2 Kronieken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar Zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven;
1那時, 所羅門 說: 耶和華曾說他必住在幽暗之處。
2Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen, Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen!
2但我已經建造殿宇作你的居所, 為你永遠的住處。
3Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
3王轉臉為 以色列 會眾祝福, 以色列 會眾就都站立。
4sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
4所羅門 說:「耶和華- 以色列 的上帝是應當稱頌的!因他親口向我父 大衛 所應許的,也親手成就了。
5“Sinds de dag, dat Ik mijn volk uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van alle stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen, en heb Ik niemand uitverkoren, om over mijn volk Israël te heersen.
5他說:『自從我領我民出 埃及 地以來,我未曾在 以色列 眾支派中選擇一城建造殿宇為我名的居所,也未曾揀選一人作我民 以色列 的君;
6Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk Israël te heersen!”
6但選擇 耶路撒冷 為我名的居所,又揀選 大衛 治理我民 以色列 。』」
7Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
7所羅門 說:「我父 大衛 曾立意要為耶和華- 以色列 上帝的名建殿,
8Maar Jahweh sprak tot David: “Het was goed van u, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
8耶和華卻對我父 大衛 說:『你立意要為我的名建殿,這意思甚好;
9Maar niet gij zult de tempel bouwen, doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouwen voor mijn Naam.”
9只是你不可建殿,惟你所生的兒子必為我名建殿。』
10En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd, en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor de Naam van Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
10「現在耶和華成就了他所應許的話,使我接續我父 大衛 坐 以色列 的國位,是照耶和華所說的,又為耶和華- 以色列 上帝的名建造了殿。
11en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met de Israëlieten gesloten heeft.
11我將 約 櫃安置在其中,櫃內有耶和華的約,就是他與 以色列 人所立的約。」
12Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan en strekte zijn handen uit.
12所羅門 當着 以色列 會眾,站在耶和華的壇前,舉起手來,
13Want Salomon had een bronzen spreekgestoelte laten maken, van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en het midden in de voorhof geplaatst; daarop was hij gaan staan. Nu knielde hij neer ten aanschouwen van al de vergaderde Israëlieten, strekte zijn handen naar de hemel uit,
13( 所羅門 曾造一個銅臺,長五肘,寬五肘,高三肘,放在院中)就站在臺上,當着 以色列 的會眾跪下,向天舉手,
14en sprak: Jahweh, God van Israël; geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met heel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
14說:「耶和華- 以色列 的上帝啊,天上地下沒有神可比你的!你向那盡心行在你面前的僕人守約施慈愛;
15Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
15向你僕人-我父 大衛 所應許的話現在應驗了。你親口應許,親手成就,正如今日一樣。
16Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het u aan een man ontbreken, die op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
16耶和華- 以色列 的上帝啊,你所應許你僕人-我父 大衛 的話說:『你的子孫若謹慎自己的行為,遵守我的律法,像你在我面前所行的一樣,就不斷人坐 以色列 的國位。』現在求你應驗這話。
17Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij aan uw dienaar David gedaan hebt, toch worden vervuld.
17耶和華- 以色列 的上帝啊,求你成就向你僕人 大衛 所應許的話。
18Maar zou God dan werkelijk bij de mensen op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
18「上帝果真與世人同住在地上嗎?看哪,天和天上的天尚且不足你居住的,何況我所建的這殿呢?
19Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor naar het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
19惟求耶和華-我的上帝垂顧僕人的禱告祈求,俯聽僕人在你面前的祈禱呼籲。
20Mogen uw ogen nacht en dag over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt.
20願你晝夜看顧這殿,就是你應許立為你名的居所;求你垂聽僕人向此處禱告的話。
21Luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël uw volk op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
21你僕人和你民 以色列 向此處祈禱的時候,求你從天上你的居所垂聽,垂聽而赦免。
22Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt, als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
22「人若得罪鄰舍,有人叫他起誓,他來到這殿,在你的壇前起誓,
23luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
23求你從天上垂聽,判斷你的僕人,定惡人有罪,照他所行的報應在他頭上;定義人有理,照他的義賞賜他。
24Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar ze bekeren zich, prijzen uw Naam, en bidden en smeken tot U in dit huis:
24「你的民 以色列 若得罪你,敗在仇敵面前,又回心轉意承認你的名,在這殿裏向你祈求禱告,
25luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat hen terugkeren naar het land, dat Gij aan hen en hun vaderen hebt geschonken.
