, and pitched against Bethsura, which they assaulted many days, making engines of war; but they of Bethsura came out, and burned them with fire, and fought valiantly.
32Daarom liet Judas de burcht maar liggen, trok het leger van den koning tegemoet, en sloeg bij Bet-Zekarja zijn legerplaats op.
32Upon this Judas removed from the tower, and pitched in Bathzacharias, over against the king’s camp.
33Maar voor dag en dauw brak de koning op, en liet zijn leger in allerijl naar Bet-Zekarja trekken, waar de troepen onder het schetteren der trompetten zich in slagorde stelden.
33Then the king rising very early marched fiercely with his host toward Bathzacharias, where his armies made them ready to battle, and sounded the trumpets.
34Ook maakte men de olifanten dronken met druivennat en moerbeiensap, om ze strijdlustig te maken.
34And to the end they might provoke the elephants to fight, they shewed them the blood of grapes and mulberries.
35Daarna deelde men de dieren bij de verschillende afdelingen in. Bij elken olifant stelde men duizend man op, die met schubbenpantsers waren bedekt en koperen helmen droegen. Bovendien werd bij elk dier nog een afdeling van vijfhonderd uitstekende ruiters gevoegd,
35Moreover they divided the beasts among the armies, and for every elephant they appointed a thousand men, armed with coats of mail, and with helmets of brass on their heads; and beside this, for every beast were ordained five hundred horsemen of the best.
36die het dier reeds enige tijd overal hadden vergezeld, en er overal mee waren opgetrokken, zonder zich er ooit van te scheiden.
36These were ready at every occasion: wheresoever the beast was, and whithersoever the beast went, they went also, neither departed they from him.
37Op elk dier bevond zich een sterke, goed beschutte houten toren, die er op een bijzondere wijze op was vastgemaakt, en waarin zich, behalve een Indiër als drijver, twee of drie mannen bevonden, die erop moesten vechten.
37And upon the beasts were there strong towers of wood, which covered every one of them, and were girt fast unto them with devices: there were also upon every one two and thirty strong men, that fought upon them, beside the Indian that ruled him.
38De rest van de ruiterij stelde hij op aan weerskanten van de beide legervleugels, met het doel, om verwarring te stichten en de legerkorpsen te dekken.
38As for the remnant of the horsemen, they set them on this side and that side at the two parts of the host giving them signs what to do, and being harnessed all over amidst the ranks.
39Toen nu de zon op de gouden en koperen schilden schitterde, weerkaatste het licht op de bergen, die als vlammende fakkels begonnen te gloeien.
39Now when the sun shone upon the shields of gold and brass, the mountains glistered therewith, and shined like lamps of fire.
40Een gedeelte van het koninklijk leger verspreidde zich over de bergen en een ander over de vlakte; zo rukten zij zelfverzekerd en in volmaakte orde vooruit.
40So part of the king’s army being spread upon the high mountains, and part on the valleys below, they marched on safely and in order.
41En allen, die de dreun dezer drommen, de opmars dezer massa en het wapengekletter hoorden, begonnen te sidderen. Want het leger was buitengewoon groot en sterk.
41Wherefore all that heard the noise of their multitude, and the marching of the company, and the rattling of the harness, were moved: for the army was very great and mighty.
42Nu rukte Judas ook met zijn leger vooruit, en begon de strijd; en van het koninklijk leger sneuvelden zeshonderd man.
42Then Judas and his host drew near, and entered into battle, and there were slain of the king’s army six hundred men.
43Intussen had Elazar, ook Hauran genoemd, bemerkt, hoe een der dieren met de koninklijke pantserversiering was opgetuigd en boven de andere dieren uitstak. Hij besloot er uit, dat de koning zich daarop moest bevinden.
43Eleazar also, surnamed Savaran, perceiving that one of the beasts, armed with royal harness, was higher than all the rest, and supposing that the king was upon him,
44Toen offerde hij zich op, om zijn volk te redden en zichzelf voor altijd beroemd te maken.
44Put himself in jeopardy, to the end he might deliver his people, and get him a perpetual name:
45Moedig stormde hij er op af, midden door de slaglinie heen; links en rechts sloeg hij er neer, zodat men aan beide kanten voor hem moest wijken.
45Wherefore he ran upon him courageously through the midst of the battle, slaying on the right hand and on the left, so that they were divided from him on both sides.
46Nu kroop hij onder den olifant, doorstak hem van onderen, en doodde hem. Het dier zakte bovenop hem in elkaar, en hij vond hier de dood.
46Which done, he crept under the elephant, and thrust him under, and slew him: whereupon the elephant fell down upon him, and there he died.
47Toen zij nu echter de kracht van het koninklijk leger en de druk van de troepen gewaar werden, weken ze voor hen terug.
47Howbeit the rest of the Jews seeing the strength of the king, and the violence of his forces, turned away from them.
