Jozua 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Intussen bleef Jericho nu met het oog op de Israëlieten zorgvuldig gesloten; niemand kwam er uit of in.
1ΚΑΙ Ἱεριχὼ συγκεκλεισμένη καὶ ὠχυρωμένη, καὶ οὐδεὶς ἐξεπορεύετο ἐξ αὐτῆς οὐδὲ εἰσεπορεύετο.
2Maar Jahweh sprak tot Josuë: Let op; Ik lever Jericho met zijn koning en dapperen aan u over.
2καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Ἰησοῦν· ἰδοὺ ἐγὼ παραδίδωμι ὑποχείριόν σοι τὴν Ἱεριχὼ καὶ τὸν βασιλέα αὐτῆς τὸν ἐν αὐτῇ, δυνατοὺς ὄντας ἐν ἰσχύϊ·
3Zes dagen lang moet gij met alle strijdbare mannen éénmaal rond de stad heen trekken,
3σὺ δὲ περίστησον αὐτῇ τοὺς μαχίμους κύκλῳ,
4en moeten zeven priesters zeven bazuinen van ramshorens voor de ark uit dragen. Maar op de zevende dag moet ge zeven keer om de stad heen trekken, en moeten de priesters op de bazuinen blazen.
4καὶ ἔσται ὡς ἂν σαλπίσητε τῇ σάλπιγγι, ἀνακραγέτω πᾶς ὁ λαὸς ἅμα·
5Zodra zij dan op de ramshoren blazen en gij het bazuingeschal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen; dan zal de stadsmuur instorten en het volk naar boven stormen, iedereen recht voor zich uit.
5καὶ ἀνακραγόντων αὐτῶν πεσεῖται αὐτόματα τὰ τείχη τῆς πόλεως, καὶ εἰσελεύσεται πᾶς ὁ λαὸς ὁρμήσας ἕκαστος κατὰ πρόσωπον εἰς τὴν πόλιν.
6Josuë, de zoon van Noen, riep dus de priesters, en zeide hun: Neemt de Verbondsark op, en laat zeven priesters voor de ark van Jahweh uit zeven bazuinen van ramshorens dragen.
6καὶ εἰσῆλθεν Ἰησοῦς ὁ τοῦ Ναυὴ πρὸς τοὺς ἱερεῖς
7En tot het volk zeide hij: Trekt rond de stad; die gewapend zijn, moeten voor Jahweh’s ark uit gaan.
7καὶ εἶπεν αὐτοῖς λέγων· παραγγείλατε τῷ λαῷ περιελθεῖν καὶ κυκλῶσαι τὴν πόλιν, καὶ οἱ μάχιμοι παραπορευέσθωσαν ἐνωπλισμένοι ἐναντίον Κυρίου·
8Toen Josuë tot het volk had gesproken, trokken de zeven priesters op, terwijl ze de zeven bazuinen van ramshorens vóór Jahweh uit droegen en er op bliezen; de ark van Jahweh’s Verbond kwam achter hen aan.
8καὶ ἑπτὰ ἱερεῖς ἔχοντες ἑπτὰ σάλπιγγας ἱερὰς παρελθέτωσαν ὡσαύτως ἐναντίον τοῦ Κυρίου καὶ σημαινέτωσαν εὐτόνως, καὶ ἡ κιβωτὸς τῆς διαθήκης Κυρίου ἐπακολουθείτω·
9Die gewapend waren gingen voor de priesters uit, die op de bazuinen bliezen, terwijl de tros de ark volgde; en onder het gaan bleef men op de bazuinen blazen.
9οἱ δὲ μάχιμοι παραπορευέσθωσαν ἔμπροσθεν καὶ οἱ ἱερεῖς οἱ οὐραγοῦντες ὀπίσω τῆς κιβωτοῦ τῆς διαθήκης Κυρίου πορευόμενοι σαλπίζοντες.
10Maar Josuë beval het volk eveneens: Schreeuwt niet, en laat uw stem zelfs niet horen; geen woord mag er over uw lippen komen tot de dag. waarop ik u zeg: Schreeuwt; en dan moet ge schreeuwen.
10τῷ δὲ λαῷ ἐνετείλατο Ἰησοῦς λέγων· μὴ βοᾶτε, μηδὲ ἀκουσάτω μηδεὶς τὴν φωνὴν ὑμῶν, ἕως ἂν ἡμέραν διαγγείλῃ αὐτὸς ἀναβοῆσαι, καὶ τότε ἀναβοήσετε.
11Hij liet dus de ark éénmaal rond de stad dragen, waarna men het kamp binnenging en daar overnachtte.
11καὶ περιελθοῦσα ἡ κιβωτὸς τῆς διαθήκης τοῦ Θεοῦ εὐθέως ἀπῆλθεν εἰς τὴν παρεμβολὴν καὶ ἐκοιμήθη ἐκεῖ.
