2 Kronieken 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1De koningin van Sjeba, die veel van Salomon gehoord had, kwam om hem met raadsels op de proef te stellen. Vergezeld van een groot gevolg trok ze met een tros kamelen, die met reukwerken en heel veel goud en edelstenen beladen waren, naar Jerusalem. Bij Salomon aangekomen, vroeg ze hem alles, wat haar in de gedachte kwam.
1La reine de Séba apprit la renommée de Salomon, et elle vint à Jérusalem pour l’éprouver par des énigmes. Elle avait une suite fort nombreuse, et des chameaux portant des aromates, de l’or en grande quantité et des pierres précieuses. Elle se rendit auprès de Salomon, et elle lui dit tout ce qu’elle avait dans le cœur.
2Maar Salomon verklaarde haar de zin van al haar woorden; niets bleef voor den koning verborgen, zodat hij het haar niet verklaren kon.
2Salomon répondit à toutes ses questions, et il n’y eut rien que Salomon ne sût lui expliquer.
3Toen nu de koningin van Sjeba bemerkte, hoe wijs Salomon was, en zij het paleis zag, dat hij gebouwd had,
3La reine de Séba vit la sagesse de Salomon, et la maison qu’il avait bâtie,
4de spijzen van zijn tafel, de aanzittende hovelingen, de rijen bedienden in hun kledij en de schenkers, verder nog de slachtoffers, die hij opdroeg in de tempel van Jahweh, raakte zij buiten zichzelf,
4et les mets de sa table, et la demeure de ses serviteurs, et les fonctions et les vêtements de ceux qui le servaient, et ses échansons et leurs vêtements, et les degrés par lesquels on montait à la maison de l’Éternel.
5en sprak tot den koning: Het is dus waar geweest, wat ik in mijn land over uw bezit en uw wijsheid gehoord heb.
5Hors d’elle-même, elle dit au roi: C’était donc vrai ce que j’ai appris dans mon pays au sujet de ta position et de ta sagesse!
6Ik geloofde het niet, voordat ik hier kwam en het met eigen ogen zag. Maar waarlijk, nog niet de helft heeft men mij verteld; want gij bezit meer wijsheid en rijkdom, dan ik gehoord heb!
6Je ne croyais pas ce qu’on en disait, avant d’être venue et d’avoir vu de mes yeux. Et voici, on ne m’a pas raconté la moitié de la grandeur de ta sagesse. Tu surpasses ce que la renommée m’a fait connaître.
7Gelukkig uw onderdanen, en gelukkig uw dienaren hier, die altijd voor u mogen staan, om uw wijsheid te horen.
7Heureux tes gens, heureux tes serviteurs, qui sont continuellement devant toi et qui entendent ta sagesse!
8Gezegend zij Jahweh, uw God, die u zo heeft liefgehad, dat Hij u op zijn troon heeft geplaatst, als plaatsvervanger van Jahweh, uw God, en u, in zijn onvergankelijke liefde voor Israël, tot koning heeft aangesteld, om volgens recht en billijkheid te regeren.
8Béni soit l’Éternel, ton Dieu, qui t’a accordé la faveur de te placer sur son trône comme roi pour l’Éternel, ton Dieu! C’est parce que ton Dieu aime Israël et veut le faire subsister à toujours, qu’il t’a établi roi sur lui pour que tu fasses droit et justice.
9Toen gaf zij den koning honderd twintig talenten goud, edelstenen en ontzaglijk veel reukwerk. Nooit is er zoveel reukwerk aangevoerd, als de koningin van Sjeba toen aan koning Salomon heeft geschonken.
9Elle donna au roi cent vingt talents d’or, une très grande quantité d’aromates et des pierres précieuses. Il n’y eut plus d’aromates tels que ceux donnés au roi Salomon par la reine de Séba.
10Bovendien bracht de vloot van Chirom en die van Salomon, welke goud uit O fir haalde, ook sandelhout en edelstenen mee.
10Les serviteurs de Huram et les serviteurs de Salomon, qui apportèrent de l’or d’Ophir, amenèrent aussi du bois de sandal et des pierres précieuses.
11Van dit sandelhout maakte de koning bijzondere meubels voor de tempel van Jahweh en zijn eigen paleis, en verder nog citers en harpen voor de zangers. Tot op heden is er nooit meer zoveel sandelhout in het land Juda bij elkaar gezien.
11Le roi fit avec le bois de sandal des escaliers pour la maison de l’Éternel et pour la maison du roi, et des harpes et des luths pour les chantres. On n’en avait pas vu de semblable auparavant dans le pays de Juda.
12Van zijn kant gaf Salomon aan de koningin van Sjeba al wat ze maar wenste en vroeg, behalve wat hij haar met koninklijke mildheid uit eigen beweging schonk. Hierop aanvaardde zij de terugreis, en ging met haar dienaren weer naar haar land.
12Le roi Salomon donna à la reine de Séba tout ce qu’elle désira, ce qu’elle demanda, plus qu’elle n’avait apporté au roi. Puis elle s’en retourna et alla dans son pays, elle et ses serviteurs.
13Het gewicht van het goud, dat jaarlijks bij Salomon binnenkwam, bedroeg zeshonderd zes en zestig talenten.