25求你從天上垂聽,赦免你民 以色列 的罪,使他們歸回你賜給他們和他們列祖之地。
26Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat zij tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam, en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
26「你的民因得罪你,你懲罰他們,使天閉塞不下雨,他們若向此處禱告,承認你的名,離開他們的罪,
27luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van Israël, uw volk, wijs het de goede weg die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
27求你在天上垂聽,赦免你僕人和你民 以色列 的罪,將當行的善道指教他們,且降雨在你的地,就是你賜給你民為業之地。
28Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek, wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
28「國中若有饑荒、瘟疫、旱風、霉爛、蝗蟲、螞蚱,或有仇敵犯境,圍困城邑,無論遭遇甚麼災禍疾病,
29wanneer iemand van uw volk Israël in het bijzonder, in droefheid of leed, komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
29你的民 以色列 ,或是眾人,或是一人,自覺災禍甚苦,向這殿舉手,無論祈求甚麼,禱告甚麼,
30luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis, grijp in, en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten, Gij alleen kent het hart aller mensen.
30求你從天上你的居所垂聽赦免。你是知道人心的,要照各人所行的待他們(惟有你知道世人的心),
31Dan zullen zij U vrezen en op uw wegen wandelen, zolang ze leven op het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
31使他們在你賜給我們列祖之地上一生一世敬畏你,遵行你的道。
32Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, ter wille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden, omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
32「論到不屬你民 以色列 的外邦人,為你的大名和大能的手,並伸出來的膀臂,從遠方而來,向這殿禱告,
33luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe, wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw Naam mogen kennen, U vrezen, evenals Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
33求你從天上你的居所垂聽,照着外邦人所祈求的而行,使天下萬民都認識你的名,敬畏你,像你的民 以色列 一樣,又使他們知道我建造的這殿是稱為你名下的。
34Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot U in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
34「你的民若奉你的差遣,無論往何處去與仇敵爭戰,向你所選擇的城與我為你名所建造的殿禱告,
35luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
35求你從天上垂聽他們的禱告祈求,使他們得勝。
36Wanneer ze tegen U zondigen-want er is niemand, die niet zondigt-en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
36「你的民若得罪你(世上沒有不犯罪的人),你向他們發怒,將他們交給仇敵擄到或遠或近之地;
37wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “Wij hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
37他們若在擄到之地想起罪來,回心轉意,懇求你說:『我們有罪了,我們悖逆了,我們作惡了』;
38wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
38他們若在擄到之地盡心盡性歸服你,又向自己的地,就是你賜給他們列祖之地和你所選擇的城,並我為你名所建造的殿禱告,
39luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht. Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed.
39求你從天上你的居所垂聽你民的禱告祈求,為他們伸冤,赦免他們的過犯。
40Welnu dan, mijn God, mogen uw ogen geopend zijn, en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats!
40「我的上帝啊,現在求你睜眼看,側耳聽在此處所獻的禱告。
41Jahweh, God, trek thans op naar uw rustplaats, Gijzelf en de ark uwer glorie! Jahweh, God, mogen uw priesters met uw heil worden bekleed, En uw vromen zich over uw goedheid verheugen!
41耶和華上帝啊,求你起來, 和你有能力的 約 櫃同入安息之所。 耶和華上帝啊,願你的祭司披上救恩; 願你的聖民蒙福歡樂。
42Jahweh, God, wijs het gebed van uw gezalfde niet af; Gedenk uw gunsten aan David, uw dienaar!
42耶和華上帝啊,求你不要厭棄你的受膏者, 要記念向你僕人 大衛 所施的慈愛。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.