2 Kronieken
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Na dit alles trokken de Moabieten en Ammonieten met enige afdelingen Meoenieten tegen Josafat ten strijde.
1ΚΑΙ μετὰ ταῦτα ἦλθον οἱ υἱοὶ Μωάβ, καὶ υἱοὶ Ἀμμὼν καὶ μετ' αὐτῶν ἐκ τῶν Μιναίων πρὸς Ἰωσαφὰτ εἰς πόλεμον.
2En men kwam Josafat berichten: Een geweldig leger Edomieten trekt tegen u op uit het Overjordaanse; ze staan reeds in Chasason-Tamar, of En-Gédi.
2καὶ ἦλθον καὶ ὑπέδειξαν τῷ Ἰωσαφὰτ λέγοντες· ἥκει ἐπὶ σὲ πλῆθος πολὺ ἐκ πέραν τῆς θαλάσσης ἀπὸ Συρίας, καὶ ἰδού εἰσιν ἐν Ἀσασὰν Θαμὰρ (αὕτη ἐστὶν Ἐγγαδί).
3In zijn angst nam Josafat zijn toevlucht tot Jahweh, en kondigde voor heel Juda een vasten af.
3καὶ ἐφοβήθη καὶ ἔδωκεν Ἰωσαφὰτ πρόσωπον αὐτοῦ ἐκζητῆσαι τὸν Κύριον καὶ ἐκήρυξε νηστείαν ἐν παντὶ Ἰούδᾳ.
4Daarom kwam Juda bijeen, om hulp te zoeken bij Jahweh; ja. uit alle steden van Juda kwam men bijeen, om hulp te zoeken bij Jahweh.
4καὶ συνήχθη Ἰούδας ἐκζητῆσαι τὸν Κύριον, καὶ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων Ἰούδα ἦλθον ζητῆσαι τὸν Κύριον.
5Toen ging Josafat voor het vergaderde volk van Juda en Jerusalem bij de nieuwe voorhof van de tempel van Jahweh staan,
5καὶ ἀνέστη Ἰωσαφὰτ ἐν ἐκκλησίᾳ Ἰούδα ἐν Ἱερουσαλὴμ ἐν οἴκῳ Κυρίου κατὰ πρόσωπον τῆς αὐλῆς τῆς καινῆς
6en bad: Jahweh, God onzer vaderen! Gij zijt de God in de hemel, Gij heerst over alle koninkrijken der volken; in uw hand is macht en kracht, en niemand kan U weerstaan.
6καὶ εἶπε· Κύριε ὁ Θεὸς τῶν πατέρων μου, οὐχὶ σὺ εἶ Θεὸς ἐν οὐρανῷ ἄνω καὶ σὺ κυριεύεις πασῶν τῶν βασιλειῶν τῶν ἐθνῶν καὶ ἐν τῇ χειρί σου ἰσχὺς δυναστείας καὶ οὐκ ἔστι πρός σε ἀντιστῆναι;
7Gij zijt onze God, die de bewoners van dit land voor Israël, uw volk, hebt uitgedreven, en die het land voor altijd hebt geschonken aan het kroost van Abraham, uw vriend.
7οὐχὶ σὺ ὁ Κύριος ὁ ἐξολοθρεύσας τοὺς κατοικοῦντας τὴν γῆν ταύτην ἀπὸ προσώπου τοῦ λαοῦ σου Ἰσραὴλ καὶ ἔδωκας αὐτὴν σπέρματι Ἁβραὰμ τῷ ἠγαπημένῳ σου εἰς τὸν αἰῶνα;
8Zij hebben er zich gevestigd, daar een heiligdom gebouwd ter ere van uw Naam, en hebben gezegd:
8καὶ κατῴκησαν ἐν αὐτῇ καὶ ᾠκοδόμησαν ἐν αὐτῇ ἁγίασμα τῷ ὀνόματί σου λέγοντες·
9Als een ramp ons mocht treffen: zwaard, strafgericht, pest of hongersnood, dan zullen wij voor deze tempel en voor uw aanschijn komen staan; want uw Naam woont in deze tempel. Dan zullen wij U aanroepen in onze nood, en Gij zult ons verhoren en helpen.
