1 Makkabeeen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1In het jaar 160 begon Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, een veldtocht en veroverde Ptolemáis, waar hij als koning erkend werd en optrad.
1In the hundred and sixtieth year Alexander, the son of Antiochus surnamed Epiphanes, went up and took Ptolemais: for the people had received him, by means whereof he reigned there,
2Toen koning Demétrius dit hoorde, riep hij een ontzaggelijk leger bijeen, en trok tegen hem op.
2Now when king Demetrius heard thereof, he gathered together an exceeding great host, and went forth against him to fight.
3Daarom zond Demétrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem sprak van vrede en van zijn hoogachting.
3Moreover Demetrius sent letters unto Jonathan with loving words, so as he magnified him.
4Want hij dacht bij zichzelf: Wij moeten zo snel mogelijk vrede met hem sluiten, eer hij tegen ons de partij van Alexander kiest.
4For said he, Let us first make peace with him, before he join with Alexander against us:
5Want hij zal zeker al het kwaad niet vergeten zijn, dat wij hem, zijn broeders en zijn volk hebben berokkend.
5Else he will remember all the evils that we have done against him, and against his brethren and his people.
6Hij machtigde hem dus, er een leger op na te houden, oorlogsmateriaal aan te schaffen en zijn bondgenoot te worden. Ook gaf hij bevel, hem de gijzelaars in de burcht uit te leveren.
6Wherefore he gave him authority to gather together an host, and to provide weapons, that he might aid him in battle: he commanded also that the hostages that were in the tower should be delivered him.
7Daarop ging Jonatan naar Jerusalem, en las de brief voor ten aanhoren van heel het volk en van de burchtbezetting.
7Then came Jonathan to Jerusalem, and read the letters in the audience of all the people, and of them that were in the tower:
8De burchtbezetting werd zeer bevreesd, toen zij hoorde, dat de koning aan Jonatan machtiging had gegeven, er een leger op na te houden;
8Who were sore afraid, when they heard that the king had given him authority to gather together an host.
9toch leverde zij hem de gijzelaars uit, en deze gaf ze aan hun ouders terug.
9Whereupon they of the tower delivered their hostages unto Jonathan, and he delivered them unto their parents.
10Nu vestigde Jonatan zich in Jerusalem, en begon de stad weer op te bouwen en te herstellen.
10This done, Jonathan settled himself in Jerusalem, and began to build and repair the city.
11Hij beval de werklieden, de muren weer op te bouwen, en de Sionsberg aan alle kanten met gehouwen stenen te versterken. Zo geschiedde het ook.
11And he commanded the workmen to build the walls and the mount Sion and about with square stones for fortification; and they did so.
12Toen vluchtten de vreemdelingen weg, die zich nog in de vestingen bevonden, welke door Bakchides waren gebouwd;
12Then the strangers, that were in the fortresses which Bacchides had built, fled away;
13iedereen verliet zijn woonplaats, en trok naar zijn eigen land terug.
13Insomuch as every man left his place, and went into his own country.
14Alleen in Bet-Soer bleven enigen achter, die van wet en gebod waren afgevallen, omdat ze daar een veilige schuilplaats hadden gevonden.
14Only at Bethsura certain of those that had forsaken the law and the commandments remained still: for it was their place of refuge.
15Toen koning Alexander hoorde, welke beloften Demétrius aan Jonatan had gedaan, en toen men hem vertelde van de oorlogen en heldendaden, die deze en zijn broeders hadden verricht en van de moeilijkheden, die zij hadden doorstaan,
15Now when king Alexander had heard what promises Demetrius had sent unto Jonathan: when also it was told him of the battles and noble acts which he and his brethren had done, and of the pains that they had endured,
16zeide hij bij zichzelf: Zou er wel iemand te vinden zijn, zoals hij? Wij moeten hem tot onzen vriend en bondgenoot zien te maken.
16He said, Shall we find such another man? now therefore we will make him our friend and confederate.
17Hij schreef derhalve een brief en zond hem die toe. De inhoud luidde als volgt:
17Upon this he wrote a letter, and sent it unto him, according to these words, saying,
18Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan: heil!
