1 Makkabeeen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Intussen doorkruiste koning Antiochus de hoger gelegen gebieden. Daar hoorde hij, dat er in Elumáis van Perzië een stad moest liggen, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud.
1ΚΑΙ ὁ βασιλεὺς Ἀντίοχος διεπορεύετο τὰς ἐπάνω χώρας καὶ ἤκουσεν ὅτι ἐστὶν Ἐλυμαΐς ἐν τῇ Περσίδι πόλις ἔνδοξος πλούτῳ ἀργυρίῳ τε καὶ χρυσίῳ·
2Ook haar tempel moest buitengewoon rijk zijn, en in het bezit van gouden wapenrustingen, pantsers en zwaarden, die de macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus en eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten.
2καὶ τὸ ἱερὸν τὸ ἐν αὐτῇ πλούσιον σφόδρα, καὶ ἐκεῖ καλύμματα χρυσᾶ καὶ θώρακες καὶ ὅπλα, ἃ κατέλιπεν ἐκεῖ Ἀλέξανδρος ὁ Φιλίππου βασιλεὺς ὁ Μακεδών, ὃς ἐβασίλευσε πρῶτος ἐν τοῖς Ἓλλησι.
3Hij trok er derhalve op af, en trachtte de stad in te nemen en leeg te plunderen. Maar het gelukte hem niet, omdat zijn plan aan de inwoners verraden werd.
3καὶ ἦλθε καὶ ἐζήτει καταλαβέσθαι τὴν πόλιν καὶ προνομεῦσαι αὐτήν, καὶ οὐκ ἠδυνάσθη, ὅτι ἐγνώσθη ὁ λόγος τοῖς ἐκ τῆς πόλεως,
4Integendeel, zij rukten tegen hem op; hij moest de vlucht nemen, en trok hevig teleurgesteld vandaar naar Babylonië terug.
4καὶ ἀντέστησαν αὐτῷ εἰς πόλεμον, καὶ ἔφυγε καὶ ἀπῇρεν ἐκεῖθεν μετὰ λύπης μεγάλης ἀποστρέψαι εἰς Βαβυλῶνα.
5Bovendien kwam men hem in Perzië berichten, dat de legers, die tegen het land Juda waren opgetrokken, de nederlaag hadden geleden;
5καὶ ἦλθεν ἀπαγγέλλων τις αὐτῷ εἰς τὴν Περσίδα ὅτι τετρόπωνται αἱ παρεμβολαὶ αἱ πορευθεῖσαι εἰς γῆν Ἰούδα,
6dat ook Lúsias aan het hoofd van een machtig leger was opgerukt, maar eveneens door de Joden verslagen was; dat de Joden hun bewapening hadden versterkt door de grote buit, die zij op het verslagen leger hadden behaald;
6καὶ ἐπορεύθη Λυσίας δυνάμει ἰσχυρᾷ ἐν πρώτοις καὶ ἐνετράπη ἀπὸ προσώπου αὐτῶν, καὶ ἐπίσχυσαν ὅπλοις καὶ δυνάμει καὶ σκύλοις πολλοῖς, οἷς ἔλαβον ἀπὸ τῶν παρεμβολῶν, ὧν ἐξέκοψαν,
7dat zij de gruwel hadden neergehaald, die hij op het brandofferaltaar te Jerusalem had opgericht, en evenals vroeger het heiligdom aan alle kanten met hoge muren hadden omringd; en dat zij hetzelfde met zijn stad Bet-Soer hadden gedaan.
7καὶ καθεῖλον τὸ βδέλυγμα, ὃ ᾠκοδόμησεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τὸ ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ τὸ ἁγίασμα καθὼς τὸ πρότερον ἐκύκλωσαν τείχεσιν ὑψηλοῖς καὶ τὴν Βαιθσούραν πόλιν αὐτοῦ.
8Bij het horen van deze berichten stond de koning verbijsterd en hevig geschokt. Hij moest zich te bed leggen en werd ziek van ergernis, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij verwacht had.
8καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν ὁ βασιλεὺς τοὺς λόγους τούτους, ἐθαμβήθη καὶ ἐσαλεύθη σφόδρα καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὴν κοίτην καὶ ἐνέπεσεν εἰς ἀρρωστίαν ἀπὸ τῆς λύπης, ὅτι οὐκ ἐγένετο αὐτῷ καθὼς ἐνεθυμεῖτο.
