Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: Wat kunnen wij geven aan dezen heiligen man, die u begeleid heeft?
1Tunc vocavit ad se Tobias filium suum, dixitque ei: Quid possumus dare viro isti sancto, qui venit tecum?
2Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, ja, wat zullen wij hem voor loon geven; of wat kan er opwegen tegen zijn weldaden?
2Respondens Tobias, dixit patri suo: Pater, quam mercedem dabimus ei? aut quid dignum poterit esse beneficiis ejus?
3Hij heeft mij behouden heen en terug gebracht en bij Gabaël het geld gehaald; hij heeft mij een vrouw bezorgd, den bozen geest van haar verdreven en aan haar ouders vreugde verschaft; hij heeft mij gered uit de greep van de vis, en uzelf het licht van de hemel weer doen aanschouwen. Ja, wij zijn met allerlei weldaden door hem overladen. Wat kunnen wij hem geven, dat daartegen opweegt?
3Me duxit et reduxit sanum, pecuniam a Gabelo ipse recepit, uxorem ipse me habere fecit, et dæmonium ab ea ipse compescuit: gaudium parentibus ejus fecit, meipsum a devoratione piscis eripuit, te quoque videre fecit lumen cæli, et bonis omnibus per eum repleti sumus. Quid illi ad hæc poterimus dignum dare?
4Maar ik bid u, vader; vraag hem, of hij misschien de helft wil aanvaarden van alles, wat wij hebben meegebracht.
4Sed peto te, pater mi, ut roges eum, si forte dignabitur medietatem de omnibus quæ allata sunt, sibi assumere.
5De vader en de zoon riepen hem dus terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden.
5Et vocantes eum, pater scilicet et filius, tulerunt eum in partem: et rogare cœperunt ut dignaretur dimidiam partem omnium quæ attulerant acceptam habere.
6En terwijl hij nog met hen alleen was, sprak hij tot hen: Richt uw dank tot God in de hemel, en looft Hem tegenover al wat leeft; want Hij heeft u zijn barmhartigheid bewezen.
6Tunc dixit eis occulte: Benedicite Deum cæli, et coram omnibus viventibus confitemini ei, quia fecit vobiscum misericordiam suam.
7Zeker, het is goed, het geheim van een koning verborgen te houden; maar de werken Gods openbaar maken en prijzen, is eervol.
7Etenim sacramentum regis abscondere bonum est: opera autem Dei revelare et confiteri honorificum est.
8Bidden en vasten is een voortreffelijk werk, en aalmoezen geven is meer waard, dan schatten gouds te verzamelen.
8Bona est oratio cum jejunio, et eleemosyna magis quam thesauros auri recondere:
9Want de aalmoes redt van de dood; zij is het, die reinigt van de zonden, en barmhartigheid en eeuwig leven doet vinden.
9quoniam eleemosyna a morte liberat, et ipsa est quæ purgat peccata, et facit invenire misericordiam et viam æternam.
10Maar wie zonden bedrijven en onrecht, zijn hun eigen vijand.
10Qui autem faciunt peccatum et iniquitatem, hostes sunt animæ suæ.
11Ik ga u dus de waarheid bekend maken, en wat nog omsluierd is, zal ik u niet langer verbergen.
11Manifesto ergo vobis veritatem, et non abscondam a vobis occultum sermonem.
12Toen gij onder tranen uw gebeden verrichtte, toen gij de doden begroeft en uw eten er voor liet staan, toen gij overdag de doden in uw huis gingt verbergen, om ze 's nachts te begraven, toen droeg ik uw gebeden op aan den Heer.
12Quando orabas cum lacrimis, et sepeliebas mortuos, et derelinquebas prandium tuum, et mortuos abscondebas per diem in domo tua, et nocte sepeliebas eos, ego obtuli orationem tuam Domino.
13Maar omdat gij welgevallig waart aan God, daarom moest gij door lijden worden beproefd.
13Et quia acceptus eras Deo, necesse fuit ut tentatio probaret te.
14Doch nu heeft de Heer mij gezonden, om u te genezen, en Sara, de vrouw van uw zoon, van den bozen geest te bevrijden.
14Et nunc misit me Dominus ut curarem te, et Saram uxorem filii tui a dæmonio liberarem.
15Want ik ben de engel Rafaël, één van de zeven, die voor s Heren aanschijn staan.
15Ego enim sum Raphaël angelus, unus ex septem qui adstamus ante Dominum.
16Toen zij dat hoorden, verschrokken zij hevig, en wierpen zich sidderend neer, met het gelaat op de grond.
16Cumque hæc audissent, turbati sunt, et trementes ceciderunt super terram in faciem suam.
17Maar de engel sprak tot hen: Vrede zij u; vreest niet.
17Dixitque eis angelus: Pax vobis: nolite timere.
18Want het was door Gods wil, dat ik bij u vertoefde; zegent Hem en zingt Hem lof.
18Etenim cum essem vobiscum, per voluntatem Dei eram: ipsum benedicite, et cantate illi.
19Het had wel de schijn, dat ik met u at en dronk; maar ik geniet onzichtbare spijs en drank, die geen mens kan aanschouwen.
19Videbar quidem vobiscum manducare et bibere: sed ego cibo invisibili, et potu qui ab hominibus videri non potest, utor.
20Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem, die mij heeft gezonden; looft gij echter den Heer en verkondigt al zijn wonderdaden.
20Tempus est ergo ut revertar ad eum qui me misit: vos autem benedicite Deum, et narrate omnia mirabilia ejus.
21Toen hij dat gezegd had, werd hij aan hun ogen onttrokken, zodat zij hem niet meer konden zien.
21Et cum hæc dixisset, ab aspectu eorum ablatus est, et ultra eum videre non potuerunt.
22Nog drie uur lang bleven zij diep gebogen liggen en loofden God; toen stonden zij op, en verkondigden al zijn wonderdaden.
22Tunc prostrati per horas tres in faciem, benedixerunt Deum: et exsurgentes narraverunt omnia mirabilia ejus.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.