Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1En dit is het einde der geschiedenis van Tobit. Nadat Tobit het gezicht had teruggekregen, leefde hij nog twee en veertig jaar, en mocht de kinderen van zijn kinderen nog aanschouwen.
1Et consummati sunt sermones Tobiæ. Et postquam illuminatus est Tobias, vixit annis quadraginta duobus, et vidit filios nepotum suorum.
2Hij bereikte de leeftijd van honderd en twee jaar, en werd toen met alle eer in Ninive begraven.
2Completis itaque annis centum duobus, sepultus est honorifice in Ninive.
3Want zes en vijftig jaar oud verloor hij het licht der ogen en in zijn zestigste jaar kreeg hij het terug.
3Quinquaginta namque et sex annorum lumen oculorum amisit, sexagenarius vero recepit.
4De rest van zijn leven was zeer gelukkig; hoe meer hij vooruit ging in de vreze des Heren, hoe meer hij vrede genoot.
4Reliquum vero vitæ suæ in gaudio fuit, et cum bono profectu timoris Dei perrexit in pace.
5Maar toen hij ging sterven, liet hij zijn zoon Tobias met diens zeven jonge zonen, zijn kleinkinderen, komen, en sprak tot hen:
5In hora autem mortis suæ vocavit ad se Tobiam filium suum, et septem juvenes filios ejus nepotes suos, dixitque eis:
6De ondergang van Ninive moet dichtbij zijn; want het woord des Heren kan niet falen. Onze broeders, die buiten het land van Israël verstrooid zijn, zullen daarheen terugkeren;
6Prope erit interitus Ninive: non enim excidit verbum Domini: et fratres nostri, qui dispersi sunt a terra Israël, revertentur ad eam.
7heel het land, dat verlaten ligt, zal weer bevolkt worden, en het huis van God, dat daar verbrand neerligt, zal worden herbouwd. Allen, die God vrezen, keren daarheen terug;
7Omnis autem deserta terra ejus replebitur, et domus Dei, quæ in ea incensa est, iterum reædificabitur: ibique revertentur omnes timentes Deum,
8zelfs de heidenen zullen hun afgoden verlaten en naar Jerusalem komen, om daar te gaan wonen;
8et relinquent gentes idola sua, et venient in Jerusalem, et inhabitabunt in ea:
9en al de koningen der aarde zullen den Koning van Israël aanbidden en daar zich verblijden4.
9et gaudebunt in ea omnes reges terræ, adorantes regem Israël.
10Mijn kinderen, luistert dus naar uw vader: Blijft trouw in de dienst van den Heer, en beijvert u te doen wat Hem behaagt;
10Audite ergo, filii mei, patrem vestrum: servite Domino in veritate, et inquirite ut faciatis quæ placita sunt illi:
11beveelt uw kinderen, de gerechtigheid te beoefenen en de weldadigheid, God voor ogen te houden en Hem trouw te loven ten allen tijde met geheel hun kracht.
11et filiis vestris mandate ut faciant justitias et eleemosynas, ut sint memores Dei, et benedicant eum in omni tempore in veritate, et in tota virtute sua.
12Mijn kinderen, luistert nog verder naar mij: Gij moet hier niet blijven; maar als gij uw moeder naast mij in hetzelfde graf hebt begraven, begeeft u dan aanstonds op weg, om van hier te vertrekken;
12Nunc ergo filii, audite me, et nolite manere hic: sed quacumque die sepelieritis matrem vestram circa me in uno sepulchro, ex eo dirigite gressus vestros ut exeatis hinc:
13want ik zie, dat de boosheid hier de ondergang zal brengen.
13video enim quia iniquitas ejus finem dabit ei.
14Tobias trok dan ook na de dood van zijn moeder met zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen uit Ninive weg, en keerde naar zijn schoonouders terug.
14Factum est autem post obitum matris suæ, Tobias abscessit ex Ninive cum uxore sua, et filiis, et filiorum filiis, et reversus est ad soceros suos:
15Hij trof hen welvarend aan in gezegende ouderdom; hij zorgde voor hen en sloot hun zelf de ogen. Hij erfde heel het vermogen van Raguëls huis, en zag nog de kinderen van zijn kinderen tot in het vijfde geslacht.
15invenitque eos incolumes in senectute bona: et curam eorum gessit, et ipse clausit oculos eorum: et omnem hæreditatem domus Raguelis ipse percepit: viditque quintam generationem, filios filiorum suorum.
16En nadat hij in de vreze des Heren met vreugde de leeftijd van negen en negentig jaar had bereikt, werd hij ten grave gedragen.
16Et completis annis nonaginta novem in timore Domini, cum gaudio sepelierunt eum.
17Ook al zijn verwanten en heel zijn geslacht bleven in een deugdzaam leven en een heilige levenswandel volharden, zodat zij welgevallig waren aan God en de mensen, aan al de bewoners van dat land.
17Omnis autem cognatio ejus et omnis generatio ejus in bona vita et in sancta conversatione permansit, ita ut accepti essent tam Deo quam hominibus, et cunctis habitantibus in terra.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.