9ἐὰν ἐπέλθῃ ἐφ' ἡμᾶς κακά, ρομφαία, κρίσις, θάνατος, λιμός, στησόμεθα ἐναντίον τοῦ οἴκου τούτου καὶ ἐναντίον σου, ὅτι τὸ ὄνομά σου ἐπὶ τῷ οἴκῳ τούτῳ, καὶ βοησόμεθα πρὸς σὲ ἀπὸ τῆς θλίψεως, καὶ ἀκούσῃ καὶ σώσεις.
10Daar zijn nu de zonen van Ammon en Moab en van het Seïrgebergte! Gij hebt Israël de toegang tot hun land verboden, toen zij uit Egypte trokken, zodat zij hen met rust moesten laten, en ze niet hebben uitgeroeid.
10καὶ νῦν ἰδοὺ οἱ υἱοὶ Ἀμμὼν καὶ Μωὰβ καὶ ὄρος Σηείρ, εἰς οὓς οὐκ ἔδωκας τῷ Ἰσραὴλ διελθεῖν δι' αὐτῶν, ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ὅτι ἐξέκλιναν ἀπ' αὐτῶν καὶ οὐκ ἐξωλόθρευσαν αὐτούς.
11En zie, dat vergelden ze ons, door bij ons binnen te vallen en ons te verjagen van uw erfdeel, dat Gij ons hebt geschonken.
11καὶ νῦν ἰδοὺ αὐτοὶ ἐπιχειροῦσιν ἐφ' ἡμᾶς ἐξελθεῖν ἐκβαλεῖν ἡμᾶς ἀπὸ τῆς κληρονομίας ἡμῶν, ἧς ἔδωκας ἡμῖν.
12O God, zult Gij hen niet straffen? Want wij zijn machteloos tegenover dat geweldige leger, dat tegen ons optrekt; wij weten niet wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen gevestigd.
12Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, οὐ κρινεῖς ἐν αὐτοῖς; ὅτι οὐκ ἔστιν ἡμῖν ἰσχὺς τοῦ ἀντιστῆναι πρὸς τὸ πλῆθος τὸ πολὺ τοῦτο τὸ ἐλθὸν ἐφ' ἡμᾶς, καὶ οὐκ οἴδαμεν τί ποιήσωμεν αὐτοῖς, ἀλλ' ἢ ἐπὶ σοὶ οἱ ὀφθαλμοὶ ἡμῶν.
13Terwijl heel Juda zo voor Jahweh stond met kinderen, vrouwen en zonen,
13καὶ πᾶς Ἰούδας ἑστηκὼς ἔναντι Κυρίου, καὶ τὰ παιδία αὐτῶν καὶ αἱ γυναῖκες αὐτῶν.
14kwam midden onder het vergaderde volk de geest van Jahweh over Jachaziël, den zoon van Zekarjáhoe, zoon van Benaja, zoon van Jeïël, zoon van Mattanja, een leviet uit het geslacht van Asaf.
14καὶ τῷ Ὀζιὴλ τῷ τοῦ Ζαχαρίου τῶν υἱῶν Βαναίου τῶν υἱῶν Ἐλεϊὴλ τοῦ Ματθανίου τοῦ Λευίτου ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἀσάφ, ἐγένετο ἐπ' αὐτὸν πνεῦμα Κυρίου ἐν τῇ ἐκκλησίᾳ
15En hij sprak: Luistert allen aandachtig, Judeërs, burgers van Jerusalem, en gij ook, koning Josafat. Zo spreekt Jahweh tot u! Weest niet bang, en laat u niet afschrikken door dat geweldige leger; want gij voert de strijd niet, maar God.
15καὶ εἶπεν· ἀκούσατε πᾶς Ἰούδα καὶ οἱ κατοικοῦντες ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ὁ βασιλεὺς Ἰωσαφάτ· τάδε λέγει Κύριος ὑμῖν αὐτοῖς· μὴ φοβεῖσθε μηδὲ πτοηθῆτε ἀπὸ προσώπου τοῦ ὄχλου τοῦ πολλοῦ τούτου, ὅτι οὐχ ὑμῖν ἐστιν ἡ παράταξις, ἀλλ' ἢ τῷ Θεῷ.
