Baruch 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Welnu dan, almachtige Heer, Israëls God: een bedrukte ziel en een bekommerd gemoed roept tot U!
1ΚΥΡΙΕ παντοκράτωρ ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, ψυχὴ ἐν στενοῖς καὶ πνεῦμα ἀκηδιῶν κέκραγε πρός σε.
2Luister toch, Heer, en ontferm U onzer, want wij hebben gezondigd tegen U!
2ἄκουσον, Κύριε, καὶ ἐλέησον, ὅτι ἡμάρτομεν ἐναντίον σου,
3Gij troont voor eeuwig; en wij zouden voor immer te gronde gaan?
3ὅτι σὺ καθήμενος τὸν αἰῶνα, καὶ ἡμεῖς ἀπολλύμενοι τὸν αἰῶνα.
4Almachtige Heer, Israëls God; verhoor toch het smeken van Israël, dat de dood zo nabij is; van de zonen van hen, die tegen U hebben gezondigd, die niet naar de stem van U, hun God, wilden horen, en over zich de rampen hebben gebracht.
4Κύριε παντοκράτωρ ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, ἄκουσον δὴ τῆς προσευχῆς τῶν τεθνηκότων Ἰσραὴλ καὶ υἱῶν τῶν ἁμαρτανόντων ἐναντίον σου, οἳ οὐκ ἤκουσαν τῆς φωνῆς Κυρίου Θεοῦ αὐτῶν καὶ ἐκολλήθη ἡμῖν τὰ κακά.
5Neen, gedenk niet de zonden onzer vaderen; denk thans aan uw macht en uw Naam!
5μὴ μνησθῇς ἀδικιῶν πατέρων ἡμῶν, ἀλλὰ μνήσθητι χειρός σου καὶ ὀνόματός σου ἐν τῷ καιρῷ τούτῳ·
6Gij zijt de Heer, onze God; wij willen U loven, o Heer!
6ὅτι σὺ Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν, καὶ αἰνέσομέν σε, Κύριε.
7Want daarom hebt Gij de vrees voor U in ons hart gelegd, dat wij uw Naam zouden aanroepen. Nu loven wij U in het land onzer ballingschap; want wij hebben ons hart ontlast van al de boosheid onzer vaderen, die tegen U hebben gezondigd.
7ὅτι διὰ τοῦτο ἔδωκας τὸν φόβον σου ἐπί καρδίαν ἡμῶν τοῦ ἐπικαλεῖσθαι τὸ ὄνομά σου. καὶ αἰνέσομέν σε ἐν τῇ ἀποικίᾳ ἡμῶν, ὅτι ἀπεστρέψαμεν ἀπὸ καρδίας ἡμῶν πᾶσαν ἀδικίαν πατέρων ἡμῶν τῶν ἡμαρτηκότων ἐναντίον σου.
8En toch moeten wij thans nog in onze ballingschap blijven, op de plaats waar Gij ons hebt verstrooid als een hoon en een vloek, als een boete voor de zonden onzer vaderen, die den Heer, hun God, hebben verlaten!
8ἰδοὺ ἡμεῖς σήμερον ἐν τῇ ἀποικίᾳ ἡμῶν, οὗ διέσπειρας ἡμᾶς ἐκεῖ εἰς ὀνειδισμὸν καὶ εἰς ἀρὰν καὶ εἰς ὄφλησιν κατὰ πάσας τὰς ἀδικίας πατέρων ἡμῶν, οἳ ἀπέστησαν ἀπὸ Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν.
9Israël, hoor de geboden des levens, Luister aandachtig, om verstandig te worden!
9Ἄκουε Ἰσραὴλ ἐντολὰς ζωῆς, ἐνωτίσασθε γνῶναι φρόνησιν.
10Hoe komt het Israël, Dat gij in het land der vijanden toeft, En op vreemde bodem verkwijnt; Dat gij onrein zijt geworden als lijken,
10τί ἐστιν Ἰσραήλ; τί ὅτι ἐν γῇ τῶν ἐχθρῶν εἶ; ἐπαλαιώθης ἐν γῇ ἀλλοτρίᾳ, συνεμιάνθης τοῖς νεκροῖς,
11Op één lijn gesteld met die in het graf zijn gedaald?
11προσελογίσθης μετὰ τῶν εἰς ᾅδου;
12Gij hebt de Bron der wijsheid verlaten!
12ἐγκατέλιπες τὴν πηγὴν τῆς σοφίας.
