Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Daar Tobias nu wegens deze bruiloft langer uitbleef, werd zijn vader Tobit bezorgd; en hij zeide Waarom zou mijn zoon nog niet komen, en wat zou hem ginder weerhouden?
1Now Tobit his father counted every day: and when the days of the journey were expired, and they came not,
2Zou Gabaël soms gestorven zijn, en niemand hem het geld willen teruggeven?
2Then Tobit said, Are they detained? or is Gabael dead, and there is no man to give him the money?
3Zo begon hij zeer verdrietig te worden, en Anna, zijn vrouw, eveneens; en beiden begonnen samen te wenen, omdat hun zoon nog niet bij hen terug was op de dag, dat zij hem hadden verwacht.
3Therefore he was very sorry.
4Zijn moeder bleef maar schreien en haar tranen wilden niet drogen; en zij zuchtte: Ach, helaas, mijn zoon; waarom hebben wij u naar den vreemde laten vertrekken, gij, het licht onzer ogen en de staf van onze oude dag, de troost van ons leven en onze hoop op nageslacht.
4Then his wife said unto him, My son is dead, seeing he stayeth long; and she began to wail him, and said,
5Nooit hadden wij u van ons moeten laten heengaan; want in u alleen bezaten wij alles.
5Now I care for nothing, my son, since I have let thee go, the light of mine eyes.
6Doch Tobit sprak tot haar: Wees maar stil en maak u niet ongerust; onze zoon maakt het goed; de man met wien wij hem hebben laten vertrekken, is geheel te vertrouwen.
6To whom Tobit said, Hold thy peace, take no care, for he is safe.
7Maar zij was volstrekt niet te troosten; dagelijks ging zij naar buiten en zag naar alle kanten uit; alle wegen liep zij af, waarlangs hij misschien zou kunnen terugkeren, om zo mogelijk reeds van verre hem te zien aankomen.
7But she said, Hold thy peace, and deceive me not; my son is dead. And she went out every day into the way which they went, and did eat no meat on the daytime, and ceased not whole nights to bewail her son Tobias, until the fourteen days of the wedding were expired, which Raguel had sworn that he should spend there. Then Tobias said to Raguel, Let me go, for my father and my mother look no more to see me.
8Intussen sprak Raguël tot zijn schoonzoon: Blijf nog wat hier; ik zal uw vader Tobit berichten, dat gij het nog goed maakt.
8But his father in law said unto him, Tarry with me, and I will send to thy father, and they shall declare unto him how things go with thee.
9Maar Tobias gaf hem ten antwoord: Ik weet, dat mijn vader en mijn moeder de dagen al tellen, en dat het een kwelling is voor hun hart.
9But Tobias said, No; but let me go to my father.
10En nadat Raguël nogmaals bij Tobias had aangedrongen, maar deze bleef weigeren, gaf hij hem eindelijk Sara mee met de helft van zijn bezit aan slaven en slavinnen, aan schapen, kamelen en koeien, en met nog veel geld bovendien. En toen hij gezond en blij van hem ging vertrekken,
10Then Raguel arose, and gave him Sara his wife, and half his goods, servants, and cattle, and money:
11sprak hij tot hem: De heilige engel des Heren zij met u onderweg, en geleide u behouden naar huis; ik hoop, dat gij uw ouders in welstand moogt terugzien, en dat mijn ogen nog uw kinderen zien, eer ik sterf.
11And he blessed them, and sent them away, saying, The God of heaven give you a prosperous journey, my children.
12Dan namen de ouders hun dochter en kusten haar vaarwel; en nog bij het vertrek
12And he said to his daughter, Honour thy father and thy mother in law, which are now thy parents, that I may hear good report of thee. And he kissed her. Edna also said to Tobias, The Lord of heaven restore thee, my dear brother, and grant that I may see thy children of my daughter Sara before I die, that I may rejoice before the Lord: behold, I commit my daughter unto thee of special trust; where are do not entreat her evil.
13vermaanden zij haar, dat ze haar schoonouders zou eren en haar man zou beminnen, dat zij haar gezin zou besturen en orde zou hebben in haar huis en zichzelf onberispelijk zou gedragen.
no verse 13 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.