Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Welnu dan, almachtige Heer, Israëls God: een bedrukte ziel en een bekommerd gemoed roept tot U!
1[Et nunc, Domine omnipotens, Deus Israël, anima in angustiis, et spiritus anxius clamat ad te.
2Luister toch, Heer, en ontferm U onzer, want wij hebben gezondigd tegen U!
2Audi, Domine, et miserere, quia Deus es misericors: et miserere nostri, quia peccavimus ante te:
3Gij troont voor eeuwig; en wij zouden voor immer te gronde gaan?
3quia tu sedes in sempiternum, et nos, peribimus in ævum?
4Almachtige Heer, Israëls God; verhoor toch het smeken van Israël, dat de dood zo nabij is; van de zonen van hen, die tegen U hebben gezondigd, die niet naar de stem van U, hun God, wilden horen, en over zich de rampen hebben gebracht.
4Domine omnipotens, Deus Israël, audi nunc orationem mortuorum Israël, et filiorum ipsorum qui peccaverunt ante te, et non audierunt vocem Domini Dei sui, et agglutinata sunt nobis mala.
5Neen, gedenk niet de zonden onzer vaderen; denk thans aan uw macht en uw Naam!
5Noli meminisse iniquitatum patrum nostrorum, sed memento manus tuæ et nominis tui in tempore isto:
6Gij zijt de Heer, onze God; wij willen U loven, o Heer!
6quia tu es Dominus Deus noster, et laudabimus te, Domine:
7Want daarom hebt Gij de vrees voor U in ons hart gelegd, dat wij uw Naam zouden aanroepen. Nu loven wij U in het land onzer ballingschap; want wij hebben ons hart ontlast van al de boosheid onzer vaderen, die tegen U hebben gezondigd.
7quia propter hoc dedisti timorem tuum in cordibus nostris, et ut invocemus nomen tuum, et laudemus te in captivitate nostra, quia convertimur ab iniquitate patrum nostrorum, qui peccaverunt ante te.
8En toch moeten wij thans nog in onze ballingschap blijven, op de plaats waar Gij ons hebt verstrooid als een hoon en een vloek, als een boete voor de zonden onzer vaderen, die den Heer, hun God, hebben verlaten!
8Et ecce nos in captivitate nostra sumus hodie, qua nos dispersisti in improperium, et in maledictum, et in peccatum, secundum omnes iniquitates patrum nostrorum, qui recesserunt a te, Domine Deus noster.]
9Israël, hoor de geboden des levens, Luister aandachtig, om verstandig te worden!
9[Audi, Israël, mandata vitæ: auribus percipe, ut scias prudentiam.
10Hoe komt het Israël, Dat gij in het land der vijanden toeft, En op vreemde bodem verkwijnt; Dat gij onrein zijt geworden als lijken,
10Quid est, Israël, quod in terra inimicorum es,
11Op één lijn gesteld met die in het graf zijn gedaald?
11inveterasti in terra aliena, coinquinatus es cum mortuis, deputatus es cum descendentibus in infernum?
12Gij hebt de Bron der wijsheid verlaten!
12Dereliquisti fontem sapientiæ:
13Wanneer ge de weg van God hadt bewandeld, Dan hadt ge in eeuwige vrede gewoond.
13nam si in via Dei ambulasses, habitasses utique in pace sempiterna.
14Leer derhalve, waar de wijsheid is, Waar kracht, waar beleid zijn te vinden: Dan weet ge meteen, waar lengte van dagen en leven, Waar stralende ogen en vrede zijn!
14Disce ubi sit prudentia, ubi sit virtus, ubi sit intellectus, ut scias simul ubi sit longiturnitas vitæ et victus, ubi sit lumen oculorum, et pax.
15Maar wie heeft ooit haar plaats gevonden, Wie drong tot haar schatkamers door?
15Quis invenit locum ejus? et quis intravit in thesauros ejus?
16Waar zijn de heersers der volken, Die zelfs de dieren der aarde temden,
16Ubi sunt principes gentium, et qui dominantur super bestias quæ sunt super terram?
17En speelden met de vogels uit de lucht? Waar zijn ze, die goud en zilver hebben geschraapt, Waarop de mensen vertrouwen; Wier bezittingen eindeloos zijn,
17qui in avibus cæli ludunt,
18Maar die toch voor wat geld Blijven zwoegen en slaven? Hun werken vindt men niet meer,
18qui argentum thesaurizant, et aurum, in quo confidunt homines, et non est finis acquisitionis eorum? qui argentum fabricant, et solliciti sunt, nec est inventio operum illorum?