13Wanneer ge de weg van God hadt bewandeld, Dan hadt ge in eeuwige vrede gewoond.
13τῇ ὁδῷ τοῦ Θεοῦ εἰ ἐπορεύθης, κατῴκεις ἂν ἐν εἰρήνῃ τὸν αἰῶνα.
14Leer derhalve, waar de wijsheid is, Waar kracht, waar beleid zijn te vinden: Dan weet ge meteen, waar lengte van dagen en leven, Waar stralende ogen en vrede zijn!
14μάθε ποῦ ἐστι φρόνησις, ποῦ ἐστιν ἰσχύς, ποῦ ἐστι σύνεσις τοῦ γνῶναι ἅμα ποῦ ἐστι μακροβίωσις καὶ ζωή, ποῦ ἐστι φῶς ὀφθαλμῶν καὶ εἰρήνη.
15Maar wie heeft ooit haar plaats gevonden, Wie drong tot haar schatkamers door?
15Τίς εὗρε τὸν τόπον αὐτῆς καὶ τίς εἰσῆλθεν εἰς τοὺς θησαυροὺς αὐτῆς;
16Waar zijn de heersers der volken, Die zelfs de dieren der aarde temden,
16ποῦ εἰσιν οἱ ἄρχοντες τῶν ἐθνῶν καὶ οἱ κυριεύοντες τῶν θηρίων τῶν ἐπὶ τῆς γῆς,
17En speelden met de vogels uit de lucht? Waar zijn ze, die goud en zilver hebben geschraapt, Waarop de mensen vertrouwen; Wier bezittingen eindeloos zijn,
17οἱ ἐν τοῖς ὀρνέοις τοῦ οὐρανοῦ ἐμπαίζοντες καὶ τὸ ἀργύριον θησαυρίζοντες καὶ τὸ χρυσίον, ᾧ ἐπεποίθεισαν ἄνθρωποι, καὶ οὐκ ἔστι τέλος τῆς κτήσεως αὐτῶν,
18Maar die toch voor wat geld Blijven zwoegen en slaven? Hun werken vindt men niet meer,
18οἱ τὸ ἀργύριον τεκταίνοντες καὶ μεριμνῶντες, καὶ οὐκ ἔστιν ἐξεύρεσις τῶν ἔργων αὐτῶν;
19Zelf zijn ze verdwenen, neergedaald in het graf; Anderen zijn in hun plaats gekomen,
19ἠφανίσθησαν καὶ εἰς ᾅδου κατέβησαν, καὶ ἄλλοι ἀντανέστησαν ἀντ᾿ αὐτῶν.
20Een nieuw geslacht heeft het licht aanschouwd, de aarde bewoond! Maar ook zij kenden de weg naar de wijsheid niet,
20νεώτεροι εἶδον φῶς καὶ κατῴκησαν ἐπὶ τῆς γῆς, ὁδὸν δὲ ἐπιστήμης οὐκ ἔγνωσαν,
21Noch waren met haar paden vertrouwd; Ook hun zonen begrepen haar niet, En hielden zich ver van haar wegen.
21οὐδὲ συνῆκαν τρίβους αὐτῆς, οὐδὲ ἀντελάβοντο αὐτῆς· οἱ υἱοὶ αὐτῶν ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτῶν πόρρω ἐγενήθησαν,
22Nooit werd zij in Kanaän vernomen, Nooit in Teman aanschouwd.
22οὐδὲ ἠκούσθη ἐν Χαναάν, οὐδὲ ὤφθη ἐν Θαιμάν,
23Ook de zonen van Hagar, Die aardse schranderheid zoeken, De kooplui van Medan en Tema, Die spreuken dichten, en zo knap willen zijn, Kenden de weg naar de wijsheid niet, Noch waren vertrouwd met haar paden.
23οὔτε υἱοὶ Ἄγαρ, οἱ ἐκζητοῦντες τὴν σύνεσιν ἐπὶ τῆς γῆς, οἱ ἔμποροι τῆς Μερρὰν καὶ Θαιμάν, οἱ μυθολόγοι καὶ οἱ ἐκζητηταὶ τῆς συνέσεως, ὁδὸν τῆς σοφίας οὐκ ἔγνωσαν, οὐδὲ ἐμνήσθησαν τὰς τρίβους αὐτῆς.
24Israël, hoe groot is Gods woning, hoe uitgestrekt zijn bezit,
24Ὦ Ἰσραήλ, ὡς μέγας ὁ οἶκος τοῦ Θεοῦ καὶ ἐπιμήκης ὁ τόπος τῆς κτήσεως αὐτοῦ·
25Hoe groot en eindeloos, hoe hoog en onmetelijk!
