2 Kronieken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar Zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven;
1ΤΟΤΕ εἶπε Σαλωμών· Κύριος εἶπε τοῦ κατασκηνῶσαι ἐν γνόφῳ·
2Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen, Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen!
2καὶ ἐγὼ ᾠκοδόμηκα οἶκον τῷ ὀνόματί σου ἅγιόν σοι καὶ ἕτοιμον τοῦ κατασκηνῶσαι εἰς τοὺς αἰῶνας.
3Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
3καὶ ἐπέστρεψεν ὁ βασιλεὺς τὸ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ εὐλόγησε τὴν πᾶσαν ἐκκλησίαν Ἰσραήλ, καὶ πᾶσα ἡ ἐκκλησία Ἰσραὴλ παρειστήκει.
4sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
4καὶ εἶπεν· εὐλογητὸς Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, ὡς ἐλάλησεν ἐν στόματι αὐτοῦ πρὸς Δαυὶδ τὸν πατέρα μου καὶ ἐν χερσὶν αὐτοῦ ἐπλήρωσε λέγων·
5“Sinds de dag, dat Ik mijn volk uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van alle stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen, en heb Ik niemand uitverkoren, om over mijn volk Israël te heersen.
5ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ἧς ἀνήγαγον τὸν λαόν μου ἐκ γῆς Αἰγύπτου, οὐκ ἐξελεξάμην ἐν πόλει ἀπὸ πασῶν φυλῶν Ἰσραὴλ τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τοῦ εἶναι τό ὄνομά μου ἐκεῖ καὶ οὐκ ἐξελεξάμην ἀνδρὶ τοῦ εἶναι εἰς ἡγούμενον ἐπὶ τὸν λαόν μου Ἰσραήλ·
6Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk Israël te heersen!”
6καὶ ἐξελεξάμην τὴν Ἱερουσαλὴμ γενέσθαι τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ καὶ ἐξελεξάμην ἐν Δαυὶδ τοῦ εἶναι ἐπὶ τὸν λαόν μου Ἰσραήλ.
7Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
7καὶ ἐγένετο ἐπὶ καρδίαν Δαυὶδ τοῦ πατρός μου τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματι Κυρίου Θεοῦ Ἰσραήλ,
8Maar Jahweh sprak tot David: “Het was goed van u, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
8καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Δαυὶδ πατέρα μου· διότι ἐγένετο ἐπὶ καρδίαν σου τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματί μου, καλῶς ἐποίησας, ὅτι ἐγένετο ἐπὶ τὴν καρδίαν σου·
9Maar niet gij zult de tempel bouwen, doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouwen voor mijn Naam.”
9πλὴν σὺ οὐκ οἰκοδομήσεις τὸν οἶκον, ὅτι ὁ υἱός σου, ὃς ἐξελεύσεται ἐκ τῆς ὀσφύος σου, οὗτος οἰκοδομήσει τὸν οἶκον τῷ ὀνόματί μου.
10En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd, en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor de Naam van Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
10καὶ ἀνέστησε Κύριος τὸν λόγον τοῦτον, ὃν ἐλάλησε, καὶ ἐγενήθην ἀντὶ Δαυὶδ τοῦ πατρός μου καὶ ἐκάθισα ἐπὶ τὸν θρόνον Ἰσραήλ, καθὼς ἐλάλησε Κύριος, καὶ ᾠκοδόμησα τὸν οἶκον τῷ ὀνόματι Κυρίου Θεοῦ Ἰσραὴλ
11en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met de Israëlieten gesloten heeft.
11καὶ ἔθηκα ἐκεῖ τὴν κιβωτόν, ἐν ᾗ ἐκεῖ διαθήκη Κυρίου, ἣν διέθετο τῷ Ἰσραήλ.
12Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan en strekte zijn handen uit.