18King Alexander to his brother Jonathan sendeth greeting:
19Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig en invloedrijk man, en onze vriendschap waardig zijt.
19We have heard of thee, that thou art a man of great power, and meet to be our friend.
20Daarom stellen wij u bij deze aan tot hogepriester van uw volk, en bepalen, dat uw titel zal zijn: ”Vriend des konings”. (Ook zond hij hem een purperen kleed en een gouden kroon). Kies dus onze partij, en houd vast aan onze vriendschap,
20Wherefore now this day we ordain thee to be the high priest of thy nation, and to be called the king’s friend; (and therewithal he sent him a purple robe and a crown of gold:) and require thee to take our part, and keep friendship with us.
21Daarom bekleedde Jonatan op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar 160 zich met het heilig gewaad. Ook bracht hij een leger op de been, en schafte veel oorlogsmateriaal aan.
21So in the seventh month of the hundred and sixtieth year, at the feast of the tabernacles, Jonathan put on the holy robe, and gathered together forces, and provided much armour.
22Toen Demétrius dit alles vernam, zeide hij in diepe verslagenheid:
22Whereof when Demetrius heard, he was very sorry, and said,
23Hoe konden wij het zo ver laten komen, dat Alexander ons te vlug is geweest, en de vriendschap en de steun der Joden heeft verworven?
23What have we done, that Alexander hath prevented us in making amity with the Jews to strengthen himself?
24Ook ik zal een afdoend schrijven tot hem richten met toezegging van waardigheden en geschenken, om mij van hun hulp te verzekeren.
24I also will write unto them words of encouragement, and promise them dignities and gifts, that I may have their aid.
25Hij zond hun dus een brief van de volgende inhoud: Koning Demétrius aan het volk der Joden: heil!
25He sent unto them therefore to this effect: King Demetrius unto the people of the Jews sendeth greeting:
26Wij hebben met vreugde vernomen, dat gij de met ons gesloten verdragen zijt nagekomen, aan onze vriendschap hebt vastgehouden, en niet naar onze vijanden zijt overgelopen.
26Whereas ye have kept covenants with us, and continued in our friendship, not joining yourselves with our enemies, we have heard hereof, and are glad.
27Wanneer gij dus ook in de toekomst in die trouw jegens ons blijft volharden, zullen wij u het goede vergelden, dat gij ons bewijst,
27Wherefore now continue ye still to be faithful unto us, and we will well recompense you for the things ye do in our behalf,
28door u vrij te stellen van vele lasten en u geschenken te geven.
28And will grant you many immunities, and give you rewards.
29Hiermede onthef ik u, en stel ik alle Joden vrij van belasting, van accijns op zout en van de kroongelden.
29And now do I free you, and for your sake I release all the Jews, from tributes, and from the customs of salt, and from crown taxes,
30Evenzo doe ik van nu af voor altijd afstand van het derde deel van de veldoogst en van de helft der boomvruchten, waarop ik rechtens beslag kan leggen; ik zal ze van nu af nimmer meer heffen van Juda en van de drie gewesten van Samaria, die daarbij zijn ingelijfd.
30And from that which appertaineth unto me to receive for the third part or the seed, and the half of the fruit of the trees, I release it from this day forth, so that they shall not be taken of the land of Judea, nor of the three governments which are added thereunto out of the country of Samaria and Galilee, from this day forth for evermore.
31Jerusalem zelf met zijn gebied zal heilig zijn, en vrij van tienden en tollen.
31Let Jerusalem also be holy and free, with the borders thereof, both from tenths and tributes.
32Ook doe ik afstand van de macht over de burcht in Jerusalem, en geef hem over aan den hogepriester, die hem met manschappen naar eigen keuze kan bezetten, om hem te bewaken.
32And as for the tower which is at Jerusalem, I yield up authority over it, and give the high priest, that he may set in it such men as he shall choose to keep it.
33Aan alle Joden, die uit het land Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn verbannen, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid; en onderweg moeten allen hen vrijstellen van tolgeld, ook van dat voor het vee.
33Moreover I freely set at liberty every one of the Jews, that were carried captives out of the land of Judea into any part of my kingdom, and I will that all my officers remit the tributes even of their cattle.
