Tobit 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, alles wat gij mij opdraagt, zal ik doen.
1Tobias then answered and said, Father, I will do all things which thou hast commanded me:
2Maar ik begrijp niet, hoe ik dat geld moet terugkrijgen. Hij kent mij niet, en ik ken hèm niet; wat voor bewijs zal ik hem geven? Bovendien is zelfs de weg erheen mij onbekend.
2But how can I receive the money, seeing I know him not?
3Maar zijn vader zeide hem: Wel, ik heb hier toch zijn ontvangbewijs; als gij hem dat laat zien, zal hij onmiddellijk uitbetalen.
3Then he gave him the handwriting, and said unto him, Seek thee a man which may go with thee, whiles I yet live, and I will give him wages: and go and receive the money.
4En ga nu maar eens zien, of ge een betrouwbaar man kunt vinden, die tegen een behoorlijk loon met u wil meegaan, om het geld terug te halen, vóórdat ik sterf.
4Therefore when he went to seek a man, he found Raphael that was an angel.
5Tobias ging er dus op uit, en trof een deftigen jongeman, met opgeschort kleed en kant en klaar voor de reis.
5But he knew not; and he said unto him, Canst thou go with me to Rages? and knowest thou those places well?
6Zonder te weten, dat het een engel Gods was, sprak hij hem aan en vroeg: Waar komt ge vandaan, edele jongeling?
6To whom the angel said, I will go with thee, and I know the way well: for I have lodged with our brother Gabael.
7Hij antwoordde: Van de kinderen van Israël. Tobias vroeg verder: Kent gij de weg naar het land der Meden?
7Then Tobias said unto him, Tarry for me, till I tell my father.
8Hij antwoordde: Zeker, en alle wegen daarheen heb ik al dikwijls bereisd; ik verbleef dan bij Gabaël, onzen broeder, die in Rages woont, de stad der Meden in de bergen van Ekbátana.
8Then he said unto him, Go and tarry not. So he went in and said to his father, Behold, I have found one which will go with me. Then he said, Call him unto me, that I may know of what tribe he is, and whether he be a trusty man to go with thee.
9Tobias verzocht hem: Zoudt ge een ogenblik op mij willen wachten; dan ga ik het aan mijn vader vertellen.
9So he called him, and he came in, and they saluted one another.
10Tobias ging dus naar huis en berichtte dit alles aan zijn vader. En zijn vader stond er over verbaasd en liet hem vragen, bij hem binnen te komen.
10Then Tobit said unto him, Brother, shew me of what tribe and family thou art.
11De ander deed het, en begroette hem: Vreugde zij u ten allen tijde!
11To whom he said, Dost thou seek for a tribe or family, or an hired man to go with thy son? Then Tobit said unto him, I would know, brother, thy kindred and name.
12Maar Tobit zeide: Wat kan er nog vreugde zijn voor mij, die in duisternis zit en het licht van de hemel niet zie!
12Then he said, I am Azarias, the son of Ananias the great, and of thy brethren.
13De jongeman sprak: Houd goede moed, want God zal u weldra genezen.
13Then Tobit said, Thou art welcome, brother; be not now angry with me, because I have enquired to know thy tribe and thy family; for thou art my brother, of an honest and good stock: for I know Ananias and Jonathas, sons of that great Samaias, as we went together to Jerusalem to worship, and offered the firstborn, and the tenths of the fruits; and they were not seduced with the error of our brethren: my brother, thou art of a good stock.
14Toen vroeg Tobit hem: Kunt gij mijn zoon begeleiden naar Gabaël in Rages, de stad der Meden; ik zal u het loon geven, als gij terugkomt.
14But tell me, what wages shall I give thee? wilt thou a drachm a day, and things necessary, as to mine own son?
15De engel antwoordde hem: Ik zal hem er heen begeleiden en hem bij u terugbrengen.
15Yea, moreover, if ye return safe, I will add something to thy wages.
16Tobit vroeg hem verder: Ik bid u mij te willen zeggen, van welke familie en welke stam gij zijt?
16So they were well pleased. Then said he to Tobias, Prepare thyself for the journey, and God send you a good journey. And when his son had prepared all things for the journey, his father said, Go thou with this man, and God, which dwelleth in heaven, prosper your journey, and the angel of God keep you company. So they went forth both, and the young man’s dog with them.
17De engel Rafaël gaf hem ten antwoord: Zoekt gij de afkomst van den dienaar of den dienaar zelf, om uw zoon te vergezellen?
17But Anna his mother wept, and said to Tobit, Why hast thou sent away our son? is he not the staff of our hand, in going in and out before us?
18Maar om u soms niet bezorgd te maken: ik ben Azarias, den zoon van den groten Ananias.
18Be not greedy to add money to money: but let it be as refuse in respect of our child.
19Tobit sprak: Dan zijt gij uit een voornaam geslacht; neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik uw afkomst wilde weten.
19For that which the Lord hath given us to live with doth suffice us.
20De engel verzekerde hem: Ik zal uw zoon gezond er heen geleiden, en gezond weer bij u terugbrengen.
20Then said Tobit to her, Take no care, my sister; he shall return in safety, and thine eyes shall see him.
21Toen sprak Tobit: Moge uw reis voorspoedig zijn; God zij met u onderweg, en moge zijn engel u begeleiden!
21For the good angel will keep him company, and his journey shall be prosperous, and he shall return safe.
22Toen alles was klaargemaakt, wat voor de reis moest worden meegenomen, nam Tobias afscheid van zijn vader en zijn moeder, en ze gingen samen op weg.
22Then she made an end of weeping.
23Maar na hun vertrek begon zijn moeder te schreien, en sprak: De staf van onze oude dag hebt gij weggenomen en van ons heen laten gaan.
no verse 23 in this text
24Hadden wij maar nooit dat geld gehad, waarvoor gij hem hebt uitgestuurd.
no verse 24 in this text
25Want wij waren met onze armoe tevreden; en als wij onzen zoon maar zagen, voelden wij ons rijk.
no verse 25 in this text
26Maar Tobit antwoordde haar: Schrei maar niet; onze zoon komt zeker behouden aan, en keert gezond en wel bij ons terug; en uw ogen zullen hem weerzien.
no verse 26 in this text
27Want ik geloof, dat een goede engel Gods hem vergezelt en alles ten beste regelt, wat hem overkomt, zodat hij vol blijdschap weer bij ons terugkeert.
no verse 27 in this text
28Bij deze verzekering hield de moeder op met schreien en zweeg.
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.