2 Kronieken
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Na dit alles trokken de Moabieten en Ammonieten met enige afdelingen Meoenieten tegen Josafat ten strijde.
1Після сього зібрались Моабії та Аммонїї, а з ними дехто з землї Маоницької й пійшли війною на Йосафата.
2En men kwam Josafat berichten: Een geweldig leger Edomieten trekt tegen u op uit het Overjordaanse; ze staan reeds in Chasason-Tamar, of En-Gédi.
2І прийшли й звістили Йосафатові, говорячи: Йде на тебе велика сила зза моря, з Сириї і оце вони в Газазон-Тамарі, се б то в Енгеддї.
3In zijn angst nam Josafat zijn toevlucht tot Jahweh, en kondigde voor heel Juda een vasten af.
3І злякавсь Йосафат, і обернув своє лице шукати Господа, й оповістив піст по всїй Юдеї.
4Daarom kwam Juda bijeen, om hulp te zoeken bij Jahweh; ja. uit alle steden van Juda kwam men bijeen, om hulp te zoeken bij Jahweh.
4І зібрались Юдеї просити помочі в Господа; з усїх міст Юдиних поприходили вони благати Господа.
5Toen ging Josafat voor het vergaderde volk van Juda en Jerusalem bij de nieuwe voorhof van de tempel van Jahweh staan,
5І став Йосафат перед громадою Юдеїв та Ерусалимцїв в домі Господньому, перед новим двором,
6en bad: Jahweh, God onzer vaderen! Gij zijt de God in de hemel, Gij heerst over alle koninkrijken der volken; in uw hand is macht en kracht, en niemand kan U weerstaan.
6І промовив: Господи, Боже отцїв наших! Чи не ти ж Бог на небі? І ти пануєш над усїма царствами народів, і в твоїй руцї сила й можність, і нїхто не встоїть проти тебе!
7Gij zijt onze God, die de bewoners van dit land voor Israël, uw volk, hebt uitgedreven, en die het land voor altijd hebt geschonken aan het kroost van Abraham, uw vriend.
7Чи не ти ж, Боже наш, вигнав осадників сієї землї перед лицем твого народу Ізраїля, і віддав її насїнню Авраама, друга твого, навіки?
8Zij hebben er zich gevestigd, daar een heiligdom gebouwd ter ere van uw Naam, en hebben gezegd:
8І вони оселились у нїй і збудували тобі в нїй сьвятиню на ймя твоє, кажучи:
9Als een ramp ons mocht treffen: zwaard, strafgericht, pest of hongersnood, dan zullen wij voor deze tempel en voor uw aanschijn komen staan; want uw Naam woont in deze tempel. Dan zullen wij U aanroepen in onze nood, en Gij zult ons verhoren en helpen.
9Як прийде на нас нещастє: караючий меч, або пошесть, або голод, то ми станемо перед сим домом і перед лицем твоїм, бо твоє імення в сьому домі; і покликнемо до тебе в нашому горю, а ти почуєш і поратуєш.
10Daar zijn nu de zonen van Ammon en Moab en van het Seïrgebergte! Gij hebt Israël de toegang tot hun land verboden, toen zij uit Egypte trokken, zodat zij hen met rust moesten laten, en ze niet hebben uitgeroeid.
10І тепер оце Аммонїї та Моабії й ті, що з гори Сеїра, що через їх землї ти не дозволив перейти Ізрайлитянам, як вони йшли з землї Египецької, через що вони їх обминули й не вигубили їх, —
11En zie, dat vergelden ze ons, door bij ons binnen te vallen en ons te verjagen van uw erfdeel, dat Gij ons hebt geschonken.
11Оце вони платять нам тим, що прийшли вигнати нас із наслїдної держави твоєї, котру ти віддав нам.
12O God, zult Gij hen niet straffen? Want wij zijn machteloos tegenover dat geweldige leger, dat tegen ons optrekt; wij weten niet wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen gevestigd.
12Боже наш! суди їх ти. Бо в нас нема сили проти товпи сієї великої, прийшовшої на нас, і ми не відаємо, що робити, а тілько до тебе очі наші!
13Terwijl heel Juda zo voor Jahweh stond met kinderen, vrouwen en zonen,
13І стояли усї Юдеї перед лицем Господнїм, і малі дїти їх, і жінки їх, і сини їх.
