Tobit 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: Wat kunnen wij geven aan dezen heiligen man, die u begeleid heeft?
1ΚΑΙ ἐκάλεσε Τωβὶτ Τωβίαν τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ὅρα, τέκνον, μισθὸν τῷ ἀνθρώπῳ τῷ συνελθόντι σοι, καὶ προσθεῖναι αὐτῷ δεῖ.
2Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, ja, wat zullen wij hem voor loon geven; of wat kan er opwegen tegen zijn weldaden?
2καὶ εἶπε· πάτερ, οὐ βλάπτομαι δοὺς αὐτῷ τὸ ἥμισυ, ὧν ἐνήνοχα,
3Hij heeft mij behouden heen en terug gebracht en bij Gabaël het geld gehaald; hij heeft mij een vrouw bezorgd, den bozen geest van haar verdreven en aan haar ouders vreugde verschaft; hij heeft mij gered uit de greep van de vis, en uzelf het licht van de hemel weer doen aanschouwen. Ja, wij zijn met allerlei weldaden door hem overladen. Wat kunnen wij hem geven, dat daartegen opweegt?
3ὅτι με ἀγήοχέ σοι ὑγιῆ καὶ τὴν γυναῖκα μου ἐθεράπευσε καὶ τὸ ἀργύριόν μου ἤνεγκε καὶ σὲ ὁμοίως ἐθεράπευσε.
4Maar ik bid u, vader; vraag hem, of hij misschien de helft wil aanvaarden van alles, wat wij hebben meegebracht.
4καὶ εἶπεν ὁ πρεσβύτης· δικαιοῦται αὐτῷ.
5De vader en de zoon riepen hem dus terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden.
5καὶ ἐκάλεσε τὸν ἄγγελον καὶ εἶπεν αὐτῷ· λάβε τὸ ἥμισυ πάντων, ὧν ἐνηνόχατε, καὶ ὕπαγε ὑγιαίνων.
6En terwijl hij nog met hen alleen was, sprak hij tot hen: Richt uw dank tot God in de hemel, en looft Hem tegenover al wat leeft; want Hij heeft u zijn barmhartigheid bewezen.
6τότε καλέσας τοὺς δύο κρυπτῶς εἶπεν αὐτοῖς· εὐλογεῖτε τὸν Θεὸν καὶ αὐτῷ ἐξομολογεῖσθε καὶ μεγαλωσύνην δίδοτε αὐτῷ καὶ ἐξολογεῖσθε αὐτῷ ἐνώπιον πάντων τῶν ζώντων, περὶ ὧν ἐποίησε μεθ᾿ ὑμῶν. ἀγαθὸν τὸ εὐλογεῖν τὸν Θεὸν καὶ ὑψοῦν τὸ ὄνομα αὐτοῦ, τοὺς λόγους τῶν ἔργων τοῦ Θεοῦ ἐντίμως ὑποδεικνύοντες, καὶ μὴ ὀκνεῖτε ἐξομολογεῖσθαι αὐτῷ.
7Zeker, het is goed, het geheim van een koning verborgen te houden; maar de werken Gods openbaar maken en prijzen, is eervol.
7μυστήριον βασιλέως καλὸν κρύψαι, τὰ δὲ ἔργα τοῦ Θεοῦ ἀνακαλύπτειν ἐνδόξως. ἀγαθὸν ποιήσατε, καὶ κακὸν οὐχ εὑρήσει ὑμᾶς.
8Bidden en vasten is een voortreffelijk werk, en aalmoezen geven is meer waard, dan schatten gouds te verzamelen.
8ἀγαθὸν προσευχὴ μετὰ νηστείας καὶ ἐλεημοσύνης καὶ δικαιοσύνης· ἀγαθὸν τὸ ὀλίγον μετὰ δικαιοσύνης ἢ πολὺ μετὰ ἀδικίας. καλὸν ποιῆσαι ἐλεημοσύνην ἢ θησαυρίσαι χρυσίον·
9Want de aalmoes redt van de dood; zij is het, die reinigt van de zonden, en barmhartigheid en eeuwig leven doet vinden.
9ἐλεημοσύνη γὰρ ἐκ θανάτου ρύεται, καὶ αὐτὴ ἀποκαθαριεῖ πᾶσαν ἁμαρτίαν· οἱ ποιοῦντες ἐλεημοσύνας καὶ δικαιοσύνας πλησθήσονται ζωῆς,
10Maar wie zonden bedrijven en onrecht, zijn hun eigen vijand.
10οἱ δὲ ἁμαρτάνοντες πολέμιοί εἰσι τῆς ἑαυτῶν ζωῆς.