12Zodra Josuë de volgende morgen alles geregeld had, namen de priesters de ark van Jahweh weer op,
12καὶ τῇ ἡμέρᾳ τῇ δευτέρᾳ ἀνέστη Ἰησοῦς τὸ πρωΐ, καὶ ᾖραν οἱ ἱερεῖς τὴν κιβωτὸν τῆς διαθήκης Κυρίου,
13en gingen de zeven priesters, die de zeven bazuinen van ramshorens voor Jahweh’s ark uit droegen, blazend op de bazuinen op weg, terwijl de gewapenden voor hen uittrokken, en de tros de ark van Jahweh volgde. En onder het gaan bleef men voortdurend op de bazuinen blazen.
13καὶ οἱ ἑπτὰ ἱερεῖς οἱ φέροντες τὰς σάλπιγγας τὰς ἑπτὰ προεπορεύοντο ἐναντίον Κυρίου, καὶ μετὰ ταῦτα εἰσεπορεύοντο οἱ μάχιμοι καὶ ὁ λοιπὸς ὄχλος ὄπισθεν τῆς κιβωτοῦ τῆς διαθήκης Κυρίου· καὶ οἱ ἱερεῖς ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι, καὶ ὁ λοιπὸς ὄχλος ἅπας περιεκύκλωσε τὴν πόλιν ἑξάκις ἐγγύθεν
14Ook die tweede dag trokken ze één keer de stad rond, en keerden daarna in het kamp terug. Zo deden ze zes dagen lang.
14καὶ ἀπῆλθε πάλιν εἰς τὴν παρεμβολήν. οὕτως ἐποίει ἐπὶ ἓξ ἡμέρας.
15Maar toen ze zich op de zevende dag bij het aanbreken van de morgen gereed hadden gemaakt, trokken ze op dezelfde wijze zeven maal rond de stad; dus alleen op die dag zijn ze zeven maal rond de stad getrokken.
15καὶ τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ ἀνέστησαν ὄρθρου καὶ περιήλθοσαν τὴν πόλιν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἑπτάκις·
16En toen de priesters bij de zevende keer op de bazuinen bliezen, riep Josuë het volk toe: Schreeuwt; want Jahweh levert u de stad over!
16καὶ ἐγένετο τῇ περιόδῳ τῇ ἑβδόμῃ ἐσάλπισαν οἱ ἱερεῖς, καὶ εἶπεν Ἰησοῦς τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ· κεκράξατε, παρέδωκε γὰρ Κύριος ὑμῖν τὴν πόλιν.
17Ter ere van Jahweh moet de stad en al, wat erin is, met de banvloek worden geslagen; alleen de deerne Rachab moet met al haar familieleden gespaard blijven, omdat ze de boden, die wij gestuurd hadden, schuil heeft gehouden.
17καὶ ἔσται ἡ πόλις ἀνάθεμα, αὐτὴ καὶ πάντα, ὅσα ἐστὶν ἐν αὐτῇ, Κυρίῳ Σαβαώθ· πλὴν Ραὰβ τὴν πόρνην περιποιήσασθε, αὐτὴν καὶ πάντα ὅσα ἐστὶν ἐν τῷ οἴκῳ αὐτῆς.
18Maar weest voorzichtig met de ban, opdat ge niet uit hebzucht iets neemt wat met de ban is geslagen; anders brengt ge het leger van Israël onder de ban, en stort ge het in het ongeluk.
18ἀλλὰ ὑμεῖς φυλάξεσθε σφόδρα ἀπὸ τοῦ ἀναθέματος, μήποτε ἐνθυμηθέντες ὑμεῖς αὐτοὶ λάβητε ἀπὸ τοῦ ἀναθέματος καὶ ποιήσητε τὴν παρεμβολὴν τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ ἀνάθεμα καὶ ἐκτρίψητε ἡμᾶς·
19Al het zilver en het goud met alle koperen en ijzeren voorwerpen zijn aan Jahweh gewijd, en moeten dus in Jahweh’s schatkamer komen.
19καὶ πᾶν ἀργύριον ἢ χρυσίον ἢ χαλκὸς ἢ σίδηρος ἅγιον ἔσται τῷ Κυρίῳ, εἰς θησαυρὸν Κυρίου εἰσενεχθήσεται.
20Nu begon het volk te juichen en blies men op de bazuinen; en zodra het volk het bazuingeschal hoorde, schreeuwde het uit alle macht. De stadsmuur stortte in, en het volk stormde naar boven, de stad in, iedereen recht voor zich uit. Ze namen de stad,
20καὶ ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξιν οἱ ἱερεῖς· ὡς δὲ ἤκουσεν ὁ λαὸς τῶν σαλπίγγων, ἠλάλαξε πᾶς ὁ λαὸς ἅμα ἀλαλαγμῷ μεγάλῳ καὶ ἰσχυρῷ καὶ ἔπεσεν ἅπαν τὸ τεῖχος κύκλῳ, καὶ ἀνέβη πᾶς ὁ λαὸς εἰς τὴν πόλιν.
