Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen riep Tobias den engel bij zich, dien hij nog altijd voor een mens aanzag, en zeide hem: Azarias, mijn broeder, ik bid u te willen luisteren naar mijn woorden.
1Tunc vocavit Tobias angelum ad se, quem quidem hominem existimabat, dixitque ei: Azaria frater, peto ut auscultes verba mea.
2Als ik mijzelf aan u zou geven als slaaf, zou dat lang niet opwegen tegen uw goede zorgen.
2Si meipsum tradam tibi servum, non ero condignus providentiæ tuæ:
3Toch heb ik nog een verzoek aan u: Neem rijdieren en slaven met u mee, en ga naar Gabaël in Rages, de stad der Meden; overhandig hem zijn bewijs, neem van hem het geld in ontvangst en nodig hem uit op mijn bruiloft.
3tamen obsecro te ut assumas tibi animalia sive servitia, et vadas ad Gabelum in Rages civitatem Medorum, reddasque ei chirographum suum, et recipias ab eo pecuniam, et roges eum venire ad nuptias meas.
4Gij weet immers zelf, hoe mijn vader de dagen telt; als ik ook maar één dag langer uitblijf, is hij zielsbedroefd.
4Scis enim ipse quoniam numerat pater meus dies, et si tardavero una die plus, contristatur anima ejus.
5Maar gij hebt ook gezien, hoe Raguël bij mij heeft aangedrongen, en ik kan zijn dringend verzoek niet weigeren.
5Et certe vides quomodo adjuravit me Raguel, cujus adjuramentum spernere non possum.
6Daarom nam Rafaël vier slaven van Raguël en twee kamelen met zich mee, en vertrok naar Rages, de stad der Meden; daar vond hij Gabaël, overhandigde hem zijn ontvangbewijs en beurde van hem al het geld.
6Tunc Raphaël assumens quatuor ex servis Raguelis, et duos camelos, in Rages civitatem Medorum perrexit: et inveniens Gabelum, reddidit ei chirographum suum, et recepit ab eo omnem pecuniam.
7Ook verhaalde hij hem alles, wat er met Tobias, den zoon van Tobit, gebeurd was, en wist hem zo te bewegen, met hem mee te gaan naar de bruiloft.
7Indicavitque ei de Tobia filio Tobiæ omnia quæ gesta sunt, fecitque eum secum venire ad nuptias.
8Toen Gabaël het huis van Raguël binnenkwam, trof hij Tobias aan tafel; deze sprong op en zij kusten elkander. En Gabaël weende, en loofde God;
8Cumque ingressus esset domum Raguelis, invenit Tobiam discumbentem: et exiliens, osculati sunt se invicem: et flevit Gabelus, benedixitque Deum,
9en hij sprak: Moge de God van Israël u zegenen; want gij zijt de zoon van een voortreffelijk en rechtvaardig man, die God vreest en veel aalmoezen geeft.
9et dixit: Benedicat te Deus Israël, quia filius es optimi viri et justi, et timentis Deum, et eleemosynas facientis:
10Ook aan uw vrouw en uw ouders wens ik zegen toe.
10et dicatur benedictio super uxorem tuam, et super parentes vestros,
11Moogt gij uw kinderen en de kinderen uwer kinderen aanschouwen tot in het derde en vierde geslacht; en moge uw kroost gezegend worden door den God van Israël, die heerst in de eeuwen der eeuwen!
11et videatis filios vestros, et filios filiorum vestrorum, usque in tertiam et quartam generationem: et sit semen vestrum benedictum a Deo Israël, qui regnat in sæcula sæculorum.
12Allen zeiden: Amen! Daarna zetten zij zich aan de maaltijd; maar ook het bruiloftsmaal vierden zij in de vreze des Heren.
12Cumque omnes dixissent: Amen: accesserunt ad convivium: sed et cum timore Domini nuptiarum convivium exercebant.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.