2 Samuel
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Daarna versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp ze, en ontnam hun Gat met onderhorige steden.
1Après cela, David battit les Philistins et les humilia, et il enleva de la main des Philistins les rênes de leur capitale.
2Ook de Moabieten versloeg hij. Hij legde ze plat op de grond, en nam met een snoer hun aantal op; twee derde van de snoerlengte was ten dode gedoemd, een volle derde mocht blijven leven. Zo werden de Moabieten aan David schatplichtig.
2Il battit les Moabites, et il les mesura avec un cordeau, en les faisant coucher par terre; il en mesura deux cordeaux pour les livrer à la mort, et un plein cordeau pour leur laisser la vie. Et les Moabites furent assujettis à David, et lui payèrent un tribut.
3Vervolgens versloeg David Hadadézer, den zoon van Rechob en koning van Soba, juist toen deze op weg was, zijn zegeteken aan de Rivier op te richten.
3David battit Hadadézer, fils de Rehob, roi de Tsoba, lorsqu’il alla rétablir sa domination sur le fleuve de l’Euphrate.
4David nam zeventienhonderd van zijn ruiters en tienduizend man van zijn voetvolk gevangen, en van alle paarden, op honderd na, sneed hij de pezen door.
4David lui prit mille sept cents cavaliers et vingt mille hommes de pied; il coupa les jarrets à tous les chevaux de trait, et ne conserva que cent attelages.
5En daar de Arameën van Damascus Hadadézer, den koning van Soba, te hulp waren gekomen, doodde David van de Arameën twee en twintigduizend man.
5Les Syriens de Damas vinrent au secours d’Hadadézer, roi de Tsoba, et David battit vingt-deux mille Syriens.
6Hij stelde in Aram van Damascus stadhouders aan, en het werd aan David schatplichtig. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
6David mit des garnisons dans la Syrie de Damas. Et les Syriens furent assujettis à David, et lui payèrent un tribut. L’Éternel protégeait David partout où il allait.
7De gouden schilden, die Hadadézers soldaten droegen, maakte David buit en bracht ze naar Jerusalem,
7Et David prit les boucliers d’or qu’avaient les serviteurs d’Hadadézer, et les apporta à Jérusalem.
8terwijl hij uit Bétach en Berotai, twee steden van Hadadézer, een zeer grote hoeveelheid koper meenam.
8Le roi David prit encore une grande quantité d’airain à Béthach et à Bérothaï, villes d’Hadadézer.
9Toen Tói, de koning van Chamat, vernam, dat David de gehele legermacht van Hadadézer had verslagen,
9Thoï, roi de Hamath, apprit que David avait battu toute l’armée d’Hadadézer,
10zond hij zijn zoon Joram naar koning David, om hem te groeten en geluk te wensen met zijn overwinning op Hadadézer. Hadadézer was namelijk een tegenstander van Tói. Joram bracht zilveren, gouden en koperen voorwerpen mede,
10et il envoya Joram, son fils, vers le roi David, pour le saluer, et pour le féliciter d’avoir attaqué Hadadézer et de l’avoir battu. Car Thoï était en guerre avec Hadadézer. Joram apporta des vases d’argent, des vases d’or, et des vases d’airain.
11en ook deze wijdde koning David aan Jahweh, zoals hij gedaan had met het zilver en goud van alle door hem onderworpen volken,
11Le roi David les consacra à l’Éternel, comme il avait déjà consacré l’argent et l’or pris sur toutes les nations qu’il avait vaincues,
12(van Edom, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en Amalekieten), en met de buit, op Hadadézer behaald, den zoon van Rechob en koning van Soba.
12sur la Syrie, sur Moab, sur les fils d’Ammon, sur les Philistins, sur Amalek, et sur le butin d’Hadadézer, fils de Rehob, roi de Tsoba.
13Verder heeft David zich beroemd gemaakt, door, bij zijn terugkeer van de overwinning op Aram, in de Zoutvallei achttienduizend Edomieten te verslaan.
13Au retour de sa victoire sur les Syriens, David se fit encore un nom, en battant dans la vallée du sel dix-huit mille Édomites.
14Hij stelde in heel Edom stadhouders aan, zodat heel Edom aan David bleef. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
14Il mit des garnisons dans Édom, il mit des garnisons dans tout Édom. Et tout Édom fut assujetti à David. L’Éternel protégeait David partout où il allait.
15David regeerde dus over geheel Israël, en handelde met heel zijn volk naar wet en recht.
15David régna sur Israël, et il faisait droit et justice à tout son peuple.
16Joab, de zoon van Seroeja, stond over het leger; Jehosjafat, de zoon van Achiloed, was kanselier;
16Joab, fils de Tseruja, commandait l’armée; Josaphat, fils d’Achilud, était archiviste;
17Sadok, de zoon van Achitoeb, en Ebjatar, de zoon van Achimélek, waren priesters; Seraja was schrijver;
17Tsadok, fils d’Achithub, et Achimélec, fils d’Abiathar, étaient sacrificateurs; Seraja était secrétaire;
18Benajáhoe, de zoon van Jehojada, ging over de Kretenzen en Peletiërs; de zonen van David waren priesters.
18Benaja, fils de Jehojada, était chef des Kéréthiens et des Péléthiens; et les fils de David étaient ministres d’état.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.