Lucas 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Er was eens een rijk man, die een rentmeester had. Deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn goederen verkwistte.
1And he said also to his disciples: There was a certain rich man who had a steward: and the same was accused unto him, that he had wasted his goods.
2Hij ontbood hem, en zeide: Wat hoor ik van u? Geef rekenschap van uw beheer; want ge kunt geen rentmeester meer blijven.
2And he called him, and said to him: How is it that I hear this of thee? give an account of thy stewardship: for now thou canst be steward no longer.
3Toen dacht de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen? Want mijn heer neemt mij het rentmeesterschap af; en voor spitten ben ik niet sterk genoeg, voor bedelen schaam ik mij.
3And the steward said within himself: What shall I do, because my lord taketh away from me the stewardship? To dig I am not able; to beg I am ashamed.
4Ik weet wat ik doen moet, opdat ze mij bij zich in huis zullen nemen, wanneer ik als rentmeester ben afgezet.
4I know what I will do, that when I shall be removed from the stewardship, they may receive me into their houses.
5Hij ontbood één voor één de schuldenaars van zijn heer. En tot den eersten sprak hij: Hoeveel zijt ge mijn heer schuldig?
5Therefore calling together every one of his lord’s debtors, he said to the first: How much dost thou owe my lord?
6Hij zei: Honderd vat olie. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; ga zitten, en schrijf: Vijftig.
6But he said: An hundred barrels of oil. And he said to him: Take thy bill and sit down quickly, and write fifty.
7En tot een tweede sprak hij: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Hij zei: Honderd mud tarwe. Hij sprak tot hem: Ziehier uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.
7Then he said to another: And how much dost thou owe? Who said: An hundred quarters of wheat. He said to him: Take thy bill, and write eighty.
8En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld. Waarachtig, de kinderen dezer wereld behartigen hun belangen met meer overleg dan de kinderen van het licht.
8And the lord commended the unjust steward, forasmuch as he had done wisely: for the children of this world are wiser in their generation than the children of light.
9Ik zeg u: Maakt u vrienden door de ongerechte mammon, opdat, wanneer hij u komt te ontvallen, zij u mogen opnemen in de eeuwige tenten.
9And I say to you: Make unto you friends of the mammon of iniquity; that when you shall fail, they may receive you into everlasting dwellings.
10Wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote; en die onbetrouwbaar is in het kleine, is ook onbetrouwbaar in het grote.
10He that is faithful in that which is least, is faithful also in that which is greater: and he that is unjust in that which is little, is unjust also in that which is greater.
11Zo gij dus onbetrouwbaar zijt in de valse rijkdom, wie zal u dan de waarachtige rijkdom toevertrouwen?
11If then you have not been faithful in the unjust mammon; who will trust you with that which is the true?
12En zo gij onbetrouwbaar zijt in het goed van een ander, wie zal u geven, wat u toekomt.
12And if you have not been faithful in that which is another’s; who will give you that which is your own?
13Geen dienaar kan twee heren dienen; hij zal of den één haten en den ander beminnen, of den één aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.
13No servant can serve two masters: for either he will hate the one, and love the other; or he will hold to the one, and despise the other. You cannot serve God and mammon.
14De farizeën hoorden dit alles; maar omdat ze gierig waren, lachten ze Hem uit.
14Now the Pharisees, who were covetous, heard all these things: and they derided him.
15Hij zei hun: Gij doet u als rechtvaardig voor in het oog van de mensen; maar God kent uw harten. Want wat verheven is bij de mensen, is een gruwel in Gods oog.
15And he said to them: You are they who justify yourselves before men, but God knoweth your hearts; for that which is high to men, is an abomination before God.
16De Wet en de Profeten waren tot aan Johannes van kracht; van toen af is het koninkrijk Gods verkondigd, en allen bestormen het met geweld.
16The law and the prophets were until John; from that time the kingdom of God is preached, and every one useth violence towards it.
17Toch zal gemakkelijker hemel en aarde vergaan, dan dat er een enkele streep van de Wet zou vervallen.
17And it is easier for heaven and earth to pass, than one tittle of the law to fall.
18Wie zijn vrouw verstoot, en een andere huwt, pleegt echtbreuk; en wie een vrouw huwt, die door haar man is verstoten, pleegt echtbreuk.
18Every one that putteth away his wife, and marrieth another, committeth adultery: and he that marrieth her that is put away from her husband, committeth adultery.
19Er was eens een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging, en, dag in dag uit, een weelderig leven genoot.
19There was a certain rich man, who was clothed in purple and fine linen; and feasted sumptuously every day.
20Maar er was ook een bedelaar, Lázarus geheten, die zich bij zijn voorportaal had neergelegd. Hij was met zweren bedekt,
20And there was a certain beggar, named Lazarus, who lay at his gate, full of sores,
21en was begerig, om zijn honger te stillen met de afval van de tafel van den rijke; en de honden kwamen zijn zweren likken.
21Desiring to be filled with the crumbs that fell from the rich man’s table, and no one did give him; moreover the dogs came, and licked his sores.
22Maar toen de arme gestorven was, werd hij door de engelen in Abrahams schoot gedragen. Daarna stierf ook de rijke, en werd begraven.
22And it came to pass, that the beggar died, and was carried by the angels into Abraham’s bosom. And the rich man also died: and he was buried in hell.
23En terwijl hij in de hel werd gefolterd, sloeg hij zijn ogen op, en zag Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot.
23And lifting up his eyes when he was in torments, he saw Abraham afar off, and Lazarus in his bosom:
24En luid riep hij uit: Vader Abraham, heb medelijden met mij, en zend Lázarus hierheen; laat hem de top van zijn vinger in water dopen, om mijn tong te verfrissen; want ik lijd hier geweldige smart in de vlammen.
24And he cried, and said: Father Abraham, have mercy on me, and send Lazarus, that he may dip the tip of his finger in water, to cool my tongue: for I am tormented in this flame.
25Maar Abraham sprak: Kind, denk er aan, dat gij in uw leven het goede hebt ontvangen, en Lázarus toen het kwade; nu wordt hij hier vertroost, en gij lijdt pijn.
25And Abraham said to him: Son, remember that thou didst receive good things in thy lifetime, and likewise Lazareth evil things, but now he is comforted; and thou art tormented.
26Bovendien gaapt er tussen ons en u een geweldige afgrond; zodat men van hier niet naar u kan gaan, ook al zou men het willen, en men van ginds niet naar ons komen kan.
26And besides all this, between us and you, there is fixed a great chaos: so that they who would pass from hence to you, cannot, nor from thence come hither.
27Toen zeide hij: Ik bid u dan, vader, dat ge hem naar het huis van mijn vader stuurt.
27And he said: Then, father, I beseech thee, that thou wouldst send him to my father’s house, for I have five brethren,
28Want ik heb vijf broers; laat hij ze gaan waarschuwen, opdat ook zij niet in deze folterplaats komen.
28That he may testify unto them, lest they also come into this place of torments.
29Maar Abraham sprak tot hem: Ze hebben Moses en de profeten; laten ze luisteren naar hen.
29And Abraham said to him: They have Moses and the prophets; let them hear them.
30Hij zei: Neen, vader Abraham; maar wèl zullen ze zich bekeren, wanneer er iemand van de doden tot hen komt.
30But he said: No, father Abraham: but if one went to them from the dead, they will do penance.
31Maar hij zei hem: Als ze niet luisteren naar Moses en de profeten, dan zullen ze zich ook niet laten gezeggen, zelfs al stond er iemand op uit de doden.
31And he said to him: If they hear not Moses and the prophets, neither will they believe, if one rise again from the dead.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.