2 Samuel 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Ook heeft David tot Jahweh de woorden van dit lied gericht, toen Jahweh hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul.
1And David spoke unto the LORD the words of this song in the day that the LORD delivered him out of the hand of all his enemies, and out of the hand of Saul;
2En hij sprak:
2and he said: The LORD is my rock, and my fortress, and my deliverer;
3Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen. Mijn schild, de hoorn van mijn heil, mijn schutse en mijn toevlucht, Mijn redder heeft mij uit de verdrukking verlost.
3The God who is my rock, in Him I take refuge; my shield, and my horn of salvation, my high tower, and my refuge; my saviour, Thou savest me from violence.
4Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
4Praised, I cry, is the LORD, and I am saved from mine enemies.
5De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven van de onderwereld sloegen over mij heen;
5For the waves of Death compassed me. The floods of Belial assailed me.
6De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
6The cords of Sheol surrounded me; the snares of Death confronted me.
7Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En tot God verhief ik mijn stem. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
7In my distress I called upon the LORD, yea, I called unto my God; and out of His temple He heard my voice, and my cry did enter into His ears.
8Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten des hemels; Want Hij was in woede ontstoken.
8Then the earth did shake and quake, the foundations of heaven did tremble; they were shaken, because He was wroth.
9Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
9Smoke arose up in His nostrils, and fire out of His mouth did devour; coals flamed forth from Him.
10Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten.
10He bowed the heavens also, and came down; and thick darkness was under His feet.
11Hij besteeg den cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
11And He rode upon a cherub, and did fly; yea, He was seen upon the wings of the wind.
12Hij sloeg de duisternis als een dek om zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent.
12And He made darkness pavilions round about Him, gathering of waters, thick clouds of the skies.
13En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken vurige kolen.
13At the brightness before Him coals of fire flamed forth.
14En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
14The LORD thundered from heaven, and the Most High gave forth His voice.
15Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde bliksems en joeg ze uiteen:
15And He sent out arrows, and scattered them; lightning, and discomfited them.
16Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot; Door het dreigen van Jahweh, Door het snuivend gebries van zijn neus.
16And the channels of the sea appeared, the foundations of the world were laid bare by the rebuke of the LORD, at the blast of the breath of His nostrils.
17Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
17He sent from on high, He took me; He drew me out of many waters;
18Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
18He delivered me from mine enemy most strong, from them that hated me, for they were too mighty for me.
19Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
19They confronted me in the day of my calamity; but the LORD was a stay unto me.
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
20He brought me forth also into a large place; He delivered me, because He delighted in me.
21Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
21The LORD rewarded me according to my righteousness; according to the cleanness of my hands hath He recompensed me.
22Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
22For I have kept the ways of the LORD, and have not wickedly departed from my God.
23Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
23For all His ordinances were before me; and as for His statutes, I did not depart from them.
24Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard.
24And I was single-hearted toward Him, and I kept myself from mine iniquity.
25Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid in zijn ogen.
25Therefore hath the LORD recompensed me according to my righteousness, according to my cleanness in His eyes.
26Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen,
26With the merciful Thou dost show Thyself merciful, with the upright man Thou dost show Thyself upright,
27Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig;
27With the pure Thou dost show myself pure; and with the crooked Thou dost show Thyself subtle.
28Want Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken.
28And the afflicted people Thou dost save; but Thine eyes are upon the haughty, that Thou mayest humble them.
29Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
29For Thou art my lamp, O LORD; and the LORD doth lighten my darkness.
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
30For by Thee I run upon a troop; by my God do I scale a wall.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
31As for God, His way is perfect; the word of the LORD is tried; He is a shield unto all them that take refuge in Him.
32Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
32For who is God, save the LORD? and who is a Rock, save our God?
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
33The God who is my strong fortress, and who letteth my way go forth straight;
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
34Who maketh my feet like hinds', and setteth me upon my high places;
35Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
35Who traineth my hands for war, so that mine arms do bend a bow of brass.
36Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw goedheid maakte mij groot.
36Thou hast also given me Thy shield of salvation; and Thy condescension hath made me great.
37Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
37Thou hast enlarged my steps under me, and my feet have not slipped.
38Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen.
38I have pursued mine enemies, and destroyed them; neither did I turn back till they were consumed.
39Ik heb ze verslagen, verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
39And I have consumed them, and smitten them through, that they cannot arise; yea, they are fallen under my feet.
40Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
40For Thou hast girded me with strength unto the battle; Thou hast subdued under me those that rose up against me.
41Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien. Mijn haters heb ik verdelgd.
41Thou hast also made mine enemies turn their backs unto me; yea, them that hate me, that I might cut them off.
42Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
42They looked, but there was none to save; even unto the LORD, but He answered them not.
43Ik vermaal ze als stof der aarde, Vertrap en vertreed ze als slijk op de straten.
43Then did I beat them small as the dust of the earth, I did stamp them as the mire of the streets, and did tread them down.
44Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren. En mij aan het hoofd van de naties gesteld: Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar,
44Thou also hast delivered me from the contentions of my people; Thou hast kept me to be the head of the nations; a people whom I have not known serve me.
45Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
45The sons of the stranger dwindle away before me; as soon as they hear of me, they obey me.
46Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
46The sons of the stranger fade away, and come halting out of their close places.
47Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God, de Rots van mijn heil!
47The LORD liveth, and blessed be my Rock; and exalted be the God, my Rock of salvation;
48Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
48Even the God that executeth vengeance for me, and bringeth down peoples under me,
49Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd.
49And that bringeth me forth from mine enemies; yea, Thou liftest me up above them that rise up against me; Thou deliverest me from the violent man.
50Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw naam verheerlijken onder de volken!
50Therefore I will give thanks unto Thee, O LORD, among the nations, and will sing praises unto Thy name.
51Machtige hulp verleent Hij zijn koning, En genade aan zijn Gezalfde, Aan David en zijn geslacht Voor altijd!
51A tower of salvation is He to His king; and showeth mercy to His anointed, to David and to his seed, for evermore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.