48Het koninklijk leger trok nu naar Jerusalem op, om hen onder schot te krijgen, en de koning sloeg daar zijn kamp op, om tegen Judea en de berg Sion te strijden.
48Then the king’s army went up to Jerusalem to meet them, and the king pitched his tents against Judea, and against mount Sion.
49Hij had vrede gesloten met de bevolking van Bet-Soer, die de stad had moeten verlaten, omdat ze geen voedsel meer had, om de belegering uit te houden, daar het een sabbatjaar was voor het bouwland.
49But with them that were in Bethsura he made peace: for they came out of the city, because they had no victuals there to endure the siege, it being a year of rest to the land.
50Zo alleen was de koning in het bezit van Bet-Soer gekomen, en had hij er een bezetting in kunnen leggen, om het te bewaken.
50So the king took Bethsura, and set a garrison there to keep it.
51Nu belegerde hij gedurende lange tijd het heiligdom, en stelde er schiettorens tegen op en andere belegeringswerktuigen: toestellen, om brandpijlen en steenblokken te schieten, en katapulten voor speren en slingers.
51As for the sanctuary, he besieged it many days: and set there artillery with engines and instruments to cast fire and stones, and pieces to cast darts and slings.
52Maar ook de Joden stelden werktuigen tegen de hunne op, en verdedigden zich lange tijd.
52Whereupon they also made engines against their engines, and held them battle a long season.
53Intussen echter waren de levensmiddelen in de opslagplaatsen opgeraakt, omdat men in het sabbatjaar was, en het overschot van de vroegere oogst was opgeteerd door hen, die uit vrees voor de heidenen in Judea een onderkomen hadden gevonden.
53Yet at the last, their vessels being without victuals, (for that it was the seventh year, and they in Judea that were delivered from the Gentiles, had eaten up the residue of the store;)
54Zo waren er nog maar weinig mannen in het heiligdom achtergebleven; want de hongersnood had hen gedwongen, uit elkaar te gaan, iedereen naar zijn eigen woonplaats.
54There were but a few left in the sanctuary, because the famine did so prevail against them, that they were fain to disperse themselves, every man to his own place.
55Toen Lúsias echter vernam, dat Filippus, dien koning Antiochus nog bij zijn leven had aangewezen, om zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden,
55At that time Lysias heard say, that Philip, whom Antiochus the king, whiles he lived, had appointed to bring up his son Antiochus, that he might be king,
56uit Perzië en Medië was teruggekomen met de troepen, die den koning waren gevolgd, en nu probeerde, de regering in handen te krijgen,
56Was returned out of Persia and Media, and the king’s host also that went with him, and that he sought to take unto him the ruling of the affairs.
57zette hij er alles op, om zo spoedig mogelijk weg te trekken. Daarom sprak hij tot den koning, de legerbevelhebbers en manschappen: Wij worden met de dag zwakker en hebben maar weinig levensmiddelen meer; en de plaats, die wij belegeren, is sterk. Bovendien vraagt het rijk zelf al onze zorgen.
57Wherefore he went in all haste, and said to the king and the captains of the host and the company, We decay daily, and our victuals are but small, and the place we lay siege unto is strong, and the affairs of the kingdom lie upon us:
58Laat ons daarom deze mensen de hand bieden, vrede met hen sluiten en met geheel hun volk,
58Now therefore let us be friends with these men, and make peace with them, and with all their nation;
59en hun verlof geven volgens hun eigen zeden te leven evenals vroeger. Want omdat wij hun gebruiken hebben afgeschaft, zijn zij woedend geworden, en hebben al deze dingen gedaan.
59And covenant with them, that they shall live after their laws, as they did before: for they are therefore displeased, and have done all these things, because we abolished their laws.
60Dit voorstel beviel den koning en zijn legeraanvoerders, en hij liet hun dus de vrede aanbieden. Zij namen hem aan;
60So the king and the princes were content: wherefore he sent unto them to make peace; and they accepted thereof.
61en omdat de koning en zijn veldheren hem met een eed hadden bekrachtigd, verlieten zij de vesting,
61Also the king and the princes made an oath unto them: whereupon they went out of the strong hold.
62en hield de koning zijn intocht op de Sionsberg. Maar toen hij zag, hoe sterk dit punt was verdedigd, verbrak hij de eed, die hij gezworen had, en gaf bevel, de muren aan alle kanten te slechten.
62Then the king entered into mount Sion; but when he saw the strength of the place, he broke his oath that he had made, and gave commandment to pull down the wall round about.
63Daarop trok hij haastig weg, en keerde naar Antiochië terug; daar vond hij Filippus, die de stad in zijn macht hield; hij viel hem aan, en nam de stad met geweld in.
63Afterward departed he in all haste, and returned unto Antiochia, where he found Philip to be master of the city: so he fought against him, and took the city by force.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.