Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Naderhand, toen er eens op een feestdag des Heren in het huis van Tobit een feestmaaltijd was aangericht,
1Post hæc vero, cum esset dies festus Domini, et factum esset prandium bonum in domo Tobiæ,
2zeide hij tot zijn zoon: Ga enkele godvrezende stamgenoten van ons uitnodigen, om bij ons te komen eten.
2dixit filio suo: Vade, et adduc aliquos de tribu nostra, timentes Deum, ut epulentur nobiscum.
3Deze deed het, en vertelde hem bij zijn terugkomst, dat er op straat een Israëliet vermoord lag. Onmiddellijk stond hij van tafel op, liet de maaltijd onaangeroerd, en ging zonder gegeten te hebben naar het lijk;
3Cumque abiisset, reversus nuntiavit ei unum ex filiis Israël jugulatum jacere in platea. Statimque exiliens de accubitu suo, relinquens prandium, jejunus pervenit ad corpus:
4hij nam het op en bracht het heimelijk in zijn huis, om het na zonsondergang behoedzaam te begraven.
4tollensque illud portavit ad domum suam occulte, ut dum sol occubuisset, caute sepeliret eum.
5En eerst na het lijk te hebben verborgen, nam hij zijn maaltijd in droefheid en vrees,
5Cumque occultasset corpus, manducavit panem cum luctu et tremore,
6het woord indachtig, dat de Heer door den profeet Amos gesproken had: Uw feestdagen zullen verkeren in geweeklaag en rouw.
6memorans illum sermonem, quem dixit Dominus per Amos prophetam: Dies festi vestri convertentur in lamentationem et luctum.
7En na zonsondergang ging hij hem begraven.
7Cum vero sol occubuisset, abiit, et sepelivit eum.
8Maar al zijn bloedverwanten keurden het af en zeiden hem: Men heeft al eens bevel gegeven, u hiervoor te doden, en nauwelijks zijt gij aan dit doodvonnis ontsnapt; en nu begraaft gij wederom de doden!
8Arguebant autem eum omnes proximi ejus, dicentes: Jam hujus rei causa interfici jussus es, et vix effugisti mortis imperium, et iterum sepelis mortuos?
9Tobit echter vreesde God meer dan den koning; hij bleef de lijken van vermoorden ophalen, verborg ze in zijn huis en begroef ze in het holst van de nacht.
9Sed Tobias plus timens Deum quam regem, rapiebat corpora occisorum, et occultabat in domo sua, et mediis noctibus sepeliebat ea.
10Nu gebeurde het eens, dat hij vermoeid van het begraven thuis kwam, zich tegen de muur te rusten legde en insliep;
10Contigit autem ut quadam die fatigatus a sepultura, veniens in domum suam, jactasset se juxta parietem, et obdormisset,
11en terwijl hij sliep, viel hem uit een zwaluwnest warme drek op de ogen, zodat hij blind werd.
11et ex nido hirundinum dormienti illi calida stercora inciderent super oculos ejus, fieretque cæcus.
12De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om de lateren een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van den heiligen Job.
12Hanc autem tentationem ideo permisit Dominus evenire illi, ut posteris daretur exemplum patientiæ ejus, sicut et sancti Job.
13Want ofschoon hij van zijn prilste jeugd steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God;
13Nam cum ab infantia sua semper Deum timuerit, et mandata ejus custodierit, non est contristatus contra Deum quod plaga cæcitatis evenerit ei,
14neen, onwankelbaar bleef hij in de vreze Gods volharden, en God danken alle dagen van zijn leven.
14sed immobilis in Dei timore permansit, agens gratias Deo omnibus diebus vitæ suæ.
15Maar zoals de stamvorsten den zaligen Job hadden gehoond, zo werd ook hij door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden:
15Nam sicut beato Job insultabant reges, ita isti parentes et cognati ejus irridebant vitam ejus, dicentes:
16Waar blijft nu uw hoop, waarvoor gij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?
16Ubi est spes tua, pro qua eleemosynas et sepulturas faciebas?
17Doch Tobit berispte hen en gaf hun ten antwoord: Spreekt toch niet zo;
17Tobias vero increpabat eos, dicens: Nolite ita loqui:
18want wij zijn van het geslacht der heiligen en verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nimmer breken4.
18quoniam filii sanctorum sumus, et vitam illam expectamus, quam Deus daturus est his qui fidem suam numquam mutant ab eo.
19Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij voor haar handenarbeid had kunnen bekomen.
19Anna vero uxor ejus ibat ad opus textrinum quotidie, et de labore manuum suarum victum quem consequi poterat, deferebat.
20Nu gebeurde het eens, dat zij een geitebokje kreeg en meebracht naar huis.
20Unde factum est ut hædum caprarum accipiens detulisset domi:
21Doch toen haar man het hoorde blaten, zeide hij: Wees voorzichtig, het kon wel eens gestolen zijn; geef het liever aan den eigenaar terug, want iets, dat gestolen is, mogen we niet eten of behouden.
21cujus cum vocem balantis vir ejus audisset, dixit: Videte, ne forte furtivus sit: reddite eum dominis suis, quia non licet nobis aut edere ex furto aliquid, aut contingere.
22Maar zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: Het is nu wel duidelijk genoeg, dat uw hoop niets meer waard is, en wat er van uw aalmoezen terechtkomt!
22Ad hæc uxor ejus irata respondit: Manifeste vana facta est spes tua, et eleemosynæ tuæ modo apparuerunt.
23En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten doen.
23Atque his et aliis hujuscemodi verbis exprobrabat ei.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.