12Καὶ ἔστη κατέναντι τοῦ θυσιαστηρίου Κυρίου ἔναντι πάσης ἐκκλησίας Ἰσραὴλ καὶ διεπέτασε τὰς χεῖρας αὐτοῦ·
13Want Salomon had een bronzen spreekgestoelte laten maken, van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en het midden in de voorhof geplaatst; daarop was hij gaan staan. Nu knielde hij neer ten aanschouwen van al de vergaderde Israëlieten, strekte zijn handen naar de hemel uit,
13ὅτι ἐποίησε Σαλωμὼν βάσιν χαλκῆν καὶ ἔθηκεν αὐτὴν ἐν μέσῳ τῆς αὐλῆς τοῦ ἱεροῦ, πέντε πήχεων τὸ μῆκος αὐτῆς καὶ πέντε πήχεων τὸ εὖρος αὐτῆς καὶ τριῶν πήχεων τὸ ὕψος αὐτῆς, καὶ ἔστη ἐπ' αὐτῆς καὶ ἔπεσεν ἐπὶ τὰ γόνατα ἔναντι πάσης ἐκκλησίας Ἰσραὴλ καὶ διεπέτασε τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οὐρανὸν
14en sprak: Jahweh, God van Israël; geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met heel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
14καὶ εἶπε· Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, οὐκ ἔστιν ὅμοιός σοι Θεὸς ἐν οὐρανῷ καὶ ἐπὶ τῆς γῆς, φυλάσσων τὴν διαθήκην καὶ τὸ ἔλεος τοῖς παισί σου τοῖς πορευομένοις ἐναντίον σου ἐν ὅλῃ καρδίᾳ.
15Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
15ἃ ἐφύλαξας τῷ παιδί σου Δαυὶδ τῷ πατρί μου, ἃ ἐλάλησας αὐτῷ λέγων, καὶ ἐλάλησας ἐν στόματί σου καὶ ἐν χερσί σου ἐπλήρωσας ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
16Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het u aan een man ontbreken, die op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
16καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, φύλαξον τῷ παιδί σου τῷ Δαυὶδ τῷ πατρί μου ἃ ἐλάλησας αὐτῷ λέγων· οὐκ ἐκλείψει σοι ἀνὴρ ἀπὸ προσώπου μου καθήμενος ἐπὶ θρόνου Ἰσραήλ, πλὴν ἐὰν φυλάξωσιν οἱ υἱοί σου τὴν ὁδὸν αὐτῶν τοῦ πορεύεσθαι ἐν τῷ νόμῳ μου, ὡς ἐπορεύθης ἐναντίον μου.
17Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij aan uw dienaar David gedaan hebt, toch worden vervuld.
17καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, πιστωθήτω δὴ τὸ ρῆμά σου, ὃ ἐλάλησας τῷ παιδί σου τῷ Δαυίδ,
18Maar zou God dan werkelijk bij de mensen op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
18ὅτι εἰ ἀληθῶς κατοικήσει Θεὸς μετὰ ἀνθρώπων ἐπὶ τῆς γῆς; εἰ ὁ οὐρανὸς καὶ ὁ οὐρανὸς τοῦ οὐρανοῦ οὐκ ἀρκέσουσί σοι, καὶ τίς ὁ οἶκος οὗτος, ὃν ᾠκοδόμησα;
19Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor naar het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
19καὶ ἐπιβλέψῃ ἐπὶ τὴν προσευχὴν παιδός σου καὶ ἐπὶ τὴν δέησίν μου, Κύριε ὁ Θεός, τοῦ ἐπακοῦσαι τῆς δεήσεως καὶ τῆς προσευχῆς, ἧς ὁ παῖς σου προσεύχεται ἐναντίον σου σήμερον,
20Mogen uw ogen nacht en dag over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt.
20τοῦ εἶναι ὀφθαλμούς σου ἀνεῳγμένους ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦτον ἡμέρας καὶ νυκτὸς εἰς τὸν τόπον τοῦτον, ὃν εἶπας ἐπικληθῆναι τὸ ὄνομά σου ἐκεῖ, τοῦ ἀκοῦσαι τῆς προσευχῆς, ἧς προσεύχεται ὁ παῖς σου εἰς τὸν τόπον τοῦτον.
21Luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël uw volk op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
21καὶ ἀκούσῃ τῆς δεήσεως τοῦ παιδός σου καὶ τοῦ λαοῦ σου Ἰσραήλ, ἃ ἂν προσεύξωνται εἰς τὸν τόπον τοῦτον, καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐν τῷ τόπῳ τῆς κατοικήσεώς σου ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἀκούσῃ καὶ ἵλεως ἔσῃ.
22Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt, als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
22ἐὰν ἁμάρτῃ ἀνὴρ τῷ πλησίον αὐτοῦ καὶ λάβῃ ἐπ' αὐτὸν ἀρὰν τοῦ ἀρᾶσθαι αὐτόν, καὶ ἔλθῃ καὶ ἀράσηται κατέναντι τοῦ θυσιαστηρίου ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ,
23luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
23καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ποιήσεις καὶ κρινεῖς τοὺς δούλους σου τοῦ ἀποδοῦναι τῷ ἀνόμῳ καὶ ἀποδοῦναι ὁδοὺς αὐτοῦ εἰς κεφαλὴν αὐτοῦ, καὶ τοῦ δικαιῶσαι δίκαιον, τοῦ ἀποδοῦναι αὐτῷ κατὰ τὴν δικαιοσύνην αὐτοῦ.
24Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar ze bekeren zich, prijzen uw Naam, en bidden en smeken tot U in dit huis:
24καὶ ἐὰν θραυσθῇ ὁ λαός σου Ἰσραὴλ κατέναντι τοῦ ἐχθροῦ, ἐὰν ἁμάρτωσί σοι, καὶ ἐπιστρέψωσι καὶ ἐξομολογήσωνται τῷ ὀνόματί σου καὶ προσεύξωνται καὶ δεηθῶσιν ἐναντίον σου ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ,
25luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat hen terugkeren naar het land, dat Gij aan hen en hun vaderen hebt geschonken.
25καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις λαοῦ σου Ἰσραὴλ καὶ ἀποστρέψεις αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν, ἣν ἔδωκας αὐτοῖς καὶ τοῖς πατράσιν αὐτῶν.
26Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat zij tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam, en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
26ἐν τῷ συσχεθῆναι τὸν οὐρανὸν καὶ μὴ γενέσθαι ὑετόν, ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι, καὶ προσεύξονται εἰς τὸν τόπον τοῦτον καὶ αἰνέσουσι τὸ ὄνομά σου καὶ ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν ἐπιστρέψουσιν, ὅτι ταπεινώσεις αὐτούς,
27luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van Israël, uw volk, wijs het de goede weg die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
27καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις τῶν παίδων σου καὶ τοῦ λαοῦ σου Ἰσραήλ, ὅτι δηλώσεις αὐτοῖς τὴν ὁδὸν τὴν ἀγαθήν, ἐν ᾗ πορεύσονται ἐν αὐτῇ, καὶ δώσεις ὑετὸν ἐπὶ τὴν γῆν σου, ἣν ἔδωκας τῷ λαῷ σου εἰς κληρονομίαν.
28Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek, wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
28λιμὸς ἐὰν γένηται ἐπὶ τῆς γῆς, θάνατος ἐὰν γένηται, ἀνεμοφθορία καὶ ἴκτερος, ἀκρὶς καὶ βροῦχος ἐὰν γένηται, καὶ ἐὰν θλίψῃ αὐτὸν ὁ ἐχθρὸς κατέναντι τῶν πόλεων αὐτῶν, κατὰ πᾶσαν πληγὴν καὶ πάντα πόνον,
29wanneer iemand van uw volk Israël in het bijzonder, in droefheid of leed, komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
29καὶ πᾶσα προσευχὴ καὶ πᾶσα δέησις, ἣ ἐὰν γένηται παντὶ ἀνθρώπῳ καὶ παντὶ λαῷ σου Ἰσραήλ, ἐὰν γνῷ ἄνθρωπος τὴν ἀφὴν αὐτοῦ καὶ τὴν μαλακίαν αὐτοῦ καὶ διαπετάσῃ τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οἶκον τοῦτον,
30luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis, grijp in, en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten, Gij alleen kent het hart aller mensen.
30καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ἱλάσῃ καὶ δώσεις ἀνδρὶ κατὰ τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ, ὡς ἂν γνῷς τὴν καρδίαν αὐτοῦ, ὅτι μόνος γινώσκεις τὴν καρδίαν υἱῶν ἀνθρώπων,
31Dan zullen zij U vrezen en op uw wegen wandelen, zolang ze leven op het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
31ὅπως φοβῶνται πάσας ὁδούς σου πάσας τὰς ἡμέρας, ἃς αὐτοὶ ζῶσιν ἐπὶ πρόσωπον τῆς γῆς, ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν ἡμῶν.
32Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, ter wille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden, omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
32καὶ πᾶς ἀλλότριος, ὃς οὐκ ἐκ τοῦ λαοῦ σου Ἰσραήλ ἐστιν αὐτὸς καὶ ἔλθῃ ἐκ γῆς μακρόθεν διὰ τὸ ὄνομά σου τὸ μέγα καὶ τὴν χεῖρά σου τὴν κραταιὰν καὶ τὸν βραχίονά σου τὸν ὑψηλὸν καὶ ἔλθωσι καὶ προσεύξωνται εἰς τὸν τόπον τοῦτον,
33luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe, wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw Naam mogen kennen, U vrezen, evenals Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
33καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ποιήσεις κατὰ πάντα, ὅσα ἂν ἐπικαλέσηταί σε ὁ ἀλλότριος, ὅπως γνῶσι πάντες οἱ λαοὶ τῆς γῆς τὸ ὄνομά σου καὶ τοῦ φοβεῖσθαί σε ὡς ὁ λαός σου Ἰσραὴλ καὶ τοῦ γνῶναι ὅτι τὸ ὄνομά σου ἐπικέκληται ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦτον, ὃν ᾠκοδόμησα.
34Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot U in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
34ἐὰν δὲ ἐξέλθῃ ὁ λαός σου εἰς πόλεμον ἐπὶ τοὺς ἐχθροὺς αὐτοῦ ἐν ὁδῷ, ᾗ ἀποστελεῖς αὐτούς, καὶ προσεύξωνται πρός σε κατὰ τὴν ὁδὸν τῆς πόλεως ταύτης, ἣν ἐξελέξω ἐν αὐτῇ, καὶ οἴκου, οὗ ᾠκοδόμηκα τῷ ὀνόματί σου,
35luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
35καὶ ἀκούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ τῆς προσευχῆς αὐτῶν καὶ τῆς δεήσεως αὐτῶν καὶ ποιήσεις τὸ δικαίωμα αὐτῶν.
36Wanneer ze tegen U zondigen-want er is niemand, die niet zondigt-en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
36ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι (ὅτι οὐκ ἔσται ἄνθρωπος, ὃς οὐχ ἁμαρτήσεται) καὶ πατάξεις αὐτοὺς καὶ παραδώσεις αὐτοὺς κατὰ πρόσωπον ἐχθρῶν καὶ αἰχμαλωτεύσουσιν αὐτοὺς οἱ αἰχμαλωτεύοντες αὐτοὺς εἰς γῆν ἐχθρῶν εἰς γῆν μακρὰν ἢ ἐγγὺς
37wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “Wij hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
37καὶ ἐπιστρέψωσι καρδίαν αὐτῶν ἐν τῇ γῇ αὐτῶν, οὗ μετήχθησαν ἐκεῖ, καί γε ἐπιστρέψωσι καὶ δεηθῶσί σου ἐν τῇ αἰχμαλωσίᾳ αὐτῶν λέγοντες· ἡμάρτομεν, ἠνομήσαμεν, ἠδικήσαμεν,
38wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
38καὶ ἐπιστρέψωσι πρός σε ἐν ὅλῃ καρδίᾳ καὶ ἐν ὅλῃ ψυχῇ αὐτῶν ἐν γῇ αἰχμαλωτευσάντων αὐτοὺς καὶ προσεύξωνται ὁδὸν γῆς αὐτῶν, ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν αὐτῶν, καὶ τῆς πόλεως, ἧς ἐξελέξω, καὶ τοῦ οἴκου, οὗ ᾠκοδόμησα τῷ ὀνόματί σου,
39luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht. Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed.
39καὶ ἀκούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου τῆς προσευχῆς αὐτῶν καὶ τῆς δεήσεως αὐτῶν καὶ ποιήσεις κρίματα καὶ ἵλεως ἔσῃ τῷ λαῷ τῷ ἁμαρτῶντί σοι.
40Welnu dan, mijn God, mogen uw ogen geopend zijn, en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats!
40καὶ νῦν, Κύριε, ἔστωσαν δὴ οἱ ὀφθαλμοί σου ἀνεῳγμένοι καὶ τὰ ὦτά σου ἐπήκοα ἐπὶ τὴν δέησιν τοῦ τόπου τούτου.
41Jahweh, God, trek thans op naar uw rustplaats, Gijzelf en de ark uwer glorie! Jahweh, God, mogen uw priesters met uw heil worden bekleed, En uw vromen zich over uw goedheid verheugen!
41καὶ νῦν ἀνάστηθι, Κύριε ὁ Θεός, εἰς τὴν κατάπαυσίν σου, σὺ καὶ ἡ κιβωτὸς τῆς ἰσχύος σου. οἱ ἱερεῖς σου, Κύριε ὁ Θεός, ἐνδύσαιντο σωτηρίαν, καὶ οἱ υἱοί σου εὐφρανθήτωσαν ἐν ἀγαθοῖς.
42Jahweh, God, wijs het gebed van uw gezalfde niet af; Gedenk uw gunsten aan David, uw dienaar!
42Κύριε ὁ Θεός, μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπον τοῦ χριστοῦ σου, μνήσθητι τὰ ἐλέη Δαυὶδ τοῦ δούλου σου.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.