13Le poids de l’or qui arrivait chaque année à Salomon était de six cent soixante-six talents d’or,
14Hierbij kwamen de inkomsten van de kooplieden en kramers, en van alle koningen der Arabieren, en van de stadhouders van het land, die goud en zilver aan Salomon brachten.
14outre ce qu’il retirait des négociants et des marchands qui en apportaient, de tous les rois d’Arabie et des gouverneurs du pays, qui apportaient de l’or et de l’argent à Salomon.
15Daarenboven vervaardigde koning Salomon tweehonderd beukelaars van geslagen goud; zeshonderd sikkels goud waren voor iedere beukelaar nodig.
15Le roi Salomon fit deux cents grands boucliers d’or battu, pour chacun desquels il employa six cents sicles d’or battu,
16Verder driehonderd schilden, eveneens van geslagen goud; driehonderd sikkels goud waren er nodig voor elk schild. De koning hing ze op in het huis Libanonwoud.
16et trois cents autres boucliers d’or battu, pour chacun desquels il employa trois cents sicles d’or; et le roi les mit dans la maison de la forêt du Liban.
17Ook maakte de koning een grote ivoren troon, die hij met fijn goud bekleedde.
17Le roi fit un grand trône d’ivoire, et le couvrit d’or pur.
18Deze troon had zes treden. De rugleuning was van boven rond, en aan beide kanten van de zitting waren armleuningen aangebracht. Daarnaast stonden twee leeuwen.
18Ce trône avait six degrés, et un marchepied d’or attenant au trône; il y avait des bras de chaque côté du siège; deux lions étaient près des bras,
19Op de zes trappen stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten één op iedere trap. Voor geen enkel koninkrijk werd ooit zo iets gemaakt!
19et douze lions sur les six degrés de part et d’autre. Il ne s’est rien fait de pareil pour aucun royaume.
20Al de drinkschalen van Salomon waren van goud, zelfs het gerief van het huis Libanonwoud was van zuiver goud. Zilver was er niet; dat was in Salomons dagen niet in tel.
20Toutes les coupes du roi Salomon étaient d’or, et toute la vaisselle de la maison de la forêt du Liban était d’or pur. Rien n’était d’argent: on n’en faisait aucun cas du temps de Salomon.
21Want de koning had een Tarsjisjvloot op zee met schepen van Chirom; en eens in de drie jaar kwam die Tarsjisjvloot binnen met een lading goud, behalve het zilver en ivoor, de apen en de pauwen.
21Car le roi avait des navires de Tarsis naviguant avec les serviteurs de Huram; et tous les trois ans arrivaient les navires de Tarsis, apportant de l’or et de l’argent, de l’ivoire, des singes et des paons.
22Zo stak Salomon in rijkdom en wijsheid boven alle koningen der aarde uit,
22Le roi Salomon fut plus grand que tous les rois de la terre par les richesses et par la sagesse.
23en iedereen verlangde Salomon te zien, om de wijsheid te horen, die God in zijn hart had gestort.
23Tous les rois de la terre cherchaient à voir Salomon, pour entendre la sagesse que Dieu avait mise dans son cœur.
24Een ieder bracht dan geschenken mee, gouden en zilveren voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. En dit geschiedde jaar in, jaar uit.
24Et chacun d’eux apportait son présent, des objets d’argent et des objets d’or, des vêtements, des armes, des aromates, des chevaux et des mulets; et il en était ainsi chaque année.
25Salomon bezat vierduizend span paarden en wagens, en twaalfduizend ruiters, die hij onderbracht in de wagensteden en de koninklijke gebouwen te Jerusalem.
25Salomon avait quatre mille crèches pour les chevaux destinés à ses chars, et douze mille cavaliers qu’il plaça dans les villes où il tenait ses chars et à Jérusalem près du roi.
26Hij heerste over alle koningen, van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en de grens van Egypte.
26Il dominait sur tous les rois, depuis le fleuve jusqu’au pays des Philistins et jusqu’à la frontière d’Égypte.
27Door het beleid van den koning werd het zilver te Jerusalem zo overvloedig als stenen, en het cederhout zo overvloedig als de moerbei op de kustvlakte.
27Le roi rendit l’argent aussi commun à Jérusalem que les pierres, et les cèdres aussi nombreux que les sycomores qui croissent dans la plaine.
28De paarden van Salomon werden uit Moesri en allerlei andere landen betrokken.
28C’était de l’Égypte et de tous les pays que l’on tirait des chevaux pour Salomon.
29De verdere geschiedenis van Salomon, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in de Geschiedenis van den profeet Natan, in de profetie van Achi-ja van Sjilo, en in de visioenen van den ziener Jedo over Jeroboam, den zoon van Nebat.
29Le reste des actions de Salomon, les premières et les dernières, cela n’est-il pas écrit dans le livre de Nathan, le prophète, dans la prophétie d’Achija de Silo, et dans les révélations de Jéedo, le prophète sur Jéroboam, fils de Nebath?
30Veertig jaren regeerde Salomon te Jerusalem over heel Israël.
30Salomon régna quarante ans à Jérusalem sur tout Israël.
31Toen ging hij bij zijn vaderen te ruste. Hij werd in de stad van zijn vader David begraven, en zijn zoon Roboam volgde hem op.
31Puis Salomon se coucha avec ses pères, et on l’enterra dans la ville de David, son père. Et Roboam, son fils, régna à sa place.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.