Tobit 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Intussen trok Tobias verder, gevolgd door zijn hond; de eerste rust hield hij aan de rivier de Tigris.
1ΟΙ δὲ πορευόμενοι τὴν ὁδὸν ἦλθον ἑσπέρας ἐπὶ τὸν Τίγριν ποταμόν, καὶ ηὐλίζοντο ἐκεῖ.
2Toen hij daar zijn voeten ging wassen, schoot er plotseling een grote vis naar voren, die hem in zijn voet wilde happen.
2τὸ δὲ παιδάριον κατέβη περικλύσασθαι, καὶ ἀνεπήδησεν ἰχθὺς ἀπὸ τοῦ ποταμοῦ καὶ ἐβουλήθη καταπιεῖν τὸ παιδάριον.
3Geheel van streek schreeuwde Tobias het uit: Heer, hij valt mij aan.
3ὁ δὲ ἄγγελος εἶπεν αὐτῷ· ἐπιλαβοῦ τοῦ ἰχθύος. καὶ ἐκράτησε τὸν ἰχθὺν τὸ παιδάριον καὶ ἀνέβαλεν αὐτὸν ἐπὶ τὴν γῆν.
4Maar de engel sprak: Grijp hem bij de kieuwen, en trek hem naar u toe. Hij deed het en trok hem op het droge, waar hij lag te spartelen aan zijn voeten.
4καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ ἄγγελος· ἀνάτεμε τὸν ἰχθὺν καὶ λαβὼν τὴν καρδίαν καὶ τὸ ἧπαρ καὶ τὴν χολὴν θὲς ἀσφαλῶς.
5Toen sprak de engel: Haal de ingewanden uit die vis en leg het hart, de gal en de lever ter zijde; want die kunnen goede diensten bewijzen als geneesmiddel.
5καὶ ἐποίησε τὸ παιδάριον ὡς εἶπεν αὐτῷ ὁ ἄγγελος, τὸν δὲ ἰχθὺν ὀπτήσαντες ἔφαγον.
6Toen hij dit had gedaan, bakten zij de vis en aten er van. Op weg naar Ekbátana, de stad der Meden,
6καὶ ὥδευον ἀμφότεροι, ἕως οὗ ἤγγισαν ἐν Ἐκβατάνοις.
7stelde Tobias den engel de vraag: Azarias, mijn broeder, zeg mij toch eens, wat er voor geneeskracht ligt in de dingen, die gij mij van de vis laat bewaren?
7καὶ εἶπε τὸ παιδάριον τῷ ἀγγέλῳ· Ἀζαρία ἀδελφέ, τί ἐστιν ἡ καρδία καὶ τὸ ἧπαρ καὶ ἡ χολὴ τοῦ ἰχθύος;
8De engel antwoordde: Als gij een stukje van hart en lever op kolen legt, verdrijft de rook daarvan bij mannen of bij vrouwen alle mogelijke boze geesten, zodat ze nooit meer bij hen terugkomen.
8καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἡ καρδία καὶ τὸ ἧπαρ, ἐάν τινα ὀχλῇ δαιμόνιον ἢ πνεῦμα πονηρόν, ταῦτα δεῖ καπνίσαι ἐνώπιον ἀνθρώπου ἢ γυναικός, καὶ οὐκέτι οὐ μὴ ὀχληθῇ·
9En de gal dient om er de ogen mee te bestrijken, die witte vlekken vertonen, en ze daarmee te genezen.
9ἡ δὲ χολή, ἐγχρῖσαι ἄνθρωπον, ὃς ἔχει λευκώματα ἐν τοῖς ὀφθαλμοῖς, καὶ ἰαθήσεται.
10Toen zij eindelijk Ekbtana naderden, sprak Tobias tot den engel: Waar wilt gij, dat wij onze intrek nemen?
10ὡς δὲ προσήγγισαν τῇ Ράγῃ,
11Hij antwoordde: Hier woont een zekere Raguël, die tot uw stam behoort en zelfs een bloedverwant van u is. Hij heeft een dochter, die Sara heet; er is geen zoon en ook geen andere dochter dan deze.
11εἶπεν ὁ ἄγγελος τῷ παιδαρίῳ· ἀδελφέ, σήμερον αὐλισθησόμεθα παρὰ Ραγουήλ, καὶ αὐτὸς συγγενής σού ἐστι, καὶ ἔστιν αὐτῷ θυγάτηρ ὀνόματι Σάρρα·
12Gij hebt dus recht op geheel zijn bezit; maar dan moet ge met haar trouwen.
12λαλήσω περὶ αὐτῆς τοῦ δοθῆναί σοι αὐτὴν εἰς γυναῖκα, ὅτι σοι ἐπιβάλλει ἡ κληρονομία αὐτῆς, καὶ σὺ μόνος εἶ ἐκ τοῦ γένους αὐτῆς, καὶ τὸ κοράσιον καλὸν καὶ φρόνιμόν ἐστι.
13Vraag haar dus aan haar vader; hij geeft u haar zeker tot vrouw.