14kwam midden onder het vergaderde volk de geest van Jahweh over Jachaziël, den zoon van Zekarjáhoe, zoon van Benaja, zoon van Jeïël, zoon van Mattanja, een leviet uit het geslacht van Asaf.
14Тодї найшов на Йозиїла, сина Захарії, сина Банеї, сина Еїєла, сина Маттанїї, левіта з синів Асафових, Дух Господень посеред збору,
15En hij sprak: Luistert allen aandachtig, Judeërs, burgers van Jerusalem, en gij ook, koning Josafat. Zo spreekt Jahweh tot u! Weest niet bang, en laat u niet afschrikken door dat geweldige leger; want gij voert de strijd niet, maar God.
15І він промовив: Слухайте, всї Юдеї й осадники Ерусалимські, та й ти, царю Йосафате! Так говорить Господь до вас: Не бійтесь і не лякайтесь сієї великої орди, бо не ваша се війна, а Божа.
16Rukt morgen tegen hen op! Zie, ze zullen trekken door de pas van Sis, en gij zult op hen stoten aan het einde van het dal, ten oosten van de woestijn van Jeroeël.
16Завтра виступите проти їх; он вони виходять на верховину Зиз, і ви знайдете їх край долини, перед пустинею Еруїлом.
17Gij zult niet eens hoeven te strijden. Stelt u maar op, en blijft staan; dan zult gij zien, hoe Jahweh u redt, Juda en Jerusalem. Weest dus niet bang en laat u niet afschrikken; trekt ze morgen tegemoet, en Jahweh zal met u zijn!
17Не ви будете битись сим разом; ви виступіть, стійте та дивіться на спасеннє Господнє для вас. Юдо та Ерусалиме! не бійтесь і не жахайтесь. Завтра виступите їм на зустріч, і Господь буде при вас.
18Toen boog Josafat zijn gelaat ter aarde, en al de Judeërs vielen met de burgers van Jerusalem in aanbidding voor Jahweh neer.
18І припав Йосафат лицем до землї, й усї Юдеї та осадники Ерусалимські впали перед Господом, щоб поклонитись Господеві.
19En de levieten van het geslacht Kehat en Kore begonnen met luider stem de lof te zingen van Jahweh, Israëls God.
19І встали левіти з синів Кагатових та з синів Кореєвих — славити Господа, Бога Ізрайлевого, вельми грімким голосом.
20De volgende morgen trokken zij in alle vroegte naar de woestijn van Tekóa. En terwijl zij uitrukten, ging Josafat voor hen staan, en sprak: Juda, en gij burgers van Jerusalem, luistert naar mij! Vertrouwt op Jahweh, uw God, en gij blijft behouden; vertrouwt op zijn profeten en slaagt!
20І повставали вони раннїм ранком і виступили до Текойської пустинї, і як виступили, став Йосафат і промовив: Слухайте мене, Юдеї та й ви осадники Ерусалиму! Майте віру в Господа, Бога вашого, й будьте безпечні; йміть віри пророкам його, а пощаститься вам.
21Toen overlegde hij met het volk, en bepaalde, dat de zangers van Jahweh en de muzikanten in de heilige feestgewaden voor de soldaten uit moesten gaan en zingen: “Looft Jahweh; want eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
21І порадився він з народом, і поставив сьпівцїв Господнїх, щоб вони в сьвятостї й побожностї, виступивши поперед узброєних, славили висьпівуючи: хвалїте Господа, бо віковічна милость його!
22En zodra zij begonnen met juichen en loven, liet Jahweh tegen de zonen van Ammon, Moab en van het Seïrgebergte, die naar Juda oprukten, twiststokers los, zodat zij op elkander begonnen in te slaan.
22І в той час, як вони стали викликати і славити, розбудив Господь незгоду між Аммонїями, Моабіями та горянами з Сеїра, що прийшли на Юдею, й вони побили себе;
23De zonen van Ammon en Moab keerden de wapens tegen de bewoners van het Seïrgebergte, om hen uit te roeien en te verdelgen; en toen zij met de bewoners van Seïr klaar waren, hielpen zij elkander in het verderf.
23Бо піднялись Аммонїї та Моабії проти горян Сеїрських, побиваючи й вигублюючи їх, а коли скінчили з Сеїріями, стали вбивати один одного.
24Toen Juda dus op de hooggelegen zoom van de woestijn was gekomen, en naar het leger uitkeek, zagen zij enkel lijken op de grond; er was niemand ontkomen!