9Zo lag hij daar vele dagen lang, telkens opnieuw door grote ergernis verbitterd. Toen hij dacht, dat hij sterven ging,
9καὶ ἦν ἐκεῖ ἡμέρας πλείους, ὅτι ἀνεκαινίσθη ἐπ᾿ αὐτὸν λύπη μεγάλη, καὶ ἐλογίσατο ὅτι ἀποθνήσκει.
10ontbood hij al zijn vertrouwelingen, en sprak tot hen: De slaap is van mijn ogen geweken, en van kommer is mij de moed ontzonken.
10καὶ ἐκάλεσε πάντας τοὺς φίλους αὐτοῦ καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· ἀφίσταται ὁ ὕπνος ἀπὸ τῶν ὀφθαλμῶν μου, καὶ συμπέπτωκα τῇ καρδίᾳ ἀπὸ τῆς μερίμνης,
11Ik denk bij mijzelf: In wat een ellende ben ik geraakt, en hoe groot is de rampspoed, waarin ik mij nu bevind: ik die heel mijn regering in aanzien stond en bemind was.
11καὶ εἶπα τῇ καρδίᾳ μου· ἕως τίνος θλίψεως ἦλθον καὶ κλύδωνος μεγάλου, ἐν ᾧ νῦν εἰμι; ὅτι χρηστὸς καὶ ἀγαπώμενος ἤμην ἐν τῇ ἐξουσίᾳ μου,
12Nu eerst herinner ik mij al het leed, dat ik Jerusalem heb berokkend: hoe ik daar al de gouden en zilveren vaten heb weggeroofd, en soldaten heb afgezonden, om de bewoners van Juda eenvoudig te vermoorden.
12νῦν δὲ μιμνήσκομαι τῶν κακῶν, ὧν ἐποίησα ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἔλαβον πάντα τὰ σκεύη τὰ χρυσᾶ καὶ τὰ ἀργυρᾶ τὰ ἐν αὐτῇ καὶ ἐξαπέστειλα ἐξᾶραι τοὺς κατοικοῦντας Ἰούδα διακενῆς.
13Nu zie ik in, dat dit de reden is, waarom deze rampen mij treffen, en waarom ik van grote ellende in een vreemd land zal moeten sterven.
13ἔγνων οὖν ὅτι χάριν τούτων εὗρόν με τὰ κακὰ ταῦτα· καὶ ἰδοὺ ἀπόλλυμαι λύπῃ μεγάλῃ ἐν γῇ ἀλλοτρίᾳ.
14Daarna ontbood hij Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over heel zijn rij;
14καὶ ἐκάλεσε Φίλιππον ἕνα τῶν φίλων αὐτοῦ καὶ κατέστησεν αὐτὸν ἐπὶ πάσης τῆς βασιλείας αὐτοῦ·
15hij reikte hem de diadeem, zijn mantel en de zegelring over, daar hij zijn zoon Antiochus moest opvoeden en nog op het koningschap moest voorbereiden.
15καὶ ἔδωκεν αὐτῷ τὸ διάδημα καὶ τὴν στολὴν αὐτοῦ καὶ τὸν δακτύλιον τοῦ ἀγαγεῖν Ἀντίοχον τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ ἐκθρέψαι αὐτὸν τοῦ βασιλεύειν.
16Zo stierf koning Antiochus daar in het jaar 6:149.
16καὶ ἀπέθανεν ἐκεῖ Ἀντίοχος ὁ βασιλεὺς ἔτους ἐνάτου καὶ τεσσαρακοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ.
17Maar toen Lúsias hoorde, dat de koning gestorven was, riep hij diens zoon Antiochus, dien hij in zijn jeugd had opgevoed, tot koning uit, en gaf hem de bijnaam Eúpator.
17καὶ ἐπέγνω Λυσίας ὅτι τέθνηκεν ὁ βασιλεύς, καὶ κατέστησε βασιλεύειν Ἀντίοχον τὸν υἱὸν αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ, ὃν ἐξέθρεψε νεώτερον, καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Εὐπάτορα.
18Ondertussen bleef de burchtbezetting rondom het heiligdom Israël lastig vallen; ze waren er op uit, hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en de heidenen te beschermen.
18Καὶ οἱ ἐκ τῆς ἄκρας ἦσαν συγκλείοντες τὸν Ἰσραὴλ κύκλῳ τῶν ἁγίων καὶ ζητοῦντες τὰ κακὰ δι᾿ ὅλου καὶ στήριγμα τοῖς ἔθνεσι.
