2 Samuel 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Daarna versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp ze, en ontnam hun Gat met onderhorige steden.
1And after this it came to pass, that David smote the Philistines, and subdued them; and David took Metheg-ammah out of the hand of the Philistines.
2Ook de Moabieten versloeg hij. Hij legde ze plat op de grond, en nam met een snoer hun aantal op; twee derde van de snoerlengte was ten dode gedoemd, een volle derde mocht blijven leven. Zo werden de Moabieten aan David schatplichtig.
2And he smote Moab, and measured them with the line, making them to lie down on the ground; and he measured two lines to put to death, and one full line to keep alive. And the Moabites became servants to David, and brought presents.
3Vervolgens versloeg David Hadadézer, den zoon van Rechob en koning van Soba, juist toen deze op weg was, zijn zegeteken aan de Rivier op te richten.
3David smote also Hadadezer the son of Rehob, king of Zobah, as he went to establish his dominion at the river Euphrates.
4David nam zeventienhonderd van zijn ruiters en tienduizend man van zijn voetvolk gevangen, en van alle paarden, op honderd na, sneed hij de pezen door.
4And David took from him a thousand and seven hundred horsemen, and twenty thousand footmen; and David houghed all the chariot horses, but reserved of them for a hundred chariots.
5En daar de Arameën van Damascus Hadadézer, den koning van Soba, te hulp waren gekomen, doodde David van de Arameën twee en twintigduizend man.
5And when the Arameans of Damascus came to succour Hadadezer king of Zobah, David smote of the Arameans two and twenty thousand men.
6Hij stelde in Aram van Damascus stadhouders aan, en het werd aan David schatplichtig. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
6Then David put garrisons in Aram of Damascus; and the Arameans became servants to David, and brought presents. And the LORD gave victory to David whithersoever he went.
7De gouden schilden, die Hadadézers soldaten droegen, maakte David buit en bracht ze naar Jerusalem,
7And David took the shields of gold that were on the servants of Hadadezer, and brought them to Jerusalem.
8terwijl hij uit Bétach en Berotai, twee steden van Hadadézer, een zeer grote hoeveelheid koper meenam.
8And from Betah and from Berothai, cities of Hadadezer, king David took exceeding much brass.
9Toen Tói, de koning van Chamat, vernam, dat David de gehele legermacht van Hadadézer had verslagen,
9And when Toi king of Hamath heard that David had smitten all the host of Hadadezer,
10zond hij zijn zoon Joram naar koning David, om hem te groeten en geluk te wensen met zijn overwinning op Hadadézer. Hadadézer was namelijk een tegenstander van Tói. Joram bracht zilveren, gouden en koperen voorwerpen mede,
10then Toi sent Joram his son unto king David, to salute him, and to bless him — because he had fought against Hadadezer and smitten him; for Hadadezer had wars with Toi — and he brought with him vessels of silver, and vessels of gold, and vessels of brass.
11en ook deze wijdde koning David aan Jahweh, zoals hij gedaan had met het zilver en goud van alle door hem onderworpen volken,
11These also did king David dedicate unto the LORD, with the silver and gold that he dedicated of all the nations which he subdued:
12(van Edom, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en Amalekieten), en met de buit, op Hadadézer behaald, den zoon van Rechob en koning van Soba.
12of Aram, and of Moab, and of the children of Ammon, and of the Philistines, and of Amalek, and of the spoil of Hadadezer, son of Rehob, king of Zobah.
13Verder heeft David zich beroemd gemaakt, door, bij zijn terugkeer van de overwinning op Aram, in de Zoutvallei achttienduizend Edomieten te verslaan.
13And David got him a name when he returned from smiting the Arameans in the Valley of Salt, even eighteen thousand men.
14Hij stelde in heel Edom stadhouders aan, zodat heel Edom aan David bleef. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
14And he put garrisons in Edom; throughout all Edom put he garrisons, and all the Edomites became servants to David. And the LORD gave victory to David whithersoever he went.
15David regeerde dus over geheel Israël, en handelde met heel zijn volk naar wet en recht.
15And David reigned over all Israel; and David executed justice and righteousness unto all his people.
16Joab, de zoon van Seroeja, stond over het leger; Jehosjafat, de zoon van Achiloed, was kanselier;
16And Joab the son of Zeruiah was over the host; and Jehoshaphat the son of Ahilud was recorder;
17Sadok, de zoon van Achitoeb, en Ebjatar, de zoon van Achimélek, waren priesters; Seraja was schrijver;
17and Zadok the son of Ahitub, and Ahimelech the son of Abiathar, were priests; and Seraiah was scribe;
18Benajáhoe, de zoon van Jehojada, ging over de Kretenzen en Peletiërs; de zonen van David waren priesters.
18and Benaiah the son of Jehoiada was over the Cherethites and the Pelethites; and David's sons were chief ministers.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.