Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Naderhand, toen er eens op een feestdag des Heren in het huis van Tobit een feestmaaltijd was aangericht,
1Now when I was come home again, and my wife Anna was restored unto me, with my son Tobias, in the feast of Pentecost, which is the holy feast of the seven weeks, there was a good dinner prepared me, in the which I sat down to eat.
2zeide hij tot zijn zoon: Ga enkele godvrezende stamgenoten van ons uitnodigen, om bij ons te komen eten.
2And when I saw abundance of meat, I said to my son, Go and bring what poor man soever thou shalt find out of our brethren, who is mindful of the Lord; and, lo, I tarry for thee.
3Deze deed het, en vertelde hem bij zijn terugkomst, dat er op straat een Israëliet vermoord lag. Onmiddellijk stond hij van tafel op, liet de maaltijd onaangeroerd, en ging zonder gegeten te hebben naar het lijk;
3But he came again, and said, Father, one of our nation is strangled, and is cast out in the marketplace.
4hij nam het op en bracht het heimelijk in zijn huis, om het na zonsondergang behoedzaam te begraven.
4Then before I had tasted of any meat, I started up, and took him up into a room until the going down of the sun.
5En eerst na het lijk te hebben verborgen, nam hij zijn maaltijd in droefheid en vrees,
5Then I returned, and washed myself, and ate my meat in heaviness,
6het woord indachtig, dat de Heer door den profeet Amos gesproken had: Uw feestdagen zullen verkeren in geweeklaag en rouw.
6Remembering that prophecy of Amos, as he said, Your feasts shall be turned into mourning, and all your mirth into lamentation.
7En na zonsondergang ging hij hem begraven.
7Therefore I wept: and after the going down of the sun I went and made a grave, and buried him.
8Maar al zijn bloedverwanten keurden het af en zeiden hem: Men heeft al eens bevel gegeven, u hiervoor te doden, en nauwelijks zijt gij aan dit doodvonnis ontsnapt; en nu begraaft gij wederom de doden!
8But my neighbours mocked me, and said, This man is not yet afraid to be put to death for this matter: who fled away; and yet, lo, he burieth the dead again.
9Tobit echter vreesde God meer dan den koning; hij bleef de lijken van vermoorden ophalen, verborg ze in zijn huis en begroef ze in het holst van de nacht.
9The same night also I returned from the burial, and slept by the wall of my courtyard, being polluted and my face was uncovered:
10Nu gebeurde het eens, dat hij vermoeid van het begraven thuis kwam, zich tegen de muur te rusten legde en insliep;
10And I knew not that there were sparrows in the wall, and mine eyes being open, the sparrows muted warm dung into mine eyes, and a whiteness came in mine eyes: and I went to the physicians, but they helped me not: moreover Achiacharus did nourish me, until I went into Elymais.
11en terwijl hij sliep, viel hem uit een zwaluwnest warme drek op de ogen, zodat hij blind werd.
11And my wife Anna did take women’s works to do.
12De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om de lateren een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van den heiligen Job.
12And when she had sent them home to the owners, they paid her wages, and gave her also besides a kid.
13Want ofschoon hij van zijn prilste jeugd steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God;
13And when it was in my house, and began to cry, I said unto her, From whence is this kid? is it not stolen? render it to the owners; for it is not lawful to eat any thing that is stolen.
14neen, onwankelbaar bleef hij in de vreze Gods volharden, en God danken alle dagen van zijn leven.
14But she replied upon me, It was given for a gift more than the wages. Howbeit I did not believe her, but bade her render it to the owners: and I was abashed at her. But she replied upon me, Where are thine alms and thy righteous deeds? behold, thou and all thy works are known.
15Maar zoals de stamvorsten den zaligen Job hadden gehoond, zo werd ook hij door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden:
no verse 15 in this text
16Waar blijft nu uw hoop, waarvoor gij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?
no verse 16 in this text
17Doch Tobit berispte hen en gaf hun ten antwoord: Spreekt toch niet zo;
no verse 17 in this text
18want wij zijn van het geslacht der heiligen en verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nimmer breken4.
no verse 18 in this text
19Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij voor haar handenarbeid had kunnen bekomen.
no verse 19 in this text
20Nu gebeurde het eens, dat zij een geitebokje kreeg en meebracht naar huis.
no verse 20 in this text
21Doch toen haar man het hoorde blaten, zeide hij: Wees voorzichtig, het kon wel eens gestolen zijn; geef het liever aan den eigenaar terug, want iets, dat gestolen is, mogen we niet eten of behouden.
no verse 21 in this text
22Maar zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: Het is nu wel duidelijk genoeg, dat uw hoop niets meer waard is, en wat er van uw aalmoezen terechtkomt!
no verse 22 in this text
23En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten doen.
no verse 23 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.