Tobit 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Op hun terugreis kwamen zij op de elfde dag bij Charan, dat halverwege in de richting van Ninive ligt.
1And as they were returning they came to Charan, which is in the midway to Ninive, the eleventh day.
2Toen sprak de engel: Tobias, mijn broeder, gij weet in welke toestand gij uw vader hebt achtergelaten.
2And the angel said: Brother Tobias, thou knowest how thou didst leave thy father.
3Als gij het goedvindt, laat ons dan vooruitgaan; de slaven kunnen met uw vrouw en het vee langzaam achter ons aankomen.
3If it please thee therefore, let us go before, and let the family follow softly after us, together with thy wife, and with the beasts.
4Nadat zij daartoe waren besloten, zeide Rafaël tot Tobias: Neem wat gal van de vis met u mee; want gij zult het nodig hebben. Daarom nam Tobias wat van die gal, en toen gingen zij op weg.
4And as this their going pleased him, Raphael said to Tobias: Take with thee of the gall of the fish, for it will be necessary. So Tobias took some of that gall and departed.
5Intussen zat Anna iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had.
5But Anna sat beside the way daily, on the top of a hill, from whence she might see afar off.
6En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar zijn komst, zag zij haar zoon reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem terstond, en haastig ging zij het nieuws aan haar man vertellen, en riep: Luister, uw zoon komt er aan!
6And while she watched his coming from that place, she saw him afar off, and presently perceived it was her son coming: and returning she told her husband, saying: Behold thy son cometh.
7Onderwijl sprak Rafaël tot Tobias: Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk den Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem.
7And Raphael said to Tobias: As soon as thou shalt come into thy house, forthwith adore the Lord thy God: and giving thanks to him, go to thy father, and kiss him.
8Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt; want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen.
8And immediately anoint his eyes with this gall of the fish, which thou carriest with thee. For be assured that his eyes shall be presently opened, and thy father shall see the light of heaven, and shall rejoice in the sight of thee.
9De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart.
9Then the dog, which had been with them in the way, ran before, and coming as if he had brought the news, shewed his joy by his fawning and wagging his tail.
10Toen stond zijn blinde vader op en strompelend begon hij te lopen; hij strekte de handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet.
10And his father that was blind, rising up, began to run stumbling with his feet: and giving a servant his hand, went to meet his son.
11Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden begonnen te schreien van blijdschap.
11And receiving him kissed him, as did also his wife, and they began to weep for joy.
12Nadat zij God hadden aanbeden en gedankt gingen zij zitten.
12And when they had adored God, and given him thanks, they sat down together.
13Toen nam Tobias wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen.
13Then Tobias taking of the gall of the fish, anointed his father’s eyes.
14En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te laten.
14And he stayed about half an hour: and a white skin began to come out of his eyes, like the skin of an egg.
15Tobias pakte het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving deze het gezicht terug.
15And Tobias took hold of it, and drew it from his eyes, and immediately he recovered his sight.
16Toen verheerlijkten zij God, hijzelf met zijn vrouw, en allen, die hem kenden.
16And they glorified God, both he and his wife and all that knew them.
17En Tobit sprak: Ik loof U, Heer God van Israël; want wel hebt Gij mij gekastijd, maar mij ook genezen; want zie, nu aanschouw ik weer Tobias, mijn zoon.
17And Tobias said: I bless thee, O Lord God of Israel, because thou hast chastised me, and thou hast saved me: and behold I see Tobias my son.
18Zeven dagen later kwam ook Sara, de vrouw van zijn zoon, behouden aan, met al de slaven, het vee en de kamelen, en met al het geld, zowel dat van de vrouw als hetgeen hij van Gabaël had terugontvangen.
18And after seven days Sara his son’s wife, and all the family arrived safe, and the cattle, and the camels, and an abundance of money of his wife’s: and that money also which he had received of Gabelus:
19Hij verhaalde zijn ouders al de weldaden, die God hem bewezen had door den man, die hem vergezeld had,
19And he told his parents all the benefits of God, which he had done to him by the man that conducted him.
20Nu kwamen ook Achior en Nabat, de neven van Tobias, vol blijdschap hem bezoeken, om hem geluk te wensen met al de weldaden, die God hem had bewezen.
20And Achior and Nabath the kinsmen of Tobias came, rejoicing for Tobias, and congratulating with him for all the good things that God had done for him.
21En zij vierden zeven dagen feest, en allen waren met grote blijdschap vervuld.
21And for seven days they feasted and rejoiced all with great joy.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.