16Rukt morgen tegen hen op! Zie, ze zullen trekken door de pas van Sis, en gij zult op hen stoten aan het einde van het dal, ten oosten van de woestijn van Jeroeël.
16αὔριον κατάβητε ἐπ' αὐτούς· ἰδοὺ ἀναβαίνουσι κατὰ τὴν ἀνάβασιν Ἀσάς, καὶ εὑρήσετε αὐτοὺς ἐπ' ἄκρου ποταμοῦ τῆς ἐρήμου Ἰεριήλ.
17Gij zult niet eens hoeven te strijden. Stelt u maar op, en blijft staan; dan zult gij zien, hoe Jahweh u redt, Juda en Jerusalem. Weest dus niet bang en laat u niet afschrikken; trekt ze morgen tegemoet, en Jahweh zal met u zijn!
17οὐχ ὑμῖν ἐστι πολεμῆσαι· ταῦτα σύνετε καὶ ἴδετε τὴν σωτηρίαν Κυρίου μεθ' ὑμῶν, Ἰούδα καὶ Ἱερουσαλήμ· μὴ φοβηθῆτε μηδὲ πτοηθῆτε αὔριον ἐξελθεῖν εἰς ἀπάντησιν αὐτοῖς, καὶ Κύριος μεθ' ὑμῶν.
18Toen boog Josafat zijn gelaat ter aarde, en al de Judeërs vielen met de burgers van Jerusalem in aanbidding voor Jahweh neer.
18καὶ κύψας Ἰωσαφὰτ ἐπὶ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ πᾶς Ἰούδα καὶ οἱ κατοικοῦντες Ἱερουσαλὴμ ἔπεσαν ἔναντι Κυρίου προσκυνῆσαι Κυρίῳ.
19En de levieten van het geslacht Kehat en Kore begonnen met luider stem de lof te zingen van Jahweh, Israëls God.
19καὶ ἀνέστησαν οἱ Λευῖται ἀπὸ τῶν υἱῶν Καὰθ καὶ ἀπὸ τῶν υἱῶν Κορὲ αἰνεῖν Κυρίῳ Θεῷ Ἰσραὴλ ἐν φωνῇ μεγάλῃ εἰς ὕψος.
20De volgende morgen trokken zij in alle vroegte naar de woestijn van Tekóa. En terwijl zij uitrukten, ging Josafat voor hen staan, en sprak: Juda, en gij burgers van Jerusalem, luistert naar mij! Vertrouwt op Jahweh, uw God, en gij blijft behouden; vertrouwt op zijn profeten en slaagt!
20Καὶ ὤρθρισαν πρωΐ καὶ ἐξῆλθον εἰς τὴν ἔρημον Θεκωέ, καὶ ἐν τῷ ἐξελθεῖν αὐτοὺς ἔστη Ἰωσαφὰτ καὶ ἐβόησε καὶ εἶπεν· ἀκούσατέ μου Ἰούδα καὶ οἱ κατοικοῦντες ἐν Ἱερουσαλήμ· ἐμπιστεύσατε ἐν Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν, καὶ ἐμπιστευθήσεσθε· ἐμπιστεύσατε ἐν προφήτῃ αὐτοῦ, καὶ εὐοδωθήσεσθε.
21Toen overlegde hij met het volk, en bepaalde, dat de zangers van Jahweh en de muzikanten in de heilige feestgewaden voor de soldaten uit moesten gaan en zingen: “Looft Jahweh; want eeuwig duurt zijn barmhartigheid!”
21καὶ ἐβουλεύσατο μετὰ τοῦ λαοῦ καὶ ἔστησε ψαλτῳδοὺς καὶ αἰνοῦντας ἐξομολογεῖσθαι καὶ αἰνεῖν τὰ ἅγια ἐν τῷ ἐξελθεῖν ἔμπροσθεν τῆς δυνάμεως, καὶ ἔλεγον· ἐξομολογεῖσθε τῷ Κυρίῳ, ὅτι εἰς τὸν αἰῶνα τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
22En zodra zij begonnen met juichen en loven, liet Jahweh tegen de zonen van Ammon, Moab en van het Seïrgebergte, die naar Juda oprukten, twiststokers los, zodat zij op elkander begonnen in te slaan.