21sloegen allen, die in de stad waren, met de banvloek: mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, met runderen, schapen en ezels, en joegen ze over de kling.
21καὶ ἀνεθεμάτισεν αὐτὴν Ἰησοῦς καὶ ὅσα ἦν ἐν τῇ πόλει ἀπὸ ἀνδρὸς καὶ ἕως γυναικός, ἀπὸ νεανίσκου καὶ ἕως πρεσβύτου καὶ ἕως μόσχου καὶ ὑποζυγίου, ἐν στόματι ρομφαίας.
22Maar tot de beide mannen, die het land hadden verkend, zei Josuë: Gaat naar het huis van de deerne, en haalt de vrouw eruit met allen, die bij haar behoren zoals ge het haar gezworen hebt.
22καὶ τοῖς δυσὶ νεανίσκοις τοῖς κατασκοπεύσασιν εἶπεν Ἰησοῦς· εἰσέλθατε εἰς τὴν οἰκίαν τῆς γυναικὸς καὶ ἐξαγάγετε αὐτὴν ἐκεῖθεν καὶ ὅσα ἐστὶν αὐτῇ.
23De verkenners gingen naar binnen, en haalden Rachab met haar vader, moeder en broers en met al haar verwanten naar buiten. Ze brachten haar hele familie de stad uit, en wezen hun buiten het kamp van Israël een verblijfplaats aan.
23καὶ εἰσῆλθον οἱ δύο νεανίσκοι οἱ κατασκοπεύσαντες τὴν πόλιν εἰς τὴν οἰκίαν τῆς γυναικὸς καὶ ἐξηγάγοσαν Ραὰβ τὴν πόρνην καὶ τὸν πατέρα αὐτῆς καὶ τὴν μητέρα αὐτῆς καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτῆς καὶ τὴν συγγένειαν αὐτῆς καὶ πάντα, ὅσα ἦν αὐτῇ, καὶ κατέστησαν αὐτὴν ἔξω τῆς παρεμβολῆς Ἰσραήλ.
24De stad staken ze in brand met al, wat erin was; alleen het zilver en het goud en alle koperen en ijzeren voorwerpen borg men in de schatkamer van het huis van Jahweh op.
24καὶ ἡ πόλις ἐνεπρήσθη ἐν πυρισμῷ σὺν πᾶσι τοῖς ἐν αὐτῇ, πλὴν ἀργυρίου καὶ χρυσίου καὶ χαλκοῦ καὶ σιδήρου ἔδωκαν εἰς θησαυρὸν Κυρίου εἰσενεχθῆναι.
25Josuë liet Rachab, de deerne, met het huis van haar vader en al haar verwanten in leven; tot op de huidige dag woont haar familie onder de Israëlieten, omdat ze de boden had schuil gehouden, die Josuë gezonden had, om Jericho te verkennen.
25καὶ Ραὰβ τὴν πόρνην καὶ πάντα τὸν οἶκον αὐτῆς τὸν πατρικὸν ἐζώγρησεν Ἰησοῦς, καὶ κατῴκησεν ἐν τῷ Ἰσραὴλ ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας, διότι ἔκρυψε τοὺς κατασκοπεύσαντας, οὓς ἀπέστειλεν Ἰησοῦς κατασκοπεῦσαι τὴν Ἱεριχώ.
26In die dagen zwoer Josuë: Vervloekt voor Jahweh de man, Die het waagt, deze stad te herbouwen. Op zijn eerstgeborene zal hij Jericho’s grondvesten leggen, Op zijn jongsten zoon haar poorten plaatsen!
26καὶ ὥρκισεν Ἰησοῦς ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἐναντίον Κυρίου λέγων· ἐπικατάρατος ὁ ἄνθρωπος, ὃς οἰκοδομήσει τὴν πόλιν ἐκείνην· ἐν τῷ προωτοτόκῳ αὐτοῦ θεμελιώσει αὐτὴν καὶ ἐν τῷ ἐλαχίστῳ αὐτοῦ ἐπιστήσει τὰς πύλας αὐτῆς. καὶ οὕτως ἐποίησεν Ὁζᾶν ὁ ἐκ Βαιθὴλ ἐν τῷ Ἀβιρὼν τῷ πρωτοτόκῳ ἐθεμελίωσεν αὐτὴν καὶ ἐν τῷ ἐλαχίστῳ διασωθέντι ἐπέστησε τὰς πύλας αὐτῆς.
27Zo was Jahweh met Josuë; en zijn faam ging door het hele land.
27καὶ ἦν Κύριος μετὰ Ἰησοῦ, καὶ ἦν τὸ ὄνομα αὐτοῦ κατὰ πᾶσαν τὴν γῆν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.