11Ik ga u dus de waarheid bekend maken, en wat nog omsluierd is, zal ik u niet langer verbergen.
11οὐ μὴ κρύψω ἀφ᾿ ὑμῶν πᾶν ρῆμα· εἴρηκα δὴ μυστήριον βασιλέως κρύψαι καλόν, τὰ δὲ ἔργα τοῦ Θεοῦ ἀνακαλύπτειν ἐνδόξως.
12Toen gij onder tranen uw gebeden verrichtte, toen gij de doden begroeft en uw eten er voor liet staan, toen gij overdag de doden in uw huis gingt verbergen, om ze 's nachts te begraven, toen droeg ik uw gebeden op aan den Heer.
12καὶ νῦν ὅτι προσηύξω σὺ καὶ ἡ νύμφη σου Σάρρα, ἐγὼ προσήγαγον τὸ μνημόσυνον τῆς προσευχῆς ὑμῶν ἐνώπιον τοῦ ἁγίου· καὶ ὅτε ἔθαπτες τοὺς νεκρούς, ὡσαύτως συμπαρήγμην σοι.
13Maar omdat gij welgevallig waart aan God, daarom moest gij door lijden worden beproefd.
13καὶ ὅτε οὐκ ὤκνησας ἀναστῆναι καὶ καταλιπεῖν τὸ ἄριστόν σου, ὅπως ἀπελθὼν περιστείλῃς τὸν νεκρόν, οὐκ ἔλαθές με ἀγαθοποιῶν, ἀλλὰ σὺν σοὶ ἤμην.
14Doch nu heeft de Heer mij gezonden, om u te genezen, en Sara, de vrouw van uw zoon, van den bozen geest te bevrijden.
14καὶ νῦν ἀπέστειλέ με ὁ Θεὸς ἰάσασθαί σε καὶ τὴν νύμφην σου Σάρραν.
15Want ik ben de engel Rafaël, één van de zeven, die voor s Heren aanschijn staan.
15ἐγώ εἰμι Ραφαήλ, εἷς ἐκ τῶν ἑπτὰ ἁγίων ἀγγέλων, οἳ προσαναφέρουσι τὰς προσευχὰς τῶν ἁγίων, καὶ εἰσπορεύονται ἐνώπιον τῆς δόξης τοῦ ἁγίου.
16Toen zij dat hoorden, verschrokken zij hevig, en wierpen zich sidderend neer, met het gelaat op de grond.
16καὶ ἐταράχθησαν οἱ δύο καὶ ἔπεσον ἐπὶ πρόσωπον, ὅτι ἐφοβήθησαν.
17Maar de engel sprak tot hen: Vrede zij u; vreest niet.
17καὶ εἶπεν αὐτοῖς· μὴ φοβεῖσθε, εἰρήνη ὑμῖν ἔσται· τὸν δὲ Θεὸν εὐλογεῖτε εἰς τὸν αἰῶνα,
18Want het was door Gods wil, dat ik bij u vertoefde; zegent Hem en zingt Hem lof.
18ὅτι οὐ τῇ ἐμαυτοῦ χάριτι, ἀλλὰ τῇ θελήσει τοῦ Θεοῦ ἡμῶν ἦλθον, ὅθεν εὐλογεῖτε αὐτὸν εἰς τὸν αἰῶνα.
19Het had wel de schijn, dat ik met u at en dronk; maar ik geniet onzichtbare spijs en drank, die geen mens kan aanschouwen.
19πάσας τὰς ἡμέρας ὠπτανόμην ὑμῖν, καὶ οὐκ ἔφαγον οὐδὲ ἔπιον, ἀλλὰ ὅρασιν ὑμεῖς ἐθεωρεῖτε.
20Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem, die mij heeft gezonden; looft gij echter den Heer en verkondigt al zijn wonderdaden.
20καὶ νῦν ἐξομολογεῖσθε τῷ Θεῷ, διότι ἀναβαίνω πρὸς τὸν ἀποστείλαντά με, καὶ γράψατε πάντα τὰ συντελεσθέντα εἰς βιβλίον.
21Toen hij dat gezegd had, werd hij aan hun ogen onttrokken, zodat zij hem niet meer konden zien.
21καὶ ἀνέστησαν, καὶ οὐκ ἔτι εἶδον αὐτόν.
22Nog drie uur lang bleven zij diep gebogen liggen en loofden God; toen stonden zij op, en verkondigden al zijn wonderdaden.
22καὶ ἐξωμολογοῦντο τὰ ἔργα τὰ μεγάλα καὶ θαυμαστὰ αὐτοῦ καὶ ὡς ὤφθη αὐτοῖς ὁ ἄγγελος Κυρίου.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.