Baruch 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Daarom deed ook de Heer zijn woord gestand, dat Hij gesproken had tegen ons, tegen onze leiders die Israël bestuurden, tegen onze koningen en vorsten, en tegen de mannen van Israël en Juda:
1ΚΑΙ ἔστησε Κύριος τὸν λόγον αὐτοῦ, ὃν ἐλάλησεν ἐφ᾿ ἡμᾶς καὶ ἐπὶ τοὺς δικαστὰς ἡμῶν τοὺς δικάσαντας τὸν Ἰσραὴλ καὶ ἐπὶ τοὺς βασιλεῖς ἡμῶν, καὶ ἐπὶ τοὺς ἄρχοντας ἡμῶν καὶ ἐπὶ ἄνθρωπον Ἰσραὴλ καὶ Ἰούδα,
2dat Hij over ons een grote rampspoed zou brengen, en dat Jerusalem zou worden getroffen, zoals nog nooit was gebeurd onder heel de hemel; dat zoals in Moses' wet staat geschreven,
2τοῦ ἀγαγεῖν ἐφ᾿ ἡμᾶς κακὰ μεγάλα, ἃ οὐκ ἐποίησεν ὑποκάτω παντὸς τοῦ οὐρανοῦ καθὰ ἐποιήθη ἐν Ἱερουσαλήμ, κατὰ τὰ γεγραμμένα ἐν τῷ νόμῳ Μωυσῆ,
3ieder van ons het vlees van zijn eigen zoon, het vlees van zijn eigen dochter zou eten.
3τοῦ φαγεῖν ἡμᾶς ἄνθρωπον σάρκας υἱοῦ αὐτοῦ καὶ ἄνθρωπον σάρκας θυγατρὸς αὐτοῦ.
4Hij leverde hen over in de macht van alle koninkrijken, die ons omringen, en maakte hen tot spot en hoon bij alle omliggende volken, waaronder de Heer hen had verstrooid.
4καὶ ἔδωκεν αὐτοὺς ὑποχειρίους πάσαις ταῖς βασιλείαις ταῖς κύκλῳ ἡμῶν εἰς ὀνειδισμὸν καὶ εἰς ἄβατον ἐν πᾶσι τοῖς λαοῖς τοῖς κύκλῳ, οὗ διέσπειρεν αὐτοὺς Κύριος ἐκεῖ.
5Zo werden ze vernederd in plaats van te heersen, omdat wij gezondigd hadden tegen den Heer, onzen God, door niet te luisteren naar zijn stem.
5καὶ ἐγενήθησαν ὑποκάτω καὶ οὐκ ἐπάνω, ὅτι ἡμάρτομεν Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν πρὸς τὸ μὴ ἀκούειν τῆς φωνῆς αὐτοῦ.
6Ja, de Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten blozen van schaamte, evenals onze vaderen.
6τῷ Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν ἡ δικαιοσύνη, ἡμῖν δὲ καὶ τοῖς πατράσιν ἡμῶν ἡ αἰσχύνη τῶν προσώπων ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
7Al de rampen, waarmee de Heer ons gedreigd had, zijn over ons uitgestort.
7ἃ ἐλάλησε Κύριος ἐφ᾿ ἡμᾶς, πάντα τὰ κακὰ ταῦτα ἦλθεν ἐφ᾿ ἡμᾶς.
8Wij hebben 's Heren aanschijn niet verzoend, door ons allen af te keren van de neigingen van ons verdorven hart.
8καὶ οὐκ ἐδεήθημεν τοῦ προσώπου Κυρίου τοῦ ἀποστρέψαι ἕκαστον ἀπὸ τῶν νοημάτων τῆς καρδίας αὐτῶν τῆς πονηρᾶς.
9Daarom bleef de Heer op de rampen bedacht, en stortte de Heer ze over ons uit.
9καὶ ἐγρηγόρησε Κύριος ἐπὶ τοῖς κακοῖς, καὶ ἐπήγαγε Κύριος ἐφ᾿ ἡμᾶς, ὅτι δίκαιος ὁ Κύριος ἐπὶ πάντα τὰ ἔργα αὐτοῦ, ἃ ἐνετείλατο ἡμῖν.