34Verder zullen voor alle Joden in mijn rijk alle feesten: iedere sabbat en nieuwe maan, alle vastgestelde feestdagen, met de drie dagen, die aan zulk een feest voorafgaan en er op volgen, tolvrij zijn en onbelast;
34Furthermore I will that all the feasts, and sabbaths, and new moons, and solemn days, and the three days before the feast, and the three days after the feast shall be all of immunity and freedom for all the Jews in my realm.
35en niemand zal dan het recht hebben, een van hen aan te houden of lastig te vallen om welke zaak ook.
35Also no man shall have authority to meddle with or to molest any of them in any matter.
36Van hun kant zullen van de Joden ongeveer dertigduizend man in het leger van den koning worden ingelijfd. Maar aan hen zal dezelfde soldij worden uitgekeerd, als waarop alle koninklijke troepen recht hebben.
36I will further, that there be enrolled among the king’s forces about thirty thousand men of the Jews, unto whom pay shall be given, as belongeth to all king’s forces.
37Een gedeelte van hen zal in de grote vestingen van den koning worden ondergebracht, en anderen weer zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen. Hun eigen mannen zullen hun aanvoerders en bevelhebbers zijn, en zij zullen mogen leven volgens hun wet, zoals de koning reeds voor het land Juda heeft vastgesteld.
37And of them some shall be placed in the king’s strong holds, of whom also some shall be set over the affairs of the kingdom, which are of trust: and I will that their overseers and governors be of themselves, and that they live after their own laws, even as the king hath commanded in the land of Judea.
38De drie gewesten van Samaria, die bij Judea zijn getrokken, zullen als gebied van Judea worden beschouwd, zodat zij onder één leiding staan en geen ander gezag hebben te erkennen dan dat van den hogepriester.
38And concerning the three governments that are added to Judea from the country of Samaria, let them be joined with Judea, that they may be reckoned to be under one, nor bound to obey other authority than the high priest’s.
39Ptolemáis met zijn gebied sta ik af als een geschenk voor de tempel te Jerusalem, om de onkosten van het heiligdom te bestrijden.
39As for Ptolemais, and the land pertaining thereto, I give it as a free gift to the sanctuary at Jerusalem for the necessary expences of the sanctuary.
40Bovendien zal ik jaarlijks uit de koninklijke schatkist vijftienduizend zilveren sikkels beschikbaar stellen, die verhaald moeten worden op die plaatsen, waar dit gevoegelijk gaat.
40Moreover I give every year fifteen thousand shekels of silver out of the king’s accounts from the places appertaining.
41Al het achterstallige geld, ook dat van de vorige jaren, dat de ambtenaren nog niet hebben afgedragen, moet van nu af aan worden afgegeven voor het onderhoud van de tempel.
41And all the overplus, which the officers payed not in as in former time, from henceforth shall be given toward the works of the temple.
42Verder zullen de vijfduizend zilveren sikkels, die zij jaarlijks hieven op de tempelinkomsten, worden vrijgegeven, en ten goede komen aan de dienstdoende priesters.
42And beside this, the five thousand shekels of silver, which they took from the uses of the temple out of the accounts year by year, even those things shall be released, because they appertain to the priests that minister.
43Daarenboven zal iedereen, die zich aan de koninklijke rechten of waaraan ook heeft vergrepen, en gevlucht is naar de tempel van Jerusalem of ergens binnen het tempelgebied, onschendbaar zijn met al zijn have en goed, dat zich in mijn gebied bevindt.
43And whosoever they be that flee unto the temple at Jerusalem, or be within the liberties hereof, being indebted unto the king, or for any other matter, let them be at liberty, and all that they have in my realm.
44Ook zullen de kosten van het verbouwen en herstellen van de tempel uit de koninklijke schatkist worden bestreden.
44For the building also and repairing of the works of the sanctuary expences shall be given of the king’s accounts.
45Evenzo zullen de kosten voor het optrekken en versterken van de muren rondom Jerusalem en voor de bouw van de muren in Judea door de koninklijke inkomsten worden gedekt.
45Yea, and for the building of the walls of Jerusalem, and the fortifying thereof round about, expences shall be given out of the king’s accounts, as also for the building of the walls in Judea.