19Daarom besloot Judas, hen uit de weg te ruimen, en riep hij het gehele volk op, om hen te gaan belegeren.
19καὶ ἐλογίσατο Ἰούδας ἐξᾶραι αὐτοὺς καὶ ἐξεκκλησίασε πάντα τὸν λαὸν τοῦ περικαθίσαι ἐπ᾿ αὐτούς·
20Ze sloten zich dus aaneen, en begonnen met de belegering in het jaar 150, waarbij gebruik werd gemaakt van schiettorens en belegeringswerktuigen.
20καὶ συνήχθησαν ἅμα καὶ περιεκάθισαν ἐπ᾿ αὐτοὺς ἔτους πεντηκοστοῦ καὶ ἑκατοστοῦ, καὶ ἐποίησεν ἐπ᾿ αὐτοὺς βελοστάσεις καὶ μηχανάς.
21Toch wisten enkelen door de omsingeling heen te breken. Bij hen sloten zich ook enige afvallige Israëlieten aan,
21καὶ ἐξῆλθον ἐξ αὐτῶν ἐκ τοῦ συγκλεισμοῦ, καὶ ἐκολλήθησαν αὐτοῖς τινες τῶν ἀσεβῶν ἐξ Ἰσραήλ,
22en samen reisden ze naar den koning, en zeiden: Hoe lang nog talmt gij, om recht te doen, en laat gij onze broeders ongewroken?
22καὶ ἐπορεύθησαν πρὸς τὸν βασιλέα καὶ εἶπον· ἕως πότε οὐ ποιήσῃ κρίσιν καὶ ἐκδικήσεις τοὺς ἀδελφοὺς ἡμῶν;
23Wij hebben uw vader graag gediend; we hielden ons aan zijn voorschriften en volgden zijn bevelen op.
23ἡμεῖς εὐδοκοῦμεν δουλεύειν τῷ πατρί σου καὶ πορεύεσθαι τοῖς ὑπ᾿ αὐτοῦ λεγομένοις καὶ κατακολουθεῖν τοῖς προστάγμασιν αὐτοῦ.
24Maar hierom zijn onze volksgenoten ons vijandig geworden; meer nog: al de onzen, die hun in handen vielen, werden vermoord, en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen.
24καὶ περικάθηνται εἰς τὴν ἄκραν υἱοὶ τοῦ λαοῦ ἡμῶν χάριν τούτου καὶ ἀλλοτριοῦνται ἀφ᾿ ἡμῶν· πλὴν ὅσοι εὑρίσκοντο ἀφ᾿ ἡμῶν ἐθανατοῦντο καὶ αἱ κληρονομίαι ἡμῶν διηρπάζοντο.
25En niet alleen naar ons, maar ook naar alle grensgebieden hebben ze de hand uitgestoken.
25καὶ οὐκ ἐφ᾿ ἡμᾶς μόνον ἐξέτειναν χεῖρα, ἀλλὰ καὶ ἐπὶ πάντα τὰ ὅρια αὐτῶν·
26En nu zijn ze weer begonnen, de burcht van Jerusalem te belegeren, om hem in te nemen, nadat ze de tempel en Bet-Soer al hebben versterkt.
26καὶ ἰδοὺ παρεμβεβλήκασι σήμερον ἐπὶ τὴν ἄκραν ἐν Ἱερουσαλὴμ τοῦ καταλαβέσθαι αὐτήν· καὶ τὸ ἁγίασμα καὶ τὴν Βαιθσούραν ὠχύρωσαν,
27Wanneer gij niet onmiddellijk ingrijpt, zullen zij nog erger dingen doen, en zult gij hen niet kunnen tegenhouden.
27καὶ ἐὰν μὴ προκαταλάβῃ αὐτοὺς διὰ τάχους, μείζονα τούτων ποιήσουσι, καὶ ἰδοὺ δυνήσῃ τοῦ κατασχεῖν αὐτῶν.
28Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend, en riep al zijn rijksgroten op met de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij.
28Καὶ ὠργίσθη ὁ βασιλεὺς ὅτε ἤκουσε, καὶ συνήγαγε πάντας τοὺς φίλους αὐτοῦ καὶ τοὺς ἄρχοντας τῆς δυνάμεως αὐτοῦ καὶ τοὺς ἐπὶ τῶν ἡνιῶν·
29Ook uit het buitenland en van de eilanden stroomden hem huurtroepen toe;
29καὶ ἀπὸ βασιλειῶν ἑτέρων καὶ ἀπὸ νήσων θαλασσῶν ἦλθον πρὸς αὐτὸν δυνάμεις μισθωταί.
