Tobit 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Op hun terugreis kwamen zij op de elfde dag bij Charan, dat halverwege in de richting van Ninive ligt.
1Cumque reverterentur, pervenerunt ad Charan, quæ est in medio itinere contra Niniven, undecimo die.
2Toen sprak de engel: Tobias, mijn broeder, gij weet in welke toestand gij uw vader hebt achtergelaten.
2Dixitque angelus: Tobia frater, scis quemadmodum reliquisti patrem tuum.
3Als gij het goedvindt, laat ons dan vooruitgaan; de slaven kunnen met uw vrouw en het vee langzaam achter ons aankomen.
3Si placet itaque tibi, præcedamus, et lento gradu sequantur iter nostrum familiæ, simul cum conjuge tua, et cum animalibus.
4Nadat zij daartoe waren besloten, zeide Rafaël tot Tobias: Neem wat gal van de vis met u mee; want gij zult het nodig hebben. Daarom nam Tobias wat van die gal, en toen gingen zij op weg.
4Cumque hoc placuisset ut irent, dixit Raphaël ad Tobiam: Tolle tecum ex felle piscis: erit enim necessarium. Tulit itaque Tobias ex felle illo, et abierunt.
5Intussen zat Anna iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had.
5Anna autem sedebat secus viam quotidie in supercilio montis, unde respicere poterat de longinquo.
6En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar zijn komst, zag zij haar zoon reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem terstond, en haastig ging zij het nieuws aan haar man vertellen, en riep: Luister, uw zoon komt er aan!
6Et dum ex eodem loco specularetur adventum ejus, vidit a longe, et illico agnovit venientem filium suum: currensque nuntiavit viro suo, dicens: Ecce venit filius tuus.
7Onderwijl sprak Rafaël tot Tobias: Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk den Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem.
7Dixitque Raphaël ad Tobiam: At ubi introieris domum tuam, statim adora Dominum Deum tuum: et gratias agens ei, accede ad patrem tuum, et osculare eum.
8Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt; want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen.
8Statimque lini super oculos ejus ex felle isto piscis, quod portas tecum: scias enim quoniam mox aperientur oculi ejus, et videbit pater tuus lumen cæli, et in aspectu tuo gaudebit.
9De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart.
9Tunc præcucurrit canis, qui simul fuerat in via: et quasi nuntius adveniens, blandimento suæ caudæ gaudebat.
10Toen stond zijn blinde vader op en strompelend begon hij te lopen; hij strekte de handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet.
10Et consurgens cæcus pater ejus, cœpit offendens pedibus currere: et data manu puero, occurrit obviam filio suo.
11Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden begonnen te schreien van blijdschap.
11Et suscipiens osculatus est eum cum uxore sua, et cœperunt ambo flere præ gaudio.
12Nadat zij God hadden aanbeden en gedankt gingen zij zitten.
12Cumque adorassent Deum, et gratias egissent, consederunt.
13Toen nam Tobias wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen.
13Tunc sumens Tobias de felle piscis, linivit oculos patris sui.
14En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te laten.
14Et sustinuit quasi dimidiam fere horam: et cœpit albugo ex oculis ejus, quasi membrana ovi, egredi.
15Tobias pakte het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving deze het gezicht terug.
15Quam apprehendens Tobias, traxit ab oculis ejus: statimque visum recepit.
16Toen verheerlijkten zij God, hijzelf met zijn vrouw, en allen, die hem kenden.
16Et glorificabant Deum, ipse videlicet et uxor ejus, et omnes qui sciebant eum.
17En Tobit sprak: Ik loof U, Heer God van Israël; want wel hebt Gij mij gekastijd, maar mij ook genezen; want zie, nu aanschouw ik weer Tobias, mijn zoon.
17Dicebatque Tobias: Benedico te, Domine Deus Israël, quia tu castigasti me, et tu salvasti me: et ecce ego video Tobiam filium meum.
18Zeven dagen later kwam ook Sara, de vrouw van zijn zoon, behouden aan, met al de slaven, het vee en de kamelen, en met al het geld, zowel dat van de vrouw als hetgeen hij van Gabaël had terugontvangen.
18Ingressa est etiam post septem dies Sara uxor filii ejus et omnis familia sana, et pecora, et cameli, et pecunia multa uxoris; sed et illa pecunia, quam receperat a Gabelo.
19Hij verhaalde zijn ouders al de weldaden, die God hem bewezen had door den man, die hem vergezeld had,
19Et narravit parentibus suis omnia beneficia Dei, quæ fecisset circa eum per hominem qui eum duxerat.
20Nu kwamen ook Achior en Nabat, de neven van Tobias, vol blijdschap hem bezoeken, om hem geluk te wensen met al de weldaden, die God hem had bewezen.
20Veneruntque Achior et Nabath consobrini Tobiæ gaudentes ad Tobiam, et congratulantes ei de omnibus bonis quæ circa illum ostenderat Deus.
21En zij vierden zeven dagen feest, en allen waren met grote blijdschap vervuld.
21Et per septem dies epulantes, omnes cum gaudio magno gavisi sunt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.