46Maar toen Jonatan en het volk deze voorstellen hoorden, vertrouwden zij ze niet; zij gingen er dus niet op in, omdat zij zich al te goed herinnerden, hoe groot onheil hij over Israël gebracht had, en hoezeer hij hen had verdrukt.
46Now when Jonathan and the people heard these words, they gave no credit unto them, nor received them, because they remembered the great evil that he had done in Israel; for he had afflicted them very sore.
47Zij bleven het dus met Alexander houden, omdat hij hun het eerst vriendschap had aangeboden, en waren in het vervolg zijn bondgenoten.
47But with Alexander they were well pleased, because he was the first that entreated of true peace with them, and they were confederate with him always.
48Nu bracht koning Alexander een groot leger op de been, en stelde zich tegen Demétrius op.
48Then gathered king Alexander great forces, and camped over against Demetrius.
49Beide koningen raakten slaags met elkander; het leger van Demétrius sloeg op de vlucht en Alexander achtervolgde hem.
49And after the two kings had joined battle, Demetrius’ host fled: but Alexander followed after him, and prevailed against them.
50Ofschoon hij hem reeds had overwonnen, zette hij toch de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang, met het gevolg dat Demétrius nog diezelfde dag sneuvelde.
50And he continued the battle very sore until the sun went down: and that day was Demetrius slain.
51Daarop zond Alexander een gezantschap naar Ptoleméus, den koning van Egypte, met de volgende boodschap:
51Afterward Alexander sent ambassadors to Ptolemee king of Egypt with a message to this effect:
52Nu ik weer in mijn rijk ben teruggekeerd, heb ik de troon van mijn vaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Demétrius heb ik overwonnen en ons land in bezit gekregen.
52Forasmuch as I am come again to my realm, and am set in the throne of my progenitors, and have gotten the dominion, and overthrown Demetrius, and recovered our country;
53Want wij zijn met hem slaags geraakt, hebben zijn leger verpletterd, en bezit genomen van zijn koningstroon.
53For after I had joined battle with him, both he and his host was discomfited by us, so that we sit in the throne of his kingdom:
54Laat ons dus vriendschap met elkander sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw, zodat ik uw schoonzoon word; ik zal u en haar geschenken aanbieden, die u waardig zijn.
54Now therefore let us make a league of amity together, and give me now thy daughter to wife: and I will be thy son in law, and will give both thee and her as according to thy dignity.
55Hierop antwoordde koning Ptoleméus als volgt: Gelukkig de dag, waarop gij in het land uwer vaderen zijt teruggekeerd en bezit hebt genomen van hun koningstroon.
55Then Ptolemee the king gave answer, saying, Happy be the day wherein thou didst return into the land of thy fathers, and satest in the throne of their kingdom.
56Ik sta u toe, waarover gij hebt geschreven. Kom mij echter in Ptolemáis tegemoet; dan kunnen wij elkander leren kennen en ik zal u tot mijn schoonzoon maken, zoals ge gevraagd hebt.
56And now will I do to thee, as thou hast written: meet me therefore at Ptolemais, that we may see one another; for I will marry my daughter to thee according to thy desire.
57Vergezeld van zijn dochter Kleópatra verliet dus Ptoleméus Egypte, en kwam in het jaar 162 te Ptolemáis aan,
57So Ptolemee went out of Egypt with his daughter Cleopatra, and they came unto Ptolemais in the hundred threescore and second year:
58waar koning Alexander hem tegemoet was gereisd. Hij gaf hem zijn dochter Kleópatra tot vrouw, en vierde daar in Ptolemáis haar huwelijksfeest op koninklijke wijze met pracht en praal.
58Where king Alexander meeting him, he gave unto him his daughter Cleopatra, and celebrated her marriage at Ptolemais with great glory, as the manner of kings is.
59Intussen had koning Alexander aan Jonatan een brief geschreven, om hem uit te nodigen bij hem te komen.
59Now king Alexander had written unto Jonathan, that he should come and meet him.
60Rijk uitgedost vertrok deze dus naar Ptolemáis, en trof er de beide koningen aan. Hij bood hun en hun vertrouwelingen goud en zilver en allerlei andere geschenken aan, en wist daardoor hun gunst te winnen.
