2 Samuel 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Ook heeft David tot Jahweh de woorden van dit lied gericht, toen Jahweh hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul.
1וידבר דוד ליהוה את דברי השירה הזאת ביום הציל יהוה אתו מכף כל איביו ומכף שאול׃
2En hij sprak:
2ויאמר יהוה סלעי ומצדתי ומפלטי לי׃
3Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen. Mijn schild, de hoorn van mijn heil, mijn schutse en mijn toevlucht, Mijn redder heeft mij uit de verdrukking verlost.
3אלהי צורי אחסה בו מגני וקרן ישעי משגבי ומנוסי משעי מחמס תשעני׃
4Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
4מהלל אקרא יהוה ומאיבי אושע׃
5De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven van de onderwereld sloegen over mij heen;
5כי אפפני משברי מות נחלי בליעל יבעתני׃
6De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
6חבלי שאול סבני קדמני מקשי מות׃
7Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En tot God verhief ik mijn stem. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
7בצר לי אקרא יהוה ואל אלהי אקרא וישמע מהיכלו קולי ושועתי באזניו׃
8Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten des hemels; Want Hij was in woede ontstoken.
8ותגעש ותרעש הארץ מוסדות השמים ירגזו ויתגעשו כי חרה לו׃
9Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
9עלה עשן באפו ואש מפיו תאכל גחלים בערו ממנו׃
10Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten.
10ויט שמים וירד וערפל תחת רגליו׃
11Hij besteeg den cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
11וירכב על כרוב ויעף וירא על כנפי רוח׃
12Hij sloeg de duisternis als een dek om zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent.
12וישת חשך סביבתיו סכות חשרת מים עבי שחקים׃
13En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken vurige kolen.
13מנגה נגדו בערו גחלי אש׃
14En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
14ירעם מן שמים יהוה ועליון יתן קולו׃
15Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde bliksems en joeg ze uiteen:
15וישלח חצים ויפיצם ברק ויהמם׃
16Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot; Door het dreigen van Jahweh, Door het snuivend gebries van zijn neus.
16ויראו אפקי ים יגלו מסדות תבל בגערת יהוה מנשמת רוח אפו׃
17Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
17ישלח ממרום יקחני ימשני ממים רבים׃
18Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
18יצילני מאיבי עז משנאי כי אמצו ממני׃
19Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
19יקדמני ביום אידי ויהי יהוה משען לי׃
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
20ויצא למרחב אתי יחלצני כי חפץ בי׃
21Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
21יגמלני יהוה כצדקתי כבר ידי ישיב לי׃
22Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
22כי שמרתי דרכי יהוה ולא רשעתי מאלהי׃
23Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
23כי כל משפטו לנגדי וחקתיו לא אסור ממנה׃
24Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard.
24ואהיה תמים לו ואשתמרה מעוני׃
25Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid in zijn ogen.
25וישב יהוה לי כצדקתי כברי לנגד עיניו׃
26Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen,
26עם חסיד תתחסד עם גבור תמים תתמם׃
27Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig;
27עם נבר תתבר ועם עקש תתפל׃
28Want Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken.
28ואת עם עני תושיע ועיניך על רמים תשפיל׃
29Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
29כי אתה נירי יהוה ויהוה יגיה חשכי׃
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
30כי בכה ארוץ גדוד באלהי אדלג שור׃
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
31האל תמים דרכו אמרת יהוה צרופה מגן הוא לכל החסים בו׃
32Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
32כי מי אל מבלעדי יהוה ומי צור מבלעדי אלהינו׃
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
33האל מעוזי חיל ויתר תמים דרכו׃
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
34משוה רגליו כאילות ועל במותי יעמדני׃
35Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
35מלמד ידי למלחמה ונחת קשת נחושה זרעתי׃
36Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw goedheid maakte mij groot.
36ותתן לי מגן ישעך וענתך תרבני׃
37Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
37תרחיב צעדי תחתני ולא מעדו קרסלי׃
38Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen.
38ארדפה איבי ואשמידם ולא אשוב עד כלותם׃
39Ik heb ze verslagen, verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
39ואכלם ואמחצם ולא יקומון ויפלו תחת רגלי׃
40Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
40ותזרני חיל למלחמה תכריע קמי תחתני׃
41Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien. Mijn haters heb ik verdelgd.
41ואיבי תתה לי ערף משנאי ואצמיתם׃
42Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
42ישעו ואין משיע אל יהוה ולא ענם׃
43Ik vermaal ze als stof der aarde, Vertrap en vertreed ze als slijk op de straten.
43ואשחקם כעפר ארץ כטיט חוצות אדקם ארקעם׃
44Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren. En mij aan het hoofd van de naties gesteld: Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar,
44ותפלטני מריבי עמי תשמרני לראש גוים עם לא ידעתי יעבדני׃
45Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
45בני נכר יתכחשו לי לשמוע אזן ישמעו לי׃
46Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
46בני נכר יבלו ויחגרו ממסגרותם׃
47Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God, de Rots van mijn heil!
47חי יהוה וברוך צורי וירם אלהי צור ישעי׃
48Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
48האל הנתן נקמת לי ומוריד עמים תחתני׃
49Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd.
49ומוציאי מאיבי ומקמי תרוממני מאיש חמסים תצילני׃
50Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw naam verheerlijken onder de volken!
50על כן אודך יהוה בגוים ולשמך אזמר׃
51Machtige hulp verleent Hij zijn koning, En genade aan zijn Gezalfde, Aan David en zijn geslacht Voor altijd!
51מגדיל ישועות מלכו ועשה חסד למשיחו לדוד ולזרעו עד עולם׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.