30het getal van zijn leger bedroeg honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en twee en dertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht.
30καὶ ἦν ὁ ἀριθμὸς τῶν δυνάμεων αὐτοῦ ἑκατὸν χιλιάδες τῶν πεζῶν καὶ εἴκοσι χιλιάδες ἵππων καὶ ἐλέφαντες δύο καὶ τριάκοντα εἰδότες πόλεμον.
31Dezen trokken door Iduméa, en begonnen Bet-Soer te belegeren. Lang duurde de strijd, waarbij men gebruik maakte van belegeringswerktuigen; maar de Joden deden telkens een uitval, staken ze in brand en streden moedig.
31καὶ ἤλθοσαν διὰ τῆς Ἰδουμαίας καὶ παρενεβάλοσαν ἐπὶ Βαιθσούραν καὶ ἐπολέμησαν ἡμέρας πολλὰς καὶ ἐποίησαν μηχανάς· καὶ ἐξῆλθον καὶ ἐνεπύρισαν αὐτὰς ἐν πυρὶ καὶ ἐπολέμησαν ἀνδρωδῶς.
32Daarom liet Judas de burcht maar liggen, trok het leger van den koning tegemoet, en sloeg bij Bet-Zekarja zijn legerplaats op.
32καὶ ἀπῇρεν Ἰούδας ἀπὸ τῆς ἄκρας καὶ παρενέβαλεν εἰς Βαιθζαχαρία ἀπέναντι τῆς παρεμβολῆς τοῦ βασιλέως.
33Maar voor dag en dauw brak de koning op, en liet zijn leger in allerijl naar Bet-Zekarja trekken, waar de troepen onder het schetteren der trompetten zich in slagorde stelden.
33καὶ ὤρθρισεν ὁ βασιλεὺς τὸ πρωΐ καὶ ἀπῇρε τὴν παρεμβολὴν ἐν ὁρμήματι αὐτῆς κατὰ τὴν ὁδὸν Βαιθζαχαρία, καὶ διεσκευάσθησαν αἱ δυνάμεις εἰς τὸν πόλεμον καὶ ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι.
34Ook maakte men de olifanten dronken met druivennat en moerbeiensap, om ze strijdlustig te maken.
34καὶ τοῖς ἐλέφασιν ἔδειξαν αἷμα σταφυλῆς καὶ μόρων τοῦ παραστῆσαι αὐτοὺς εἰς τὸν πόλεμον.
35Daarna deelde men de dieren bij de verschillende afdelingen in. Bij elken olifant stelde men duizend man op, die met schubbenpantsers waren bedekt en koperen helmen droegen. Bovendien werd bij elk dier nog een afdeling van vijfhonderd uitstekende ruiters gevoegd,
35καὶ διεῖλον τὰ θηρία εἰς τὰς φάλαγγας καὶ παρέστησαν ἑκάστῳ ἐλέφαντι χιλίους ἄνδρας τεθωρακισμένους ἐν ἁλυσιδωτοῖς, καὶ περικεφαλαῖαι χαλκαῖ ἐπὶ τῶν κεφαλῶν αὐτῶν, καὶ πεντακόσιοι ἵπποι διατεταγμένοι ἑκάστῳ θηρίῳ ἐκλελεγμένοι·
36die het dier reeds enige tijd overal hadden vergezeld, en er overal mee waren opgetrokken, zonder zich er ooit van te scheiden.
36οὗτοι πρὸ καιροῦ, οὗ ἐὰν ἦν τὸ θηρίον ἦσαν καὶ οὗ ἐὰν ἐπορεύετο ἐπορεύοντο ἅμα, οὐκ ἀφίσταντο ἀπ᾿ αὐτοῦ.
37Op elk dier bevond zich een sterke, goed beschutte houten toren, die er op een bijzondere wijze op was vastgemaakt, en waarin zich, behalve een Indiër als drijver, twee of drie mannen bevonden, die erop moesten vechten.