13καὶ νῦν ἄκουσόν μου καὶ λαλήσω τῷ πατρὶ αὐτῆς, καὶ ὅταν ὑποστρέψωμεν ἐκ Ραγῶν, ποιήσομεν τὸν γάμον· διότι ἐπίσταμαι Ραγουὴλ ὅτι οὐ μὴ δῷ αὐτὴν ἀνδρὶ ἑτέρῳ κατὰ τὸν νόμον Μωυσῆ ἢ ὀφειλήσει θάνατον, ὅτι τὴν κληρονομίαν σοὶ καθήκει λαβεῖν ἢ πάντα ἄνθρωπον.
14Maar Tobias bracht er tegen in: Ik heb horen zeggen, dat zij al aan zeven mannen is uitgehuwd, en dat die allen gestorven zijn; ik heb zelfs gehoord, dat een boze geest ze heeft gedood.
14τότε εἶπε τὸ παιδάριον τῷ ἀγγέλῳ· Ἀζαρία ἀδελφέ, ἀκήκοα ἐγὼ τὸ κοράσιον δεδόσθαι ἑπτὰ ἀνδράσι καὶ πάντας ἐν τῷ νυμφῶνι ἀπολωλότας.
15Daarom ben ik bang, dat ook mij zo iets overkomt; want ik ben het enige kind van mijn ouders, en zou dan de schuld zijn, dat die oude mensen van verdriet naar het dodenrijk gaan.
15καὶ νῦν ἐγὼ μόνος εἰμὶ τῷ πατρὶ καὶ φοβοῦμαι μὴ εἰσελθὼν ἀποθάνω καθὼς καὶ οἱ πρότεροι, ὅτι δαιμόνιον φιλεῖ αὐτήν, ὃ οὐκ ἀδικεῖ οὐδένα πλὴν τῶν προσαγόντων αὐτῇ. καὶ νῦν ἐγὼ φοβοῦμαι μὴ ἀποθάνω καὶ κατάξω τὴν ζωὴν τοῦ πατρός μου καὶ τῆς μητρός μου μετ᾿ ὀδύνης ἐπ᾿ ἐμοὶ εἰς τὸν τάφον αὐτῶν· καὶ υἱὸς ἕτερος οὐχ ὑπάρχει αὐτοῖς, ὃς θάψει αὐτούς.
16Toen sprak de engel Rafaël tot hem: Luister eens naar me; ik zal u uitleggen, over wie de duivel macht kan hebben.
16εἶπε δὲ αὐτῷ ὁ ἄγγελος· οὐ μέμνησαι τῶν λόγων, ὧν ἐνετείλατό σοι ὁ πατήρ σου, ὑπὲρ τοῦ λαβεῖν σε γυναῖκα ἐκ τοῦ γένους σου; καὶ νῦν ἄκουσόν μου, ἀδελφέ, διότι σοὶ ἔσται εἰς γυναῖκα, καὶ τοῦ δαιμονίου μηδένα λόγον ἔχε, ὅτι τὴν νύκτα ταύτην δοθήσεταί σοι αὕτη εἰς γυναῖκα.
17De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat zij God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand,
17καὶ ἐὰν εἰσέλθῃς εἰς τὸν νυμφῶνα, λήψῃ τέφραν θυμιαμάτων καὶ ἐπιθήσεις ἀπὸ τῆς καρδίας καὶ τοῦ ἥπατος τοῦ ἰχθύος καὶ καπνίσεις,
18maar als gij met haar trouwt en haar kamer betreedt, moet gij u drie dagen lang haar ontzeggen en slechts met haar bidden.
18καὶ ὀσφρανθήσεται τὸ δαιμόνιον καὶ φεύξεται καὶ οὐκ ἐπανελεύσεται εἰς τὸν αἰῶνα τοῦ αἰῶνος. ὅταν δὲ προσπορεύῃ αὐτῇ, ἐγέρθητε ἀμφότεροι καὶ βοήσατε πρὸς τὸν ἐλεήμονα Θεόν, καὶ σώσει ὑμᾶς καὶ ἐλεήσει. μὴ φοβοῦ, ὅτι σοὶ αὐτὴ ἡτοιμασμένη ἦν ἀπὸ τοῦ αἰῶνος, καὶ σὺ αὐτὴν σώσεις, καὶ πορεύσεται μετὰ σοῦ, καὶ ὑπολαμβάνω ὅτι σοι ἔσται ἐξ αὐτῆς παιδία.
19In de eerste nacht zal de boze geest op de vlucht gaan, als de lever van de vis wordt verbrand.
19καὶ ὡς ἤκουσε Τωβίας ταῦτα, ἐφίλησεν αὐτήν, καὶ ἡ ψυχὴ αὐτοῦ ἐκολλήθη σφόδρα αὐτῇ.
20In de tweede nacht zult gij worden toegelaten tot de gemeenschap der heilige aartsvaders.
no verse 20 in this text
21En in de derde nacht zult gij de zegen ontvangen, dat gij flinke kinderen ter wereld brengt.
no verse 21 in this text
22Eerst als de derde nacht voorbij is, moogt ge het meisje bezitten in de vreze des Heren, meer gedreven door verlangen naar kroost, dan door genot van de zinnen; dan zult gij in het geslacht van Abraham gezegend worden in uw kinderen.
no verse 22 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.