Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Na de maaltijd bracht men dus den jongeman bij haar binnen.
1Postquam vero cœnaverunt, introduxerunt juvenem ad eam.
2Maar de woorden van den engel indachtig, haalde Tobias uit zijn reiszak een stuk van het hart en van de lever te voorschijn, en legde dat op de gloeiende kolen.
2Recordatus itaque Tobias sermonum angeli, protulit de cassidili suo partem jecoris, posuitque eam super carbones vivos.
3Toen greep de engel Rafaël den bozen geest, en bond hem vast in de woestijn van Boven-Egypte.
3Tunc Raphaël angelus apprehendit dæmonium, et religavit illud in deserto superioris Ægypti.
4Daarna richtte Tobias zich tot het meisje en sprak tot haar: Sara, sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. Deze drie nachten blijven we verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen we ons huwelijksleven beginnen.
4Tunc hortatus est virginem Tobias, dixitque ei: Sara, exsurge, et deprecemur Deum hodie, et cras, et secundum cras: quia his tribus noctibus Deo jungimur; tertia autem transacta nocte, in nostro erimus conjugio.
5Wij zijn immers kinderen der heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen als de heidenen, die God niet kennen.
5Filii quippe sanctorum sumus, et non possumus ita conjungi sicut gentes quæ ignorant Deum.
6Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven.
6Surgentes autem pariter, instanter orabant ambo simul, ut sanitas daretur eis.
7En Tobias sprak: Heer, God van onze vaderen; dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen, die er in wonen.
7Dixitque Tobias: Domine Deus patrum nostrorum, benedicant te cæli et terræ, mareque et fontes, et flumina, et omnes creaturæ tuæ quæ in eis sunt.
8Gij hebt Adam geschapen uit het stof van de aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp.
8Tu fecisti Adam de limo terræ, dedistique ei adjutorium Hevam.
9Welnu dan Heer; Gij weet, dat ik niet uit wellust mijn zuster tot vrouw heb genomen, maar alleen uit verlangen naar kroost, opdat zij uw Naam mogen zegenen in de eeuwen der eeuwen.
9Et nunc Domine, tu scis quia non luxuriæ causa accipio sororem meam conjugem, sed sola posteritatis dilectione, in qua benedicatur nomen tuum in sæcula sæculorum.
10Ook Sara sprak: Ontferm U over ons, Heer, ontferm U onzer, en houd ons beiden samen gezond tot op onze oude dag.
10Dixit quoque Sara: Miserere nobis Domine, miserere nobis, et consenescamus ambo pariter sani.
11Tegen de tijd van het hanengekraai liet Raguël zijn knechten roepen, en dezen gingen met hem mee, om een graf te delven.
11Et factum est circa pullorum cantum, accersiri jussit Raguel servos suos, et abierunt cum eo pariter ut foderent sepulchrum.
12Want hij dacht: Er mocht hem toch eens hetzelfde overkomen zijn, als de zeven andere mannen, die bij haar zijn geweest.
12Dicebat enim: Ne forte simili modo evenerit ei, quo et ceteris illis septem viris qui sunt ingressi ad eam.
13Toen zij het graf gereed hadden, ging Raguël terug naar zijn vrouw en zeide haar:
13Cumque parassent fossam, reversus Raguel ad uxorem suam, dixit ei:
14Stuur een van uw dienstmeisjes naar binnen, om te zien, of hij dood is; dan kan ik hem nog begraven, vóórdat het dag wordt.
14Mitte unam de ancillis tuis, et videat si mortuus est, ut sepeliam eum antequam illucescat dies.
15Zij stuurde dus een van haar meisjes; deze ging de kamer binnen en vond ze gezond en wel, beiden in slaap.
15At illa misit unam ex ancillis suis. Quæ ingressa cubiculum, reperit eos salvos et incolumes, secum pariter dormientes.
16Toen zij met dat blijde nieuws terugkwam, loofden Raguël en Anna, zijn vrouw, den Heer;
16Et reversa nuntiavit bonum nuntium: et benedixerunt Dominum, Raguel videlicet et Anna uxor ejus,
17en ze zeiden: Wij loven U, Heer, God van Israël, omdat er niet is gebeurd, wat wij vreesden.
17et dixerunt: Benedicimus te, Domine Deus Israël, quia non contigit quemadmodum putabamus.
18Neen, Gij hebt ons barmhartigheid bewezen, en ons van den vijand, die ons vervolgde, bevrijd.
18Fecisti enim nobiscum misericordiam tuam, et exclusisti a nobis inimicum persequentem nos.
19Gij hebt medelijden gehad met deze twee, die beiden enig kind zijn. Geef dan, Heer, dat zij U nog meer mogen loven, en dankoffers brengen voor hun geluk, opdat heel de heidenwereld moge weten, dat Gij alleen God zijt over heel de aarde!
19Misertus es autem duobus unicis. Fac eos, Domine, plenius benedicere te, et sacrificium tibi laudis tuæ et suæ sanitatis offerre, ut cognoscat universitas gentium quia tu es Deus solus in universa terra.
20Onmiddellijk gaf Raguël nu aan zijn knechten bevel, om het graf, dat zij gedolven hadden, nog vóór het daglicht dicht te werpen.
20Statimque præcepit servis suis Raguel ut replerent fossam quam fecerant priusquam elucesceret.
21Hij liet zijn vrouw een feestmaal klaar maken en alles in gereedheid brengen, wat er voor het eten nodig was.
21Uxori autem suæ dixit ut instrueret convivium, et præpararet omnia quæ in cibos erant iter agentibus necessaria.
22Ook liet hij twee vette koeien en vier rammen slachten, om een feestmaal te bereiden voor al zijn buren en vrienden.
22Duas quoque pingues vaccas, et quatuor arietes, occidi fecit, et parari epulas omnibus vicinis suis, cunctisque amicis.
23Toen drong Raguël er bij Tobias op aan, dat hij nog twee weken bij hem zou blijven.
23Et adjuravit Raguel Tobiam ut duas hebdomadas moraretur apud se.
24En de helft van alles, wat Raguël bezat, schonk hij aan Tobias, en gaf hem een schriftelijk bewijs, dat na hun dood ook de andere helft in het bezit van Tobias zou komen.
24De omnibus autem quæ possidebat Raguel, dimidiam partem dedit Tobiæ, et fecit scripturam, ut pars dimidia quæ supererat, post obitum eorum Tobiæ dominio deveniret.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.