37καὶ πύργοι ξύλινοι ἐπ᾿ αὐτοὺς ὀχυροὶ σκεπαζόμενοι ἐφ᾿ ἑκάστου θηρίου ἐζωσμένοι ἐπ᾿ αὐτοῦ μηχαναῖς, καὶ ἐφ᾿ ἑκάστου ἄνδρες δυνάμεως δύο καὶ τριάκοντα οἱ πολεμοῦντες ἐπ᾿ αὐτοῖς καὶ ὁ Ἰνδὸς αὐτοῦ.
38De rest van de ruiterij stelde hij op aan weerskanten van de beide legervleugels, met het doel, om verwarring te stichten en de legerkorpsen te dekken.
38καὶ τὴν ἐπίλοιπον ἵππον ἔνθεν καὶ ἔνθεν ἔστησαν ἐπὶ τὰ δύο μέρη τῆς παρεμβολῆς κατασείοντες καὶ καταφρασσόμενοι ἐν ταῖς φάραγξιν.
39Toen nu de zon op de gouden en koperen schilden schitterde, weerkaatste het licht op de bergen, die als vlammende fakkels begonnen te gloeien.
39ὡς δὲ ἔστιλβεν ὁ ἥλιος ἐπὶ τὰς χρυσᾶς καὶ χαλκᾶς ἀσπίδας, ἔστιλβε τὰ ὄρη ἀπ᾿ αὐτῶν καὶ κατηύγαζεν ὡς λαμπάδες πυρός.
40Een gedeelte van het koninklijk leger verspreidde zich over de bergen en een ander over de vlakte; zo rukten zij zelfverzekerd en in volmaakte orde vooruit.
40καὶ ἐξετάθη μέρος τι τῆς παρεμβολῆς τοῦ βασιλέως ἐπὶ τὰ ὑψηλὰ ὄρη καί τινες ἐπὶ τὰ ταπεινά· καὶ ἤρχοντο ἀσφαλῶς καὶ τεταγμένως.
41En allen, die de dreun dezer drommen, de opmars dezer massa en het wapengekletter hoorden, begonnen te sidderen. Want het leger was buitengewoon groot en sterk.
41καὶ ἐσαλεύοντο πάντες οἱ ἀκούοντες φωνῆς πλήθους αὐτῶν καὶ ὁδοιπορίας τοῦ πλήθους καὶ συγκρουσμοῦ τῶν ὅπλων· ἦν γὰρ ἡ παρεμβολὴ μεγάλη σφόδρα καὶ ἰσχυρά.
42Nu rukte Judas ook met zijn leger vooruit, en begon de strijd; en van het koninklijk leger sneuvelden zeshonderd man.
42καὶ ἤγγισεν Ἰούδας καὶ ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ εἰς παράταξιν, καὶ ἔπεσον ἀπὸ τῆς παρεμβολῆς τοῦ βασιλέως ἑξακόσιοι ἄνδρες.
43Intussen had Elazar, ook Hauran genoemd, bemerkt, hoe een der dieren met de koninklijke pantserversiering was opgetuigd en boven de andere dieren uitstak. Hij besloot er uit, dat de koning zich daarop moest bevinden.
43καὶ εἶδεν Ἐλεάζαρ ὁ Αὐαρὰν ἓν τῶν θηρίων τεθωρακισμένον θώρακι βασιλικῷ, καὶ ἦν ὑπεράγον πάντα τὰ θηρία, καὶ ᾠήθη ὅτι ἐν αὐτῷ ἐστιν ὁ βασιλεύς.
44Toen offerde hij zich op, om zijn volk te redden en zichzelf voor altijd beroemd te maken.
44καὶ ἔδωκεν ἑαυτὸν τοῦ σῶσαι τὸν λαὸν αὐτοῦ καὶ περιποιῆσαι ἑαυτῷ ὄνομα αἰώνιον·
45Moedig stormde hij er op af, midden door de slaglinie heen; links en rechts sloeg hij er neer, zodat men aan beide kanten voor hem moest wijken.
45καὶ ἐπέδραμεν αὐτῷ θράσει εἰς μέσον τῆς φάλαγγος καὶ ἐθανάτου δεξιὰ καὶ εὐώνυμα, καὶ ἐσχίζοντο ἀπ᾿ αὐτοῦ ἔνθα καὶ ἔνθα·
46Nu kroop hij onder den olifant, doorstak hem van onderen, en doodde hem. Het dier zakte bovenop hem in elkaar, en hij vond hier de dood.
