Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daarna gingen zij bij Raguël binnen, die hen vol vreugde ontving.
1Ingressi sunt autem ad Raguelem, et suscepit eos Raguel cum gaudio.
2Toen Raguël nu Tobias goed aankeek, zei hij tot Anna, zijn vrouw: Wat lijkt die jongeman op mijn neef!
2Intuensque Tobiam Raguel, dixit Annæ uxori suæ: Quam similis est juvenis iste consobrino meo !
3Daarom vroeg hij: Waar komt gij vandaan, jonge mannen, onze broeders? Zij antwoordden: Wij zijn uit de stam van Neftali, en behoren tot de ballingen van Ninive.
3Et cum hæc dixisset, ait: Unde estis juvenes fratres nostri? At illi dixerunt: Ex tribu Nephthali sumus, ex captivitate Ninive.
4Raguël vroeg verder: Kent gij dan Tobit, mijn broeder? Zij zeiden: Welzeker.
4Dixitque illis Raguel: Nostis Tobiam fratrem meum? Qui dixerunt: Novimus.
5En toen Raguël nu veel goeds over hem begon te vertellen, sprak de engel tot hem: Die Tobit, naar wien gij vraagt, is zijn vader.
5Cumque multa bona loqueretur de eo, dixit angelus ad Raguelem: Tobias, de quo interrogas, pater istius est.
6Toen sprong Raguël op en kuste hem onder tranen; wenend viel hij hem om de hals en riep uit:
6Et misit se Raguel, et cum lacrimis osculatus est eum, et plorans supra collum ejus
7Wees gezegend, mijn zoon; want gij zijt het kind van een goed en voortreffelijk man.
7dixit: Benedictio sit tibi, fili mi, quia boni et optimi viri filius es.
8Ook Anna, zijn vrouw, en Sara, hun dochter, begonnen te schreien.
8Et Anna uxor ejus, et Sara ipsorum filia, lacrimatæ sunt.
9Nadat zij waren uitgesproken, liet Raguël een ram slachten en een feestmaal bereiden. Maar toen hij hen uitnodigde, zich aan tafel te zetten,
9Postquam autem locuti sunt, præcepit Raguel occidi arietem, et parari convivium. Cumque hortaretur eos discumbere ad prandium,
10sprak Tobias: Ik eet of drink hier niet vandaag, vóórdat gij mijn verzoek hebt ingewilligd en mij belooft, Sara, uw dochter, te geven.
10Tobias dixit: Hic ego hodie non manducabo neque bibam, nisi prius petitionem meam confirmes, et promittas mihi dare Saram filiam tuam.
11Toen Raguël dat hoorde, werd hij dodelijk verschrikt; want hij wist, wat die zeven mannen was overkomen, die bij haar waren binnengegaan; daarom beving hem de vrees, dat ook hem wellicht hetzelfde zou overkomen. Daar hij dus aarzelde en op die vraag maar geen antwoord gaf,
11Quo audito verbo Raguel expavit, sciens quid evenerit illis septem viris qui ingressi sunt ad eam: et timere cœpit ne forte et hunc similiter contingeret. Et cum nutaret, et non daret petenti ullum responsum,
12sprak de engel hem toe: Wees niet bevreesd, haar aan hem hier te geven; want omdat hij God vreest, is uw dochter voor hem tot vrouw bestemd; daarom juist kon geen ander haar bezitten.
12dixit ei angelus: Noli timere dare eam isti, quoniam huic timenti Deum debetur conjux filia tua: propterea alius non potuit habere illam.
13Toen sprak Raguël: Nu weet ik zeker, dat God mijn gebeden en mijn tranen voor zijn aanschijn heeft aanvaard.
13Tunc dixit Raguel: Non dubito quod Deus preces et lacrimas meas in conspectu suo admiserit.
14En ik ben er van overtuigd, dat Hij u daarom tot mij heeft gezonden, opdat zij in de echt verbonden zou worden met haar bloedverwant, zoals de wet van Moses dat eist; twijfel er daarom niet aan, ik geef haar aan u.
14Et credo quoniam ideo fecit vos venire ad me, ut ista conjungeretur cognationi suæ secundum legem Moysi: et nunc noli dubium gerere quod tibi eam tradam.
15Toen nam hij de rechterhand van zijn dochter, legde die in de rechterhand van Tobias, en sprak: De God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob zij met u, en Hij verenige u; moge Hij zijn zegen ten volle over u uitstorten!
15Et apprehendens dexteram filiæ suæ, dexteræ Tobiæ tradidit, dicens: Deus Abraham, et Deus Isaac, et Deus Jacob vobiscum sit, et ipse conjungat vos, impleatque benedictionem suam in vobis.
16En zij namen perkament en maakten de huwelijksoorkonde op.
16Et accepta carta, fecerunt conscriptionem conjugii.
17Daarna gingen zij aan tafel en prezen God.
17Et post hæc epulati sunt, benedicentes Deum.
18Intussen riep Raguël zijn vrouw Anna binnen, en zeide haar, de andere kamer gereed te maken.
18Vocavitque Raguel ad se Annam uxorem suam, et præcepit ei ut præpararet alterum cubiculum.
19Toen zij echter haar dochter Sara daar binnen bracht, begon deze te schreien.
19Et introduxit illuc Saram filiam suam, et lacrimata est.
20Maar zij sprak tot haar: Houd moed, mijn kind; de Heer des Hemels zal u vreugde geven in ruil voor al het verdriet, dat gij verduurd hebt.
20Dixitque ei: Forti animo esto, filia mea: Dominus cæli det tibi gaudium pro tædio quod perpessa es.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.