25μέγας καὶ οὐκ ἔχει τελευτήν, ὑψηλὸς καὶ ἀμέτρητος.
26Daar werden de reuzen geboren, de beroemde mannen van vroeger, Hoog van gestalte, bekwaam in de strijd;
26ἐκεῖ ἐγεννήθησαν οἱ γίγαντες οἱ ὀνομαστοὶ οἱ ἀπ᾿ ἀρχῆς, γενόμενοι εὐμεγέθεις, ἐπιστάμενοι πόλεμον.
27Maar hen heeft God niet uitverkoren, De weg der wijsheid niet geleerd:
27οὐ τούτους ἐξελέξατο ὁ Θεὸς οὐδὲ ὁδὸν ἐπιστήμης ἔδωκεν αὐτοῖς·
28Ze gingen te gronde, omdat hun de wijsheid ontbrak, Door hun dwaasheid kwamen zij om!
28καὶ ἀπώλοντο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν φρόνησιν, ἀπώλοντο διὰ τὴν ἀβουλίαν αὐτῶν.
29Wie steeg op naar de hemel, en haalde ze daar; Wie bracht ze uit de wolken omlaag;
29Τίς ἀνέβη εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ ἔλαβεν αὐτὴν καὶ κατεβίβασεν αὐτὴν ἐκ τῶν νεφελῶν;
30Wie ploegde de zee, en ontdekte haar, En verwierf haar voor het kostbaarste goud?
30τίς διέβη πέραν τῆς θαλάσσης καὶ εὗρεν αὐτὴν καὶ οἴσει αὐτὴν χρυσίου ἐκλεκτοῦ;
31Neen, geen mens kent haar wegen, Niemand is vertrouwd met haar pad:
31οὐκ ἔστιν ὁ γινώσκων τὴν ὁδὸν αὐτῆς οὐδὲ ὁ ἐνθυμούμενος τὴν τρίβον αὐτῆς·
32Hij alleen kent ze, die alles weet; Hij heeft ze met zijn blik doorvorst. Hij, die de aarde grondde voor eeuwig, En ze met dieren heeft bevolkt;
32ἀλλ᾿ ὁ εἰδὼς τὰ πάντα γινώσκει αὐτήν, ἐξεῦρεν αὐτὴν τῇ συνέσει αὐτοῦ· ὁ κατασκευάσας τὴν γῆν εἰς τὸν αἰῶνα χρόνον, ἐνέπλησεν αὐτὴν κτηνῶν τετραπόδων·
33Die het licht uitzendt, en het gaat, Het terugroept, en het gehoorzaamt al bevend!
33ὁ ἀποστέλλων τὸ φῶς, καὶ πορεύεται, ἐκάλεσεν αὐτό, καὶ ὑπήκουσεν αὐτῷ τρόμῳ·
34De sterren flonkeren op haar posten, En stralen van vreugd; Hij roept haar, ze zeggen: Hier zijn we! Ze lichten vol vreugde voor Hem, die ze schiep.
34οἱ δὲ ἀστέρες ἔλαμψαν ἐν ταῖς φυλακαῖς αὐτῶν καὶ εὐφράνθησαν.
35Dat is onze God: Geen ander is aan Hem gelijk!
35ἐκάλεσεν αὐτοὺς καὶ εἶπον· πάρεσμεν, ἔλαμψαν μετ᾿ εὐφροσύνης τῷ ποιήσαντι αὐτούς.
36Hij heeft al de wegen der wijsheid gevonden, Haar geopenbaard aan Jakob, zijn dienaar, en Israël zijn vriend.
36οὗτος ὁ Θεὸς ἡμῶν, οὐ λογισθήσεται ἕτερος πρὸς αὐτόν.
37Toen is zij op de aarde verschenen, En heeft met de mensen verkeerd:
37ἐξεῦρε πᾶσαν ὁδὸν ἐπιστήμης καὶ ἔδωκεν αὐτὴν Ἰακὼβ τῷ παιδὶ αὐτοῦ καὶ Ἰσραὴλ τῷ ἠγαπημένῳ ὑπ᾿ αὐτοῦ·
no verse 38 in this text
38μετὰ τοῦτο ἐπὶ γῆς ὤφθη καὶ ἐν τοῖς ἀνθρώποις συνανεστράφη.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.