2 Kronieken 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1In het achttiende jaar der regering van Jeroboam werd Abias koning van Juda.
1La dix-huitième année du règne de Jéroboam, Abija régna sur Juda.
2Drie jaar heeft hij in Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Mikajáhoe, en was de dochter van Oeriël uit Giba. Er brak oorlog uit tussen Abias en Jeroboam.
2Il régna trois ans à Jérusalem. Sa mère s’appelait Micaja, fille d’Uriel, de Guibea. Il y eut guerre entre Abija et Jéroboam.
3Abias bond de strijd aan met een heldenschaar van vier honderdduizend uitgelezen manschappen; Jeroboam stelde zich met acht honderdduizend krijgers, eveneens dappere helden, tegen hem op.
3Abija engagea les hostilités avec une armée de vaillants guerriers, quatre cent mille hommes d’élite; et Jéroboam se rangea en bataille contre lui avec huit cent mille hommes d’élite, vaillants guerriers.
4Nu ging Abias op de berg Semaráim staan, die tot het Efraïmgebergte behoort, en sprak: Luistert naar mij, Jeroboam en heel Israël!
4Du haut du mont Tsemaraïm, qui fait partie de la montagne d’Éphraïm, Abija se leva et dit: Écoutez-moi, Jéroboam, et tout Israël!
5Gij weet heel goed, dat Jahweh, de God van Israël, op grond van een verbond, door zout bekrachtigd, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nageslacht heeft verleend.
5Ne devez-vous pas savoir que l’Éternel, le Dieu d’Israël, a donné pour toujours à David la royauté sur Israël, à lui et à ses fils, par une alliance inviolable?
6Maar toen is Jeroboam opgestaan, de zoon van Nebat, een onderdaan van Salomon, den zoon van David, en in opstand tegen zijn heer gekomen.
6Mais Jéroboam, fils de Nebath, serviteur de Salomon, fils de David, s’est levé et s’est révolté contre son maître.
7Een aantal leeglopers en Belialskinderen hebben zich bij hem gevoegd, en hij wist Roboam, den zoon van Salomon, te trotseren, omdat Roboam veel te jong en onzelfstandig was, om zijn gezag tegenover hem te kunnen handhaven.
7Des gens de rien, des hommes pervers, se sont rassemblés auprès de lui et l’ont emporté sur Roboam, fils de Salomon. Roboam était jeune et craintif, et il manqua de force devant eux.
8En nu meent gij, dat gij u kunt verzetten tegen het koninkrijk van Jahweh, door Davids nageslacht bestuurd, omdat gij over een groot leger beschikt en de gouden kalveren hebt meegebracht, die Jeroboam u als uw goden heeft gegeven!
8Et maintenant, vous pensez triompher du royaume de l’Éternel, qui est entre les mains des fils de David; et vous êtes une multitude nombreuse, et vous avez avec vous les veaux d’or que Jéroboam vous a faits pour dieux.
9Gij hebt de priesters van Jahweh, de zonen van Aäron en de levieten verdreven, en zelf priesters aangesteld, juist als de volken van vreemde landen; en iedereen, die met een jongen stier en zeven bokken kwam, om zich te laten wijden, werd priester van die zogenaamde goden.
9N’avez-vous pas repoussé les sacrificateurs de l’Éternel, les fils d’Aaron et les Lévites, et ne vous êtes-vous pas fait des sacrificateurs, comme les peuples des autres pays? Quiconque venait avec un jeune taureau et sept béliers, afin d’être consacré, devenait sacrificateur de ce qui n’est point Dieu.
10Maar wij hebben Jahweh, onzen God; wij hebben Hem niet verlaten; onze priesters, de zonen van Aäron, dienen Jahweh en de levieten staan hen bij.
10Mais pour nous, l’Éternel est notre Dieu, et nous ne l’avons point abandonné, les sacrificateurs au service de l’Éternel sont fils d’Aaron, et les Lévites remplissent leurs fonctions.
11Elke morgen en elke avond offeren zij brandoffers en geurige wierook ter ere van Jahweh, leggen de toonbroden op de reine tafel, en branden elke avond de gouden luchter met haar lampen. Wij onderhouden dus de dienst van Jahweh, onzen God; maar gij hebt Hem verlaten.