10Want de Heer is rechtvaardig in al zijn daden, die Hij over ons heeft besloten; maar wij luisterden niet naar zijn stem, en leefden niet naar de geboden, die de Heer ons had voorgeschreven.
10καὶ οὐκ ἠκούσαμεν τῆς φωνῆς αὐτοῦ πορεύεσθαι τοῖς προστάγμασι Κυρίου, οἷς ἔδωκε κατὰ πρόσωπον ἡμῶν.
11Nu dan Heer, Israëls God, die uw volk uit het land van Egypte hebt geleid met krachtige hand, met tekens en wonderen, met grote macht en gespierde arm, en zó U een naam hebt verworven tot op de huidige dag:
11Καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, ὃς ἐξήγαγες τὸν λαόν σου ἐκ γῆς Αἰγύπτου ἐν χειρὶ κραταιᾷ καὶ ἐν σημείοις καὶ ἐν τέρασι καὶ ἐν δυνάμει μεγάλῃ καὶ ἐν βραχίονι ὑψηλῷ καὶ ἐποίησας σεαυτῷ ὄνομα ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη,
12Heer, onze God, wij hebben gezondigd, goddeloos gehandeld, misdaan tegen al uw geboden!
12ἡμάρτομεν, ἠσεβήσαμεν, ἠδικήσαμεν, Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, ἐπὶ πᾶσι τοῖς δικαιώμασί σου.
13Ach, wend toch uw gramschap van ons af; want van ons zijn er maar weinigen overgebleven onder de volken, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
13ἀποστραφήτω ὁ θυμός σου ἀφ᾿ ἡμῶν, ὅτι κατελείφθημεν ὀλίγοι ἐν τοῖς ἔθνεσιν, οὗ διέσπειρας ἡμᾶς ἐκεῖ.
14Heer, verhoor ons bidden en smeken: Red ons toch om Uwentwil, en laat ons genade vinden bij hen, die ons hebben verbannen;
14εἰσάκουσον, Κύριε, τῆς προσευχῆς ἡμῶν καὶ τῆς δεήσεως ἡμῶν καὶ ἐξελοῦ ἡμᾶς ἕνεκέν σου καὶ δὸς ἡμῖν χάριν κατὰ πρόσωπον τῶν ἀποικισάντων ἡμᾶς,
15opdat de hele aarde wete, dat Gij de Heer zijt, onze God, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw Naam is genoemd.
15ἵνα γνῷ πᾶσα ἡ γῆ, ὅτι σὺ Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν, ὅτι τὸ ὄνομά σου ἐπεκλήθη ἐπὶ Ἰσραὴλ καὶ ἐπὶ τὸ γένος αὐτοῦ.
16Heer, zie neer uit uw heilige woning, en wil ons gedenken; Heer, neig uw oren en luister,
16Κύριε, κάτιδε ἐκ τοῦ οἴκου τοῦ ἁγίου σου καὶ ἐννόησον εἰς ἡμᾶς· καὶ κλίνον, Κύριε, τὸ οὖς σου καὶ ἄκουσον·
17open uw ogen en zie! Neen, niet de doden in de onderwereld, wie de adem uit de borst is genomen, kunnen de glorie des Heren en zijn gerechtigheid prijzen;
17ἄνοιξον, Κύριε, ὀφθαλμούς σου καὶ ἰδέ, ὅτι οὐχ οἱ τεθνηκότες ἐν τῷ ᾅδῃ, ὧν ἐλήφθη τὸ πνεῦμα αὐτῶν ἀπὸ τῶν σπλάγχνων αὐτῶν, δώσουσι δόξαν καὶ δικαίωμα τῷ Κυρίῳ·
18maar de ziel, die ten diepste bedroefd is, hij die gebukt gaat en gebroken, de smachtende ogen, de verhongerde geest prijzen uw glorie en gerechtigheid, o Heer!
18ἀλλὰ ἡ ψυχὴ ἡ λυπουμένη ἐπὶ τὸ μέγεθος, ὃ βαδίζει κύπτον καὶ ἀσθενοῦν καὶ οἱ ὀφθαλμοὶ οἱ ἐκλείποντες καὶ ἡ ψυχὴ ἡ πεινῶσα δώσουσί σοι δόξαν καὶ δικαιοσύνην, Κύριε.