46καὶ εἰσέδυ ὑπὸ τὸν ἐλέφαντα καὶ ὑπέθεκεν αὐτῷ καὶ ἀνεῖλεν αὐτόν, καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὴν γῆν ἐπάνω αὐτοῦ, καὶ ἀπέθανεν ἐκεῖ.
47Toen zij nu echter de kracht van het koninklijk leger en de druk van de troepen gewaar werden, weken ze voor hen terug.
47καὶ εἶδον τὴν ἰσχὺν τῆς βασιλείας καὶ τὸ ὅρμημα τῶν δυνάμεων, καὶ ἐξέκλιναν ἀπ᾿ αὐτῶν.
48Het koninklijk leger trok nu naar Jerusalem op, om hen onder schot te krijgen, en de koning sloeg daar zijn kamp op, om tegen Judea en de berg Sion te strijden.
48οἱ δὲ ἐκ τῆς παρεμβολῆς τοῦ βασιλέως ἀνέβαινον εἰς συνάντησιν αὐτῶν εἰς Ἱερουσαλήμ, καὶ παρενέβαλεν ὁ βασιλεὺς εἰς τὴν Ἰουδαίαν καὶ εἰς τὸ ὄρος Σιών.
49Hij had vrede gesloten met de bevolking van Bet-Soer, die de stad had moeten verlaten, omdat ze geen voedsel meer had, om de belegering uit te houden, daar het een sabbatjaar was voor het bouwland.
49καὶ ἐποίησεν εἰρήνην μετὰ τῶν ἐκ Βαιθσούρων, καὶ ἐξῆλθον ἐκ τῆς πόλεως, ὅτι οὐκ ἦν αὐτοῖς ἐκεῖ διατροφὴ τοῦ συγκεκλεῖσθαι ἐν αὐτῇ, ὅτι σάββατον ἦν τῇ γῇ·
50Zo alleen was de koning in het bezit van Bet-Soer gekomen, en had hij er een bezetting in kunnen leggen, om het te bewaken.
50καὶ κατελάβετο βασιλεὺς τὴν Βαιθσούραν, καὶ ἀπέταξεν ἐκεῖ φρουρὰν τηρεῖν αὐτήν.
51Nu belegerde hij gedurende lange tijd het heiligdom, en stelde er schiettorens tegen op en andere belegeringswerktuigen: toestellen, om brandpijlen en steenblokken te schieten, en katapulten voor speren en slingers.
51καὶ παρενέβαλεν ἐπὶ τὸ ἁγίασμα ἡμέρας πολλὰς καὶ ἔστησεν ἐκεῖ βελοστάσεις καὶ μηχανὰς καὶ πυροβόλα καὶ λιθόβολα καὶ σκορπίδια εἰς τὸ βάλλεσθαι βέλη καὶ σφενδόνας.
52Maar ook de Joden stelden werktuigen tegen de hunne op, en verdedigden zich lange tijd.
52καὶ ἐποίησαν καὶ αὐτοὶ μηχανὰς πρὸς τὰς μηχανὰς αὐτῶν καὶ ἐπολέμησαν ἡμέρας πολλάς.
53Intussen echter waren de levensmiddelen in de opslagplaatsen opgeraakt, omdat men in het sabbatjaar was, en het overschot van de vroegere oogst was opgeteerd door hen, die uit vrees voor de heidenen in Judea een onderkomen hadden gevonden.
53βρώματα δὲ οὐκ ἦν ἐν τοῖς ἀγγείοις διὰ τὸ ἕβδομον ἔτος εἶναι, καὶ οἱ ἀνασῳζόμενοι εἰς τὴν Ἰουδαίαν ἀπὸ τῶν ἐθνῶν κατέφαγον τὸ ὑπόλειμμα τῆς παραθέσεως.
54Zo waren er nog maar weinig mannen in het heiligdom achtergebleven; want de hongersnood had hen gedwongen, uit elkaar te gaan, iedereen naar zijn eigen woonplaats.
54καὶ ὑπελείφθησαν ἐν τοῖς ἁγίοις ἄνδρες ὀλίγοι, ὅτι κατεκράτησεν αὐτῶν ὁ λιμός, καὶ ἐσκορπίσθησαν ἕκαστος εἰς τὸν τόπον αὐτοῦ.