22καὶ ἐν τῷ ἄρξασθαι αὐτοὺς τῆς αἰνέσεως καὶ τῆς ἐξομολογήσεως ἔδωκε Κύριος πολεμεῖν τοὺς υἱοὺς Ἀμμὼν ἐπὶ Μωὰβ καὶ ὄρος Σηεὶρ τοὺς ἐξελθόντας ἐπὶ Ἰούδαν, καὶ ἐτροπώθησαν.
23De zonen van Ammon en Moab keerden de wapens tegen de bewoners van het Seïrgebergte, om hen uit te roeien en te verdelgen; en toen zij met de bewoners van Seïr klaar waren, hielpen zij elkander in het verderf.
23καὶ ἀνέστησαν οἱ υἱοὶ Ἀμμὼν καὶ Μωὰβ ἐπὶ τοὺς κατοικοῦντας ὄρος Σηεὶρ ἐξολοθρεῦσαι καὶ ἐκτρῖψαι αὐτούς· καὶ ὡς συνετέλεσαν τοὺς κατοικοῦντας Σηείρ, ἀνέστησαν εἰς ἀλλήλους τοῦ ἐξολοθρευθῆναι.
24Toen Juda dus op de hooggelegen zoom van de woestijn was gekomen, en naar het leger uitkeek, zagen zij enkel lijken op de grond; er was niemand ontkomen!
24καὶ Ἰούδας ἦλθεν ἐπὶ τὴν σκοπιὰν τῆς ἐρήμου καὶ ἐπέβλεψε καὶ εἶδε τὸ πλῆθος, καὶ ἰδοὺ πάντες νεκροὶ πεπτωκότες ἐπὶ τῆς γῆς, οὐκ ἦν σωζόμενος.
25Nu trok Josafat met zijn volk er op af, om de buit te bemachtigen, en zij vonden bij hen een overvloed aan vee, klederen en kostbare voorwerpen. Ze ontnamen hun zoveel, dat ze het niet konden vervoeren; drie dagen waren ze bezig met het binnenhalen van de buit: zo geweldig was die.
25καὶ ἐξῆλθεν Ἰωσαφὰτ καὶ ὁ λαὸς αὐτοῦ σκυλεῦσαι τὰ σκῦλα αὐτῶν καὶ εὗρον κτήνη πολλὰ καὶ ἀποσκευὴν καὶ σκῦλα καὶ σκεύη ἐπιθυμητὰ καὶ ἐσκύλευσαν ἐν αὐτοῖς. καὶ ἐγένοντο ἡμέραι τρεῖς σκυλευόντων αὐτῶν τὰ σκῦλα, ὅτι πολλὰ ἦν.
26De vierde dag werden ze bijeengeroepen in de vallei Beraka, waar ze Jahweh zegenden; daarom werd die plek vallei Beraka genoemd, zoals ze nog heet.
26καὶ ἐγένετο τῇ ἡμέρᾳ τῇ τετάρτῃ ἐπισυνήχθησαν εἰς τὸν αὐλῶνα τῆς εὐλογίας, ἐκεῖ γὰρ ηὐλόγησαν τὸν Κύριον· διὰ τοῦτο ἐκάλεσαν τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου Κοιλὰς εὐλογίας ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης.
27Daarna keerden alle mannen van Juda en Jerusalem, met Josafat aan de spits, vol vreugde naar Jerusalem terug; want Jahweh had hun vreugde verschaft over hun vijanden.
27καὶ ἐπέστρεψε πᾶς ἀνὴρ Ἰούδα εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ Ἰωσαφὰτ ἡγούμενος αὐτῶν ἐν εὐφροσύνῃ μεγάλῃ, ὅτι εὔφρανεν αὐτοὺς Κύριος ἀπὸ τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν,
28En met harpen, citers en trompetten trokken ze Jerusalem binnen, en begaven zich naar de tempel van Jahweh.
28καὶ εἰσῆλθον εἰς Ἱερουσαλὴμ ἐν νάβλαις καὶ κινύραις καὶ ἐν σάλπιγξιν εἰς οἶκον Κυρίου.