19Neen, niet op grond der verdiensten van onze vaderen en koningen leggen wij ons gebed voor U neer, Heer, onze God!
19ὅτι οὐκ ἐπὶ τὰ δικαιώματα τῶν πατέρων ἡμῶν καὶ τῶν βασιλέων ἡμῶν ἡμεῖς καταβάλλομεν τὸν ἔλεον ἡμῶν κατὰ πρόσωπόν σου, Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν,
20Neen, Gij hebt uw grimmige toorn op ons losgelaten, zoals Gij door de profeten, uw dienaars, gezegd had:
20ὅτι ἐνῆκας τὸν θυμόν σου καὶ τὴν ὀργήν σου ἐφ᾿ ἡμᾶς, καθάπερ ἐλάλησας ἐν χειρὶ τῶν παίδων σου τῶν προφητῶν λέγων·
21“Zo spreekt de Heer! Buigt uw nek, en dient den koning van Babel; dan zult ge in het land blijven wonen, dat Ik uw vaderen heb gegeven.
21οὕτως εἶπε Κύριος· κλίνατε τὸν ὦμον ὑμῶν ἐργάσασθαι τῷ βασιλεῖ Βαβυλῶνος καὶ καθίσατε ἐπὶ τὴν γῆν, ἣν δέδωκα τοῖς πατράσιν ὑμῶν·
22Maar wanneer ge niet luistert naar de stem van den Heer, en den koning van Babel niet dient,
22καὶ ἐὰν μὴ ἀκούσητε τῆς φωνῆς Κυρίου ἐργάσασθαι τῷ βασιλεῖ Βαβυλῶνος,
23dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems omgeving de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid, en het hele land zal een wildernis worden zonder bewoners”.
23ἐκλείψειν ποιήσω ἐκ πόλεων Ἰούδα καὶ ἔξωθεν Ἱερουσαλὴμ φωνὴν εὐφροσύνης καὶ φωνὴν χαρμοσύνης, φωνὴν νυμφίου καὶ φωνὴν νύμφης, καὶ ἔσται πᾶσα ἡ γῆ εἰς ἄβατον ἀπὸ ἐνοικούντων.
24Maar wij luisterden niet naar uw bevel, om den koning van Babel te dienen; toen hebt Gij uw woord in vervulling doen gaan, dat Gij gesproken hebt door de profeten, uw dienaars: dat het gebeente van onze koningen en onze vaderen uit de graven zou worden geworpen.
24καὶ οὐκ ἠκούσαμεν τῆς φωνῆς σου ἐργάσασθαι τῷ βασιλεῖ Βαβυλῶνος, καὶ ἔστησας τοὺς λόγους σου, οὓς ἐλάλησας ἐν χερσὶ τῶν παίδων σου τῶν προφητῶν, τοῦ ἐξενεχθῆναι τὰ ὀστᾶ βασιλέων ἡμῶν καὶ τὰ ὀστᾶ τῶν πατέρων ἡμῶν ἐκ τοῦ τόπου αὐτῶν,
25En zie, het is er uitgeworpen voor de hitte overdag, en voor de koude des nachts; ze zijn gestorven door de ergste plagen, door de honger, het zwaard en de pest;
25καὶ ἰδού ἐστιν ἐξερριμμένα τῷ καύματι τῆς ἡμέρας καὶ τῷ παγετῷ τῆς νυκτός, καὶ ἀπεθάνοσαν ἐν πόνοις πονηροῖς, ἐν λιμῷ καὶ ἐν ρομφαίᾳ καὶ ἐν ἀποστολῇ.
26en de tempel, waarover uw Naam was uitgeroepen, hebt Gij om de misdaad van het huis van Israël en Juda getroffen, zoals hij heden nog ligt.
26καὶ ἔθηκας τὸν οἶκον, οὗ ἐπεκλήθη τὸ ὄνομά σου ἐπ᾿ αὐτῷ, ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη, διὰ πονηρίαν οἴκου Ἰσραὴλ καὶ οἴκου Ἰούδα.