19Zelf zijn ze verdwenen, neergedaald in het graf; Anderen zijn in hun plaats gekomen,
19Exterminati sunt, et ad inferos descenderunt, et alii loco eorum surrexerunt.
20Een nieuw geslacht heeft het licht aanschouwd, de aarde bewoond! Maar ook zij kenden de weg naar de wijsheid niet,
20Juvenes viderunt lumen, et habitaverunt super terram, viam autem disciplinæ ignoraverunt,
21Noch waren met haar paden vertrouwd; Ook hun zonen begrepen haar niet, En hielden zich ver van haar wegen.
21neque intellexerunt semitas ejus, neque filii eorum susceperunt eam: a facie ipsorum longe facta est;
22Nooit werd zij in Kanaän vernomen, Nooit in Teman aanschouwd.
22non est audita in terra Chanaan, neque visa est in Theman.
23Ook de zonen van Hagar, Die aardse schranderheid zoeken, De kooplui van Medan en Tema, Die spreuken dichten, en zo knap willen zijn, Kenden de weg naar de wijsheid niet, Noch waren vertrouwd met haar paden.
23Filii quoque Agar, qui exquirunt prudentiam quæ de terra est, negotiatores Merrhæ et Theman, et fabulatores, et exquisitores prudentiæ et intelligentiæ: viam autem sapientiæ nescierunt, neque commemorati sunt semitas ejus.
24Israël, hoe groot is Gods woning, hoe uitgestrekt zijn bezit,
24O Israël, quam magna est domus Dei, et ingens locus possessionis ejus !
25Hoe groot en eindeloos, hoe hoog en onmetelijk!
25magnus est, et non habet finem: excelsus, et immensus.
26Daar werden de reuzen geboren, de beroemde mannen van vroeger, Hoog van gestalte, bekwaam in de strijd;
26Ibi fuerunt gigantes nominati illi, qui ab initio fuerunt, statura magna, scientes bellum.
27Maar hen heeft God niet uitverkoren, De weg der wijsheid niet geleerd:
27Non hos elegit Dominus, neque viam disciplinæ invenerunt: propterea perierunt,
28Ze gingen te gronde, omdat hun de wijsheid ontbrak, Door hun dwaasheid kwamen zij om!
28et quoniam non habuerunt sapientiam, interierunt propter suam insipientiam.
29Wie steeg op naar de hemel, en haalde ze daar; Wie bracht ze uit de wolken omlaag;
29Quis ascendit in cælum, et accepit eam, et eduxit eam de nubibus?
30Wie ploegde de zee, en ontdekte haar, En verwierf haar voor het kostbaarste goud?
30Quis transfretavit mare, et invenit illam, et attulit illam super aurum electum?
31Neen, geen mens kent haar wegen, Niemand is vertrouwd met haar pad:
31Non est qui possit scire vias ejus, neque qui exquirat semitas ejus:
32Hij alleen kent ze, die alles weet; Hij heeft ze met zijn blik doorvorst. Hij, die de aarde grondde voor eeuwig, En ze met dieren heeft bevolkt;
32sed qui scit universa novit eam, et adinvenit eam prudentia sua qui præparavit terram in æterno tempore: et replevit eam pecudibus et quadrupedibus
33Die het licht uitzendt, en het gaat, Het terugroept, en het gehoorzaamt al bevend!
33qui emittit lumen, et vadit, et vocavit illud, et obedit illi in tremore.
34De sterren flonkeren op haar posten, En stralen van vreugd; Hij roept haar, ze zeggen: Hier zijn we! Ze lichten vol vreugde voor Hem, die ze schiep.
34Stellæ autem dederunt lumen in custodiis suis, et lætatæ sunt:
35Dat is onze God: Geen ander is aan Hem gelijk!
35vocatæ sunt, et dixerunt: Adsumus, et luxerunt ei cum jucunditate, qui fecit illas.
36Hij heeft al de wegen der wijsheid gevonden, Haar geopenbaard aan Jakob, zijn dienaar, en Israël zijn vriend.
36Hic est Deus noster, et non æstimabitur alius adversus eum.
37Toen is zij op de aarde verschenen, En heeft met de mensen verkeerd:
37Hic adinvenit omnem viam disciplinæ, et tradidit illam Jacob puero suo, et Israël dilecto suo.
no verse 38 in this text
38Post hæc in terris visus est, et cum hominibus conversatus est.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.