29Een geweldige vrees maakte zich meester van alle vreemde koninkrijken, toen men hoorde, dat Jahweh tegen den vijand van Israël gestreden had.
29καὶ ἐγένετο ἔκστασις Κυρίου ἐπὶ πάσας τὰς βασιλείας τῆς γῆς ἐν τῷ ἀκοῦσαι αὐτοὺς ὅτι Κύριος ἐπολέμησε πρὸς τοὺς ὑπεναντίους Ἰσραήλ.
30Sindsdien heerste er vrede in het rijk van Josafat; zijn God schonk hem rust aan alle kanten.
30καὶ εἰρήνευσεν ἡ βασιλεία Ἰωσαφάτ, καὶ κατέπαυσεν αὐτῷ ὁ Θεὸς αὐτοῦ κυκλόθεν.
31Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijf en dertig jaar, toen hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Azoeba en was een dochter van Sjilchi.
31Καὶ ἐβασίλευσεν Ἰωσαφὰτ ἐπὶ τὸν Ἰούδαν, ὢν ἐτῶν τριακονταπέντε ἐν τῷ βασιλεῦσαι αὐτόν, καὶ εἴκοσι καὶ πέντε ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἀζουβὰ θυγάτηρ Σαλί.
32In alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken; zo deed hij wat recht was in de ogen van Jahweh.
32καὶ ἐπορεύθη ἐν ταῖς ὁδοῖς τοῦ πατρὸς αὐτοῦ Ἀσὰ καὶ οὐκ ἐξέκλινε τοῦ ποιῆσαι τὸ εὐθὲς ἐνώπιον Κυρίου·
33Alleen werden de offerhoogten niet afgeschaft; want nog steeds richtte het volk zijn hart niet op den God zijner vaderen.
33ἀλλὰ τὰ ὑψηλὰ ἔτι ὑπῆρχε, καὶ ἔτι ὁ λαὸς οὐ κατεύθυνε τὴν καρδίαν αὐτῶν πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν τῶν πατέρων αὐτῶν.
34De verdere geschiedenis van Josafat, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in de Kronieken van Jehoe, den zoon van Chanani, die opgenomen zijn in het boek van de koningen van Israël.
34καὶ οἱ λοιποὶ λόγοι Ἰωσαφὰτ οἱ πρῶτοι καὶ οἱ ἔσχατοι ἰδοὺ γεγραμμένοι ἐν λόγοις Ἰοὺ τοῦ Ἀνανί, ὃς κατέγραψε βιβλίον βασιλέων Ἰσραήλ.
35Na dit alles sloot koning Josafat van Juda een verbond met den goddelozen koning Achazja, den koning van Israël;
35Καὶ μετὰ ταῦτα ἐκοινώνησεν Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα πρὸς Ὀχοζίαν βασιλέα Ἰσραήλ (καὶ οὗτος ἠνόμησεν)
36en hij kwam met hem overeen, schepen te bouwen, die naar Tarsjisj zouden varen. De schepen werden inderdaad te Es-jon-Géber gebouwd.
36ἐν τῷ ποιῆσαι καὶ πορευθῆναι πρὸς αὐτὸν τοῦ ποιῆσαι πλοῖα τοῦ πορευθῆναι εἰς Θαρσεῖς καὶ ἐποίησε πλοῖα ἐν Γασιὼν Γαβέρ.
37Maar Eliézer, de zoon van Dodawáhoe, uit Maresja, profeteerde tegen Josafat en sprak: Omdat gij een verbond gesloten hebt met Achazjáhoe, zal Jahweh uw werk vernielen. Inderdaad werden de schepen vernield, en konden zij niet naar Tarsjisj varen.
37καὶ ἐπροφήτευσεν Ἐλιέζερ ὁ τοῦ Δωδία ἀπὸ Μαρισῆς ἐπὶ Ἰωσαφὰτ λέγων· ὡς ἐφιλίασας τῷ Ὀχοζίᾳ, ἔθραυσε Κύριος τὸ ἔργον σου, καὶ συνετρίβη τὰ πλοῖά σου. καὶ οὐκ ἐδυνάσθη πορευθῆναι εἰς Θαρσεῖς.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.