27Maar Gij zult met ons handelen, Heer onze God, naar heel uw goedheid en naar de volheid van uw grote ontferming,
27Καὶ ἐποίησας εἰς ἡμᾶς, Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, κατὰ πᾶσα ἐπιείκειάν σου καὶ κατὰ πάντα οἰκτιρμόν σου τὸν μέγαν,
28zoals Gij beloofd hebt door Moses, uw dienaar, toen Gij hem hebt bevolen, uw wet aan de kinderen Israëls voor te schrijven:
28καθὰ ἐλάλησας ἐν χειρὶ παιδός σου Μωυσῆ, ἐν ἡμέρᾳ ἐντειλαμένου σου αὐτῷ γράψαι τὸν νόμον σου ἐναντίον υἱῶν Ἰσραὴλ λέγων·
29“Wanneer ge niet luistert naar mijn stem, dan zal deze grote en talrijke schare een nietig hoopje worden onder de volkeren, waaronder Ik ze verstrooien zal;
29ἐὰν μὴ ἀκούσητε τῆς φωνῆς μου, εἰ μὴν ἡ βόμβησις ἡ μεγάλη ἡ πολλὴ αὕτη ἀποστρέψει εἰς μικρὰν ἐν τοῖς ἔθνεσιν, οὗ διασπερῶ αὐτοὺς ἐκεῖ·
30ja, Ik weet, dat zij niet naar Mij zullen horen, want het is een halsstarrig volk. Maar in het land hunner ballingschap zullen zij tot inkeer komen,
30ὅτι ἔγνων ὅτι οὐ μὴ ἀκούσωσί μου, ὅτι λαὸς σκληροτράχηλός ἐστι. καὶ ἐπιστρέψουσιν ἐπὶ καρδίαν αὐτῶν ἐν γῇ ἀποικισμοῦ αὐτῶν
31en erkennen, dat Ik de Heer ben, hun God. Dan zal Ik hun een gewillig hart en gewillige oren verlenen:
31καὶ γνώσονται ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς αὐτῶν. καὶ δώσω αὐτοῖς καρδίαν καὶ ὦτα ἀκούοντα,
32en zij zullen Mij in het land hunner ballingschap loven, en mijn Naam weer gedenken;
32καὶ αἰνέσουσί με ἐν γῇ ἀποικισμοῦ αὐτῶν καὶ μνησθήσονται τοῦ ὀνόματός μου
33zij zullen zich van hun halsstarrigheid en boze werken bekeren, indachtig het lot hunner vaderen, die gezondigd hebben tegen den Heer.
33καὶ ἀποστρέψουσιν ἀπὸ τοῦ νώτου αὐτῶν τοῦ σκληροῦ καὶ ἀπὸ πονηρῶν πραγμάτων αὐτῶν, ὅτι μνησθήσονται τῆς ὁδοῦ πατέρων αὐτῶν τῶν ἁμαρτόντων ἔναντι Κυρίου.
34Dan breng Ik ze terug naar het land, dat Ik hun vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, met een eed heb beloofd; zij zullen er bezit van nemen en Ik zal ze vermeerderen, en nooit meer worden ze klein.
34καὶ ἀποστρέψω αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν, ἣν ὤμοσα τοῖς πατράσιν αὐτῶν, τῷ Ἁβραὰμ καὶ τῷ Ἰσαὰκ καὶ τῷ Ἰακώβ, καὶ κυριεύσουσιν αὐτῆς· καὶ πληθυνῶ αὐτούς, καὶ οὐ μὴ σμικρυνθῶσι·
35Dan zal Ik een eeuwig verbond met hen sluiten: Ik zal hun God, zij zullen mijn volk zijn; en nooit meer zal Ik Israël, mijn volk, uit het land verdrijven, dat Ik hun heb geschonken!”
35καὶ στήσω αὐτοῖς διαθήκην αἰώνιον τοῦ εἶναί με αὐτοῖς εἰς Θεὸν καὶ αὐτοὶ ἔσονταί μοι εἰς λαόν· καὶ οὐ κινήσω ἔτι τὸν λαόν μου Ἰσραὴλ ἀπὸ τῆς γῆς, ἧς ἔδωκα αὐτοῖς.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.