60Who thereupon went honourably to Ptolemais, where he met the two kings, and gave them and their friends silver and gold, and many presents, and found favour in their sight.
61Bij die gelegenheid staken kwaadwillige en afvallige Israëlieten de hoofden bijeen, en klaagden hem aan. Maar de koning sloeg er geen acht op.
61At that time certain pestilent fellows of Israel, men of a wicked life, assembled themselves against him, to accuse him: but the king would not hear them.
62Integendeel, de koning gaf bevel, dat men Jonatan zijn gewaad zou doen afleggen en hem in purper zou kleden; en zo geschiedde.
62Yea more than that, the king commanded to take off his garments, and clothe him in purple: and they did so.
63Daarop liet de koning hem naast zich plaats nemen, en beval zijn bevelhebbers: Gaat met hem midden door de stad, en maakt bekend, dat niemand het wage, hem van iets te beschuldigen, of hem om iets lastig te vallen.
63And he made him sit by himself, and said unto his princes, Go with him into the midst of the city, and make proclamation, that no man complain against him of any matter, and that no man trouble him for any manner of cause.
64Toen dus de aanklagers bemerkten, hoe hij openlijk gehuldigd werd en hem in purper zagen gekleed, namen zij allen de vlucht.
64Now when his accusers saw that he was honored according to the proclamation, and clothed in purple, they fled all away.
65De koning bewees hem hoge eer, nam hem op onder zijn eerste vrienden, en stelde hem aan tot veldheer en stadhouder.
65So the king honoured him, and wrote him among his chief friends, and made him a duke, and partaker of his dominion.
66Zo keerde Jonatan behouden en geheel voldaan naar Jerusalem terug.
66Afterward Jonathan returned to Jerusalem with peace and gladness.
67In het jaar 165 ging Demétrius, de zoon van Demétrius, van Kreta naar het land zijner vaderen.
67Furthermore in the hundred threescore and fifth year came Demetrius son of Demetrius out of Crete into the land of his fathers:
68Toen koning Alexander dit vernam, keerde hij vol bekommering naar Antiochië terug.
68Whereof when king Alexander heard tell, he was right sorry, and returned into Antioch.
69Demétrius stelde Apollónius Táos tot stadhouder van Celesyrië aan. Deze bracht een groot leger op de been, en sloeg zijn kamp bij Jámnia op. En hij liet Jonatan, den hogepriester, weten:
69Then Demetrius made Apollonius the governor of Celosyria his general, who gathered together a great host, and camped in Jamnia, and sent unto Jonathan the high priest, saying,
70Gij zijt de enige, die zich tegen ons verzet; door uw toedoen word ik uitgelachen en bespot. Waarom durft gij u tegen ons in de bergen verzetten?
70Thou alone liftest up thyself against us, and I am laughed to scorn for thy sake, and reproached: and why dost thou vaunt thy power against us in the mountains?
71Wanneer gij werkelijk op uw troepen vertrouwt, kom dan omlaag, bij ons in de vlakte; dan kunnen wij ons met elkander meten. Aan mijn kant staat de legermacht der steden.
71Now therefore, if thou trustest in thine own strength, come down to us into the plain field, and there let us try the matter together: for with me is the power of the cities.
72Vraag maar na, dan zult ge wel horen, wie ik ben, en wie onze hulptroepen zijn. Men zal u zeggen, dat gij onmogelijk tegen ons stand kunt houden. Want uw vaderen werden tot twee maal toe door ons in hun eigen land verslagen:
72Ask and learn who I am, and the rest that take our part, and they shall tell thee that thy foot is not able to stand before our face; for thy fathers have been twice put to flight in their own land.
73dus gij zult thans nog veel minder bestand zijn tegen zo'n geweldige ruiterij en troepenmacht, en zeker niet in de vlakte, waar steen noch kiezel, noch schuilplaats is.
73Wherefore now thou shalt not be able to abide the horsemen and so great a power in the plain, where is neither stone nor flint, nor place to flee unto.
