Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Na de maaltijd bracht men dus den jongeman bij haar binnen.
1And after they had supped, they brought in the young man to her.
2Maar de woorden van den engel indachtig, haalde Tobias uit zijn reiszak een stuk van het hart en van de lever te voorschijn, en legde dat op de gloeiende kolen.
2And Tobias remembering the angel’s word, took out of his bag part of the liver, and laid it upon burning coals.
3Toen greep de engel Rafaël den bozen geest, en bond hem vast in de woestijn van Boven-Egypte.
3Then the angel Raphael took the devil, and bound him in the desert of upper Egypt.
4Daarna richtte Tobias zich tot het meisje en sprak tot haar: Sara, sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. Deze drie nachten blijven we verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen we ons huwelijksleven beginnen.
4Then Tobias exhorted the virgin, and said to her: Sara, arise, and let us pray to God today, and tomorrow, and the next day: because for these three nights we are joined to God: and when the third night is over, we will be in our own wedlock.
5Wij zijn immers kinderen der heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen als de heidenen, die God niet kennen.
5For we are the children of saints, and we must not be joined together like heathens that know not God.
6Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven.
6So they both arose, and prayed earnestly both together that health might be given them,
7En Tobias sprak: Heer, God van onze vaderen; dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen, die er in wonen.
7And Tobias said: Lord God of our father, may the heavens and the earth, and the sea, and the fountains, and the rivers, and all thy creatures that are in them, bless thee.
8Gij hebt Adam geschapen uit het stof van de aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp.
8Thou madest Adam of the slime of the earth, and gavest him Eve for a helper.
9Welnu dan Heer; Gij weet, dat ik niet uit wellust mijn zuster tot vrouw heb genomen, maar alleen uit verlangen naar kroost, opdat zij uw Naam mogen zegenen in de eeuwen der eeuwen.
9And now, Lord, thou knowest, that not for fleshly lust do I take my sister to wife, but only for the love of posterity, in which thy name may be blessed for ever and ever.
10Ook Sara sprak: Ontferm U over ons, Heer, ontferm U onzer, en houd ons beiden samen gezond tot op onze oude dag.
10Sara also said: Have mercy on us, O Lord, have mercy on us, and let us grow old both together in health.
11Tegen de tijd van het hanengekraai liet Raguël zijn knechten roepen, en dezen gingen met hem mee, om een graf te delven.
11And it came to pass about the cockcrowing, Raguel ordered his servants to be called for, and they went with him together to dig a grave.
12Want hij dacht: Er mocht hem toch eens hetzelfde overkomen zijn, als de zeven andere mannen, die bij haar zijn geweest.
12For he said: Lest perhaps it may have happened to him, in like manner as it did to the other seven husbands, that went in unto her.
13Toen zij het graf gereed hadden, ging Raguël terug naar zijn vrouw en zeide haar:
13And when they had prepared the pit, Raguel went back to his wife, and said to her:
14Stuur een van uw dienstmeisjes naar binnen, om te zien, of hij dood is; dan kan ik hem nog begraven, vóórdat het dag wordt.
14Send one of thy maids, and let her see if he be dead, that I may bury him before it be day.
15Zij stuurde dus een van haar meisjes; deze ging de kamer binnen en vond ze gezond en wel, beiden in slaap.
15So she sent one of her maidservants, who went into the chamber, and found them safe and sound, sleeping both together.
16Toen zij met dat blijde nieuws terugkwam, loofden Raguël en Anna, zijn vrouw, den Heer;
16And returning she brought the good news: and Raguel and Anna his wife blessed the Lord,
17en ze zeiden: Wij loven U, Heer, God van Israël, omdat er niet is gebeurd, wat wij vreesden.
17And said: We bless thee, O Lord God of Israel, because it hath not happened as we suspected.
18Neen, Gij hebt ons barmhartigheid bewezen, en ons van den vijand, die ons vervolgde, bevrijd.
18For thou hast shewn thy mercy to us, and hast shut out from us the enemy that persecuted us.
19Gij hebt medelijden gehad met deze twee, die beiden enig kind zijn. Geef dan, Heer, dat zij U nog meer mogen loven, en dankoffers brengen voor hun geluk, opdat heel de heidenwereld moge weten, dat Gij alleen God zijt over heel de aarde!
19And thou hast taken pity upon two only children. Make them, O Lord, bless thee more fully: and to offer up to thee a sacrifice of thy praise, and of their health, that all nations may know, that thou alone art God in all the earth.
20Onmiddellijk gaf Raguël nu aan zijn knechten bevel, om het graf, dat zij gedolven hadden, nog vóór het daglicht dicht te werpen.
20And immediately Raguel commanded his servants, to fill up the pit they had made, before it was day.
21Hij liet zijn vrouw een feestmaal klaar maken en alles in gereedheid brengen, wat er voor het eten nodig was.
21And he spoke to his wife to make ready a feast, and prepare all kind of provisions that are necessary for such as go a journey.
22Ook liet hij twee vette koeien en vier rammen slachten, om een feestmaal te bereiden voor al zijn buren en vrienden.
22He caused also two fat kine, and four wethers to be killed, and a banquet to be prepared for all his neighbours, and all his friends.
23Toen drong Raguël er bij Tobias op aan, dat hij nog twee weken bij hem zou blijven.
23And Raguel adjured Tobias, to abide with him two weeks.
24En de helft van alles, wat Raguël bezat, schonk hij aan Tobias, en gaf hem een schriftelijk bewijs, dat na hun dood ook de andere helft in het bezit van Tobias zou komen.
24And of all things which Raguel possessed, he gave one half to Tobias, and made him a writing, that the half that remained should after their decease come also to Tobias.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.