11Nous offrons chaque matin et chaque soir des holocaustes à l’Éternel, nous brûlons le parfum odoriférant, nous mettons les pains de proposition sur la table pure, et nous allumons chaque soir le chandelier d’or et ses lampes; car nous observons les commandements de l’Éternel, notre Dieu. Et vous, vous l’avez abandonné.
12Zie, bij ons staat God aan de spits, en zijn priesters, met de blaastrompetten, om die tegen u te laten weerschallen. Israëlieten, voert toch geen krijg tegen Jahweh, den God van uw vaderen; gij zult niets bereiken!
12Voici, Dieu et ses sacrificateurs sont avec nous, à notre tête, et nous avons les trompettes retentissantes pour les faire résonner contre vous. Enfants d’Israël! Ne faites pas la guerre à l’Éternel, le Dieu de vos pères, car vous n’auriez aucun succès.
13Maar intussen had Jeroboam een deel van zijn troepen een omsingelende beweging laten maken, om hen in de rug aan te vallen, zodat een deel van zijn leger front tegen Juda maakte en een ander gedeelte in hinderlaag achter hen lag.
13Jéroboam les prit par derrière au moyen d’une embuscade, et ses troupes étaient en face de Juda, qui avait l’embuscade par derrière.
14Toen de Judeërs dan ook de toestand overzagen en bemerkten, dat ze zowel van voren als van achteren werden aangevallen, baden zij tot Jahweh, bliezen de priesters op de bazuin,
14Ceux de Juda s’étant retournés eurent à combattre devant et derrière. Ils crièrent à l’Éternel, et les sacrificateurs sonnèrent des trompettes.
15en hieven de Judeërs de strijdkreet aan. En nauwelijks hadden de Judeërs de strijdkreet aangeheven, of God sloeg Jeroboam en heel Israël voor Abias en Juda.
15Les hommes de Juda poussèrent un cri de guerre et, au cri de guerre des hommes de Juda, l’Éternel frappa Jéroboam et tout Israël devant Abija et Juda.
16De Israëlieten namen de vlucht, maar God leverde hen aan de Judeërs over.
16Les enfants d’Israël s’enfuirent devant Juda, et Dieu les livra entre ses mains.
17Abias en zijn volk richtten een groot bloedbad onder hen aan, en er sneuvelden van Israël wel vijf honderdduizend krijgers.
17Abija et son peuple leur firent éprouver une grande défaite, et cinq cent mille hommes d’élite tombèrent morts parmi ceux d’Israël.
18Zo werden de Israëlieten bij die gelegenheid vernederd, en kregen de Judeërs de overhand, omdat zij hun toevlucht hadden genomen tot Jahweh, den God van hun vaderen.
18Les enfants d’Israël furent humiliés en ce temps, et les enfants de Juda remportèrent la victoire, parce qu’ils s’étaient appuyés sur l’Éternel, le Dieu de leurs pères.
19Abias achtervolgde Jeroboam, en nam hem enige steden af, namelijk Betel met onderhorigheden, Jesjana met onderhorigheden en Efron met onderhorigheden.
19Abija poursuivit Jéroboam et lui prit des villes, Béthel et les villes de son ressort, Jeschana et les villes de son ressort, et Éphron et les villes de son ressort.
20Zolang Abias leefde, kon Jeroboam zich niet meer herstellen; hij werd door Jahweh getroffen en stierf.
20Jéroboam n’eut plus de force du temps d’Abija; et l’Éternel le frappa, et il mourut.
21Zo werd Abias steeds machtiger. Hij nam veertien vrouwen, en werd de vader van twee en twintig zonen en zes en twintig dochters.
21Mais Abija devint puissant; il eut quatorze femmes, et engendra vingt-deux fils et seize filles.
22De overige geschiedenis van Abias, van zijn handel en wandel, staat beschreven in het Leerboek van den profeet Iddo.
22Le reste des actions d’Abija, ce qu’il a fait et ce qu’il a dit, cela est écrit dans les mémoires du prophète Iddo.
no verse 23 in this text
23Abija se coucha avec ses pères, et on l’enterra dans la ville de David. Et Asa, son fils, régna à sa place. De son temps, le pays fut en repos pendant dix ans.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.