74Toen Jonatan deze grootspraak van Apollónius vernam, voelde hij zich diep gegriefd. Hij koos tienduizend soldaten uit en verliet Jerusalem; en zijn broer Sjimon sloot zich bij hem aan, om hem te helpen.
74So when Jonathan heard these words of Apollonius, he was moved in his mind, and choosing ten thousand men he went out of Jerusalem, where Simon his brother met him for to help him.
75Zij sloegen hun kamp op voor Jóppe; maar de inwoners hielden de stad gesloten, omdat er in Jóppe een bezetting van Apollónius lag. Toen zij echter de stad bestormden,
75And he pitched his tents against Joppa: but; they of Joppa shut him out of the city, because Apollonius had a garrison there.
76deden de bang geworden inwoners hun open, en zo werd Jonatan heer en meester in Jóppe.
76Then Jonathan laid siege unto it: whereupon they of the city let him in for fear: and so Jonathan won Joppa.
77Zodra Apollónius dit hoorde, rukte hij met drieduizend ruiters en een grote legermacht uit, en trok in de richting van Asjdod, alsof hij daarheen wilde gaan. Maar vertrouwend op zijn sterke ruiterij, rukte hij eensklaps de vlakte in,
77Whereof when Apollonius heard, he took three thousand horsemen, with a great host of footmen, and went to Azotus as one that journeyed, and therewithal drew him forth into the plain. because he had a great number of horsemen, in whom he put his trust.
78terwijl Jonatan hem achterna trok naar Asjdod. Zo raakten de legers slaags.
78Then Jonathan followed after him to Azotus, where the armies joined battle.
79Apollónius had achter de linie der Joden duizend ruiters gelaten, die verdekt waren opgesteld;
79Now Apollonius had left a thousand horsemen in ambush.
80maar Jonatan wist, dat hem een hinderlaag was gelegd. Nu sloten de Syriërs zijn leger in, en beschoten zijn volk met pijlen van de morgen tot de avond.
80And Jonathan knew that there was an ambushment behind him; for they had compassed in his host, and cast darts at the people, from morning till evening.
81Maar het volk hield stand, zoals Jonatan hun bevolen had. Toen echter de vijandelijke ruiterij uitgeput raakte,
81But the people stood still, as Jonathan had commanded them: and so the enemies’ horses were tired.
82trok Sjimon zijn leger samen, en stormde op het voetvolk los. En daar de ruiterij machteloos was, werden zij door hem verslagen en gingen op de vlucht.
82Then brought Simon forth his host, and set them against the footmen, (for the horsemen were spent) who were discomfited by him, and fled.
83Ook de ruiterij werd in de vlakte uit elkaar gedreven. Zij vluchtten naar Asjdod, en gingen het huis van Dagon binnen, om in hun afgodstempel redding te zoeken.
83The horsemen also, being scattered in the field, fled to Azotus, and went into Bethdagon, their idol’s temple, for safety.
84Maar Jonatan stak Asjdod en de omliggende plaatsen in brand, maakte zich meester van de oorlogsbuit, en gaf de tempel van Dagon met allen, die er een toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs.
84But Jonathan set fire on Azotus, and the cities round about it, and took their spoils; and the temple of Dagon, with them that were fled into it, he burned with fire.
85Het getal van hen, die door het zwaard en het vuur waren omgekomen, bedroeg ongeveer achtduizend man.
85Thus there were burned and slain with the sword well nigh eight thousand men.
86Toen trok Jonatan verder, en legerde zich bij Asjkalon, waar de inwoners hem met hoge eerbewijzen ontvingen.
86And from thence Jonathan removed his host, and camped against Ascalon, where the men of the city came forth, and met him with great pomp.
87Daarna keerde Jonatan met zijn mannen en een grote buit naar Jerusalem terug.
87After this returned Jonathan and his host unto Jerusalem, having many spoils.
88Toen koning Alexander dit hoorde, bewees hij Jonatan nog hoger eer. Hij zond hem een gouden gesp, waarmede anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron en het daarbij behorende gebied in bezit.
88Now when king Alexander heard these things, he honoured Jonathan yet more.
no verse 89 in this text
89And sent him a buckle of gold, as the use is to be given to such as are of the king’s blood: he gave him also Accaron with the borders thereof in possession.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.