55Toen Lúsias echter vernam, dat Filippus, dien koning Antiochus nog bij zijn leven had aangewezen, om zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden,
55Καὶ ἤκουσε Λυσίας ὅτι Φίλιππος, ὃν κατέστησεν ὁ βασιλεὺς Ἀντίοχος ἔτι ζῶν ἐκθρέψαι Ἀντίοχον τὸν υἱὸν αὐτοῦ εἰς τὸ βασιλεῦσαι αὐτόν,
56uit Perzië en Medië was teruggekomen met de troepen, die den koning waren gevolgd, en nu probeerde, de regering in handen te krijgen,
56ἀπέστρεψεν ἀπὸ τῆς Περσίδος καὶ Μηδίας καὶ αἱ δυνάμεις αἱ πορευθεῖσαι τοῦ βασιλέως μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ὅτι ζητεῖ παραλαβεῖν τὰ πράγματα.
57zette hij er alles op, om zo spoedig mogelijk weg te trekken. Daarom sprak hij tot den koning, de legerbevelhebbers en manschappen: Wij worden met de dag zwakker en hebben maar weinig levensmiddelen meer; en de plaats, die wij belegeren, is sterk. Bovendien vraagt het rijk zelf al onze zorgen.
57καὶ κατέσπευδε τοῦ ἀπελθεῖν καὶ εἰπεῖν πρὸς τὸν βασιλέα καὶ τοὺς ἡγεμόνας τῆς δυνάμεως καὶ τοὺς ἄνδρας· ἐκλείπομεν καθ᾿ ἡμέραν, καὶ ἡ τροφὴ ἡμῖν ὀλίγη, καὶ ὁ τόπος οὗ παρεμβάλλομέν ἐστιν ὀχυρός, καὶ ἐπίκειται ἡμῖν τὰ τῆς βασιλείας·
58Laat ons daarom deze mensen de hand bieden, vrede met hen sluiten en met geheel hun volk,
58νῦν οὖν δῶμεν δεξιὰν τοῖς ἀνθρώποις τούτοις καὶποιήσωμεν μετ᾿ αὐτῶν εἰρήνην καὶ μετὰ παντὸς ἔθνους αὐτῶν
59en hun verlof geven volgens hun eigen zeden te leven evenals vroeger. Want omdat wij hun gebruiken hebben afgeschaft, zijn zij woedend geworden, en hebben al deze dingen gedaan.
59καὶ στήσωμεν αὐτοῖς τοῦ πορεύεσθαι τοῖς νομίμοις αὐτῶν, ὡς τὸ πρότερον· χάριν γὰρ τῶν νομίμων αὐτῶν, ὧν διεσκεδάσαμεν, ὠργίσθησαν καὶ ἐποίησαν ταῦτα πάντα.
60Dit voorstel beviel den koning en zijn legeraanvoerders, en hij liet hun dus de vrede aanbieden. Zij namen hem aan;
60καὶ ἤρεσεν ὁ λόγος ἐναντίον τοῦ βασιλέως καὶ τῶν ἀρχόντων, καὶ ἀπέστειλε πρὸς αὐτοὺς εἰρηνεῦσαι, καὶ ἐπεδέξαντο.
61en omdat de koning en zijn veldheren hem met een eed hadden bekrachtigd, verlieten zij de vesting,
61καὶ ὤμοσεν αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς καὶ οἱ ἄρχοντες· ἐπὶ τούτοις ἐξῆλθον ἐκ τοῦ ὀχυρώματος.
62en hield de koning zijn intocht op de Sionsberg. Maar toen hij zag, hoe sterk dit punt was verdedigd, verbrak hij de eed, die hij gezworen had, en gaf bevel, de muren aan alle kanten te slechten.
62καὶ εἰσῆλθεν ὁ βασιλεὺς εἰς τὸ ὄρος Σιὼν καὶ εἶδε τὸ ὀχύρωμα τοῦ τόπου καὶ ἠθέτησε τὸν ὁρκισμόν, ὃν ὤμοσε, καὶ ἐνετείλατο καθελεῖν τὸ τεῖχος κυκλόθεν.
63Daarop trok hij haastig weg, en keerde naar Antiochië terug; daar vond hij Filippus, die de stad in zijn macht hield; hij viel hem aan, en nam de stad met geweld in.
63καὶ ἀπῇρε κατὰ σπουδὴν καὶ ἀπέστρεψεν εἰς Ἀντιόχειαν καὶ εὗρε Φίλιππον κυριεύοντα τῆς πόλεως καὶ ἐπολέμησε πρὸς αὐτόν, καὶ κατελάβετο τὴν πόλιν βίᾳ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.