2 Kronieken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar Zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven;
1Тодї промовив Соломон: Господь обіцяв, що буде жити в облацї,
2Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen, Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen!
2Я ж збудував дом на пробуток йому, щоб там пробував по віки.
3Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
3І повернувся царь своїм лицем і поблагословив увесь збір Ізраїлський — (бо ввесь збір Ізраїлський стояв), —
4sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
4І сказав: Нехай буде слава Господеві, Богові Ізрайлевому, котрий, що вирік устами своїми Давидові, панотцеві мойму, здїйснив тепер своєю рукою! А сказав він:
5“Sinds de dag, dat Ik mijn volk uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van alle stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen, en heb Ik niemand uitverkoren, om over mijn volk Israël te heersen.
5Від того часу, як я вивів народ мій з землї Египецької, не обрав я міста нї в одному зпоміж поколїн Ізрайлевих до збудування дому, де пробувало б імя моє, й не вибрав чоловіка, що управляв би народом моїм Ізраїлем,
6Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk Israël te heersen!”
6А вибрав я Ерусалим, щоб там пробувало імення моє, й вибрав Давида, щоб був над народом моїм Ізраїлем.
7Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
7І було на думцї в Давида, панотця мого, збудувати дім іменню Господа, Бога Ізрайлевого,
8Maar Jahweh sprak tot David: “Het was goed van u, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
8Але Господь сказав Давидові, панотцеві мойму: В тебе на думцї збудувати храм іменню мойму, та й добре, що це в тебе на думцї,
9Maar niet gij zult de tempel bouwen, doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouwen voor mijn Naam.”
9Але не ти збудуєш храм, а твій син, що вийде з чересел твоїх, — він збудує храм іменню мойму.
10En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd, en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor de Naam van Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
10І здїйснив Господь слово своє, що вирік: Я став на місце Давида, панотця мого, й засїв на престолї Ізрайлевому, як вирік Господь, і збудував дом іменню Господа, Бога Ізрайлевого.
11en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met de Israëlieten gesloten heeft.
11І зложив я там скриню, що в їй завіт Господнїй, вчинений ним з синами Ізрайлевими.
12Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan en strekte zijn handen uit.
12І став Соломон перед жертівником Господнїм поперед усієї громади Ізраїлської, й зняв руки свої, —
13Want Salomon had een bronzen spreekgestoelte laten maken, van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en het midden in de voorhof geplaatst; daarop was hij gaan staan. Nu knielde hij neer ten aanschouwen van al de vergaderde Israëlieten, strekte zijn handen naar de hemel uit,
13Бо Соломон зробив був мідяний амвон, завдовжки пять локот, і завширшки пять локот, а заввишки три ліктї, й поставив його серед двора —, й став на йому, й припав на колїна поперед усієї громади Ізраїлської, і зняв свої руки до неба,
14en sprak: Jahweh, God van Israël; geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met heel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
14І промовив: Господи, Боже Ізрайлїв! Нема Бога, рівного тобі нї на небі нї на землї. Ти додержуєш заповіт і ласку до слуг твоїх, що обертаються до тебе усїм серцем своїм:
15Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
15Ти подав слузї твойму Давидові, панотцеві мойму, що ти казав йому; що вирік ти устами твоїми, те справдив єси сьогоднї рукою твоєю.
16Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het u aan een man ontbreken, die op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
16І тепер, Господи, Боже Ізрайлїв! сповни слузї твойму Давидові, панотцеві мойму, те, що сказав єси йому, говорючи: не переведеться в тебе перед лицем моїм седячий на престолї Ізрайлевому, як тільки сини твої стерегти муть доріг своїх, ходячи по законові мойму так, як ти ходив передо мною.
17Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij aan uw dienaar David gedaan hebt, toch worden vervuld.
17Тепер же, Господи, Боже Ізрайлїв! нехай здїйсниться слово твоє, що вирік єси слузї твойму Давидові.
18Maar zou God dan werkelijk bij de mensen op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
18Та чи ж справдї Богові жити з людьми на землї? Коли небо й небо небес не помістять тебе, то тим менше сей храм, що я збудував.
19Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor naar het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
19Але зглянься на молитву й благаннє слуги твого, Господи Боже мій! почуй взиваннє й мольбу, якою слуга твій молиться перед тобою.
20Mogen uw ogen nacht en dag over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt.
20Нехай очі твої споглядають на храм сей в день і в ночі, на місце, де ти обіцяв положити імення твоє, щоб вислуховувати молитву, якою раб твій буде молитись на сьому місцї.
21Luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël uw volk op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
21Вислуховуй благаннє слуги твого й народу твого Ізраїля, коли вони будуть молитись на сьому місцї; вислуховуй в місцї пробутку твого, в небі, почуй і помилуй!
22Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt, als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
22Коли хто согрішить проти ближнього свого, й наложать на його присягу, щоб поклявся, і присяга буде відбуватись перед жертівником твоїм в сьому храмі,
23luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
23Тодї ти почуй з неба і вчини суд над слугами твоїми; покарай винного, обернувши провину його на голову його, й виправдай безвинного, віддавши йому по правдї його.
24Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar ze bekeren zich, prijzen uw Naam, en bidden en smeken tot U in dit huis:
24Коли народ твій Ізраїль буде побитий ворогом за те, що согрішив перед тобою, відтак же вони обернуться і взнають імення твоє, та будуть просити й молитись перед тобою в сьому храмі,
25luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat hen terugkeren naar het land, dat Gij aan hen en hun vaderen hebt geschonken.
25Тодї ти почуй з неба, й прости гріх народові твойму Ізраїлеві, й верни їх у землю, що дав єси їм і батькам їх.
26Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat zij tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam, en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
26Як замкнеться небо і не буде дощу за те, що вони согрішили перед тобою, а відтак молитись муть на сьому місцї й взнають імення твоє, й навернуться від гріха свого, бо ти впокорив їх, —
27luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van Israël, uw volk, wijs het de goede weg die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
27Тодї почуй з неба й прости гріх слугам твоїм і народові твойму Ізраїлеві, напутивши їх на добру путь, якою їм ходити, й пошли дощ на землю твою, що дав єси народові твойму в наслїдню державу.
28Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek, wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
28Коли буде голод у землї, чи буде пошесть, чи буде суша, чи ржа, сарана або черви, чи тїснити муть його вороги його в землї займанщини його, або буде яка нужда чи хороба яка, —
29wanneer iemand van uw volk Israël in het bijzonder, in droefheid of leed, komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
29То всяку молитву, всяке благаннє від якої небудь людини або від усього народу твого Ізраїля, коли вони почують кожний своє горе й нужду свою, й простягнуть руки свої до храму сього,
30luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis, grijp in, en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten, Gij alleen kent het hart aller mensen.
30Ти почуй з неба, з місця пробування твого, й прости, й відплати кожному по всїх поступках його, так як ти взнаєш серце його, бо ти один знаєш серце синів людських, —
31Dan zullen zij U vrezen en op uw wegen wandelen, zolang ze leven op het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
31Щоб вони боялись тебе й ходили дорогами твоїми по всї днї, доки живуть на землї, що дав єси батькам нашим.
32Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, ter wille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden, omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
32Навіть і чужинець, що не з твого народу Ізраїля, — коли б він прийшов із далекої сторони ради імення твого великого й руки твої потужної, та простягнутої правицї твоєї, — коли б він прийшов і молився перед храмом сим,
33luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe, wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw Naam mogen kennen, U vrezen, evenals Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
33То почуй його з неба, з місця пробутку твого, й вчини все, про що буде покликати до тебе чужоземець, щоб усї народи на землї взнали імя твоє, й щоб боялись тебе, як народ твій Ізраїль, та щоб дознались, що дім сей, що його збудував я, твоїм називається іменем.
34Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot U in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
34Коли виступить народ твій на війну проти ворогів своїх тим шляхом, яким ти пошлеш його, й буде молитись до тебе, обернувшись проти сього міста, що ти вибрав, і проти храму, що я збудував іменню твойму,
35luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
35Тодї почуй з неба молитву їх і благаннє їх, і подай, чого їм треба.
36Wanneer ze tegen U zondigen-want er is niemand, die niet zondigt-en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
36Коли ж вони согрішать перед тобою, — бо нема людини, щоб не грішила, — а ти розгнїваєшся на їх, і віддаси їх ворогові, й заберуть їх у полон та одведуть їх чи то в далеку чи близьку сторону,
37wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “Wij hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
37І коли вони в землї, де будуть в полонї, схаменуться й навернуться, й будуть молитись до тебе в землї неволї своєї, кажучи: Ми согрішили, вчинили беззаконність, ми винуваті,
38wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
38І обернуться до тебе всїм серцем своїм і всією душею своєю в землї свого полону, куди зайнято їх в неволю, та коли молити муться, вернувшись в сторону землї своєї, що дав єси батькам їх, і ʼд містові, що ти вибрав, і до храму, що я збудував іменні твойму, —
39luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht. Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed.
39Тодї почуй з неба, з місця пробутку твого, молитву їх і благання, й вчини, чого їм треба, та прости народові твойму, в чому він согрішив перед тобою.
40Welnu dan, mijn God, mogen uw ogen geopend zijn, en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats!
40Боже мій! нехай будуть очі твої отворені й уші твої вважливі на молитву в сьому місцї.
41Jahweh, God, trek thans op naar uw rustplaats, Gijzelf en de ark uwer glorie! Jahweh, God, mogen uw priesters met uw heil worden bekleed, En uw vromen zich over uw goedheid verheugen!
41А тепер, Господи Боже, стань на місцї спокою твого, ти й скриня сили твоєї. Сьвященники твої, Господи Боже, нехай зʼодягнуться в спасеннє, а сьвяті твої нехай насолоджуються добрами.
42Jahweh, God, wijs het gebed van uw gezalfde niet af; Gedenk uw gunsten aan David, uw dienaar!
42Господи Боже! не одверни лиця від помазанника твого, помяни ласку до Давида, слуги твого!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.