24І коли Юдеї прийшли на вершину, що ʼк пустинї, і глянули на ту орду, аж ось — по землї лежать самі трупи, нїхто не зістався.
25Nu trok Josafat met zijn volk er op af, om de buit te bemachtigen, en zij vonden bij hen een overvloed aan vee, klederen en kostbare voorwerpen. Ze ontnamen hun zoveel, dat ze het niet konden vervoeren; drie dagen waren ze bezig met het binnenhalen van de buit: zo geweldig was die.
25І прийшов Йосафат і народ його забірати добичу, й знайшли в їх силу всякого добра, й одежу, й дорогі річі, й понабірали собі стільки, що не змогли нести. І три дні забірали вони, здобуток, так богато його було!
26De vierde dag werden ze bijeengeroepen in de vallei Beraka, waar ze Jahweh zegenden; daarom werd die plek vallei Beraka genoemd, zoals ze nog heet.
26А четвертого дня зібрались на Долинї хвали, бо там вони хвалили Господа. Через те й звуть те місце Долиною хвали до сього часу.
27Daarna keerden alle mannen van Juda en Jerusalem, met Josafat aan de spits, vol vreugde naar Jerusalem terug; want Jahweh had hun vreugde verschaft over hun vijanden.
27І пійшли назад усї Юдеї та Ерусалимцї й Йосафат на чолї в їх, щоб вертати в Ерусалим з радощами, що Господь дав їм перевагу над ворогами їх.
28En met harpen, citers en trompetten trokken ze Jerusalem binnen, en begaven zich naar de tempel van Jahweh.
28І прибули в Ерусалим з псалтирями й цитрами та трубами до дому Господнього.
29Een geweldige vrees maakte zich meester van alle vreemde koninkrijken, toen men hoorde, dat Jahweh tegen den vijand van Israël gestreden had.
29І був страх Божий по всїх царствах земель (пограничнїх), як почули, що сам Господь воював проти ворогів Ізрайлевих.
30Sindsdien heerste er vrede in het rijk van Josafat; zijn God schonk hem rust aan alle kanten.
30І стало спокійне царство Йосафатове, й дав йому Бог його спокій звідусїль.
31Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijf en dertig jaar, toen hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Azoeba en was een dochter van Sjilchi.
31Так царював Йосафат в Юдеї: трийцять пять років було йому, як став він царем, а двайцять пять років царював в Ерусалимі. Його мати звалась Азува, дочка Салаїлова.
32In alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken; zo deed hij wat recht was in de ogen van Jahweh.
32І ходив він дорогою батька свого Аси, і не відхилявся від неї, та чинив що було до вподоби Господеві.
33Alleen werden de offerhoogten niet afgeschaft; want nog steeds richtte het volk zijn hart niet op den God zijner vaderen.
33Тільки висоти не були знесені, й народ ще не направив серця свого до Бога батьків своїх.
34De verdere geschiedenis van Josafat, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in de Kronieken van Jehoe, den zoon van Chanani, die opgenomen zijn in het boek van de koningen van Israël.
34Прочі дїї Йосафатові, перші й останні, записані в записках Іуя Ананїєнка, що поміщені в книзї царів Ізраїлських.
35Na dit alles sloot koning Josafat van Juda een verbond met den goddelozen koning Achazja, den koning van Israël;
35Але потім побратався Йосафат, царь Юдейський, з Охозією, царем Ізраїлським, що був безбожний в дїлах своїх,
36en hij kwam met hem overeen, schepen te bouwen, die naar Tarsjisj zouden varen. De schepen werden inderdaad te Es-jon-Géber gebouwd.
36І єдинився з ним, щоб побудувати кораблї, й посилати їх у Тарсис; і збудували вони кораблї в Езіон-Габері.
37Maar Eliézer, de zoon van Dodawáhoe, uit Maresja, profeteerde tegen Josafat en sprak: Omdat gij een verbond gesloten hebt met Achazjáhoe, zal Jahweh uw werk vernielen. Inderdaad werden de schepen vernield, en konden zij niet naar Tarsjisj varen.
37І вирік тодї Елїезер Додабенко з Мареші пророцтво на Йосафата, кажучи: За те, що ти пристав до спілки з Охозією, ударемнить Господь дїло твоє. — І розбились кораблї, й не могли плисти у Тарсис.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.