Tobit 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Naderhand, toen er eens op een feestdag des Heren in het huis van Tobit een feestmaaltijd was aangericht,
1ΟΤΕ δὲ κατῆλθον εἰς τὸν οἶκόν μου καὶ ἀπεδόθη μοι Ἄννα ἡ γυνή μου, καὶ Τωβίας ὁ υἱός μου, ἐν τῇ πεντηκοστῇ ἑορτῇ, ἥ ἐστιν ἁγία ἑπτὰ ἑβδομάδων, ἐγενήθη ἄριστον καλόν μοι, καὶ ἀνέπεσα τοῦ φαγεῖν.
2zeide hij tot zijn zoon: Ga enkele godvrezende stamgenoten van ons uitnodigen, om bij ons te komen eten.
2καὶ ἐθεασάμην ὄψα πολλὰ καὶ εἶπα τῷ υἱῷ μου· βάδισον καὶ ἄγαγε ὃν ἂν εὕρῃς τῶν ἀδελφῶν ἡμῶν ἐνδεῆ, ὃς μέμνηται τοῦ Κυρίου, καὶ ἰδοὺ μένω σε.
3Deze deed het, en vertelde hem bij zijn terugkomst, dat er op straat een Israëliet vermoord lag. Onmiddellijk stond hij van tafel op, liet de maaltijd onaangeroerd, en ging zonder gegeten te hebben naar het lijk;
3καὶ ἐλθὼν εἶπε· πάτερ, εἷς ἐκ τοῦ γένους ἡμῶν ἐστραγγαλωμένος ἔρριπται ἐν τῇ ἀγορᾷ.
4hij nam het op en bracht het heimelijk in zijn huis, om het na zonsondergang behoedzaam te begraven.
4κἀγὼ πρὶν ἢ γεύσασθαί με, ἀναπηδήσας ἀνειλόμην αὐτὸν εἴς τι οἴκημα, ἕως οὗ ἔδυ ὁ ἥλιος.
5En eerst na het lijk te hebben verborgen, nam hij zijn maaltijd in droefheid en vrees,
5καὶ ἐπιστρέψας ἐλουσάμην καὶ ἤσθιον τὸν ἄρτον μου ἐν λύπῃ·
6het woord indachtig, dat de Heer door den profeet Amos gesproken had: Uw feestdagen zullen verkeren in geweeklaag en rouw.
6καὶ ἐμνήσθην τῆς προφητείας Ἀμώς, καθὼς εἶπε· στραφήσονται αἱ ἑορταὶ ὑμῶν εἰς πένθος καὶ πᾶσαι αἱ εὐφροσύναι ὑμῶν εἰς θρῆνον,
7En na zonsondergang ging hij hem begraven.
7καὶ ἔκλαυσα. καὶ ὅτε ἔδυ ὁ ἥλιος, ᾠχόμην καὶ ὀρύξας ἔθαψα αὐτόν.
8Maar al zijn bloedverwanten keurden het af en zeiden hem: Men heeft al eens bevel gegeven, u hiervoor te doden, en nauwelijks zijt gij aan dit doodvonnis ontsnapt; en nu begraaft gij wederom de doden!
8καὶ οἱ πλησίον ἐπεγέλων λέγοντες· οὐκ ἔτι φοβεῖται φονευθῆναι περὶ τοῦ πράγματος τούτου, καὶ ἀπέδρα, καὶ ἰδοὺ πάλιν θάπτει τοὺς νεκρούς.
9Tobit echter vreesde God meer dan den koning; hij bleef de lijken van vermoorden ophalen, verborg ze in zijn huis en begroef ze in het holst van de nacht.
9καὶ ἐν αὐτῇ τῇ νυκτὶ ἀνέλυσα θάψας καὶ ἐκοιμήθην μεμιαμμένος παρὰ τὸν τοῖχον τῆς αὐλῆς, καὶ τὸ πρόσωπόν μου ἀκάλυπτον ἦν.
10Nu gebeurde het eens, dat hij vermoeid van het begraven thuis kwam, zich tegen de muur te rusten legde en insliep;
10καὶ οὐκ ᾔδειν ὅτι στρουθία ἐν τῷ τοίχῳ ἐστί, καὶ τῶν ὀφθαλμῶν μου ἀνεῳγότων, ἀφώδευσαν τὰ στρουθία θερμὸν εἰς τοὺς ὀφθαλμούς μου, καὶ ἐγενήθη λευκώματα ἐν τοῖς ὀφθαλμοῖς μου. καὶ ἐπορεύθην πρὸς ἰατρούς, καὶ οὐκ ὠφέλησάν με· Ἀχιάχαρος δὲ ἔτρεφέ με, ἕως οὗ ἐπορεύθην εἰς τὴν Ἐλυμαΐδα.
11en terwijl hij sliep, viel hem uit een zwaluwnest warme drek op de ogen, zodat hij blind werd.
11καὶ ἡ γυνή μου Ἄννα ἠριθεύετο ἐν τοῖς γυναικείοις·
12De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om de lateren een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van den heiligen Job.
12καὶ ἀπέστελλε τοῖς κυρίοις, καὶ ἀπέδωκαν αὐτῇ καὶ αὐτοὶ τὸν μισθὸν προσδόντες καὶ ἔριφον.
13Want ofschoon hij van zijn prilste jeugd steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God;
13ὅτε δὲ ἦλθε πρός με, ἤρξατο κράζειν· καὶ εἶπα αὐτῇ· πόθεν τὸ ἐρίφιον; μὴ κλεψιμαῖόν ἐστιν; ἀπόδος αὐτὸ τοῖς κυρίοις· οὐ γὰρ θεμιτόν ἐστι φαγεῖν κλεψιμαῖον.
14neen, onwankelbaar bleef hij in de vreze Gods volharden, en God danken alle dagen van zijn leven.
14ἡ δὲ εἶπε· δῶρον δέδοταί μοι ἐπὶ τῷ μισθῷ. καὶ οὐκ ἐπίστευον αὐτῇ καὶ ἔλεγον ἀποδιδόναι αὐτὸ τοῖς κυρίοις καί ἠρυθρίων πρὸς αὐτήν· ἡ δὲ ἀποκριθεῖσα εἶπέ μοι· ποῦ εἰσιν αἱ ἐλεημοσύναι σου καὶ αἱ δικαιοσύναι σου; ἰδοὺ γνωστὰ πάντα μετὰ σοῦ.
15Maar zoals de stamvorsten den zaligen Job hadden gehoond, zo werd ook hij door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden:
no verse 15 in this text
16Waar blijft nu uw hoop, waarvoor gij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?
no verse 16 in this text
17Doch Tobit berispte hen en gaf hun ten antwoord: Spreekt toch niet zo;
no verse 17 in this text
18want wij zijn van het geslacht der heiligen en verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nimmer breken4.
no verse 18 in this text
19Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij voor haar handenarbeid had kunnen bekomen.
no verse 19 in this text
20Nu gebeurde het eens, dat zij een geitebokje kreeg en meebracht naar huis.
no verse 20 in this text
21Doch toen haar man het hoorde blaten, zeide hij: Wees voorzichtig, het kon wel eens gestolen zijn; geef het liever aan den eigenaar terug, want iets, dat gestolen is, mogen we niet eten of behouden.
no verse 21 in this text
22Maar zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: Het is nu wel duidelijk genoeg, dat uw hoop niets meer waard is, en wat er van uw aalmoezen terechtkomt!
no verse 22 in this text
23En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten doen.
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.