2 Samuel 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Ook heeft David tot Jahweh de woorden van dit lied gericht, toen Jahweh hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul.
1E DAVIDE proferì al Signore le parole di questo cantico, al giorno che il Signore l'ebbe riscosso dalla mano di tutti i suoi nemici, e dalla mano di Saulle;
2En hij sprak:
2e disse: Il Signore è la mia rocca, e la mia fortezza, e il mio liberatore;
3Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen. Mijn schild, de hoorn van mijn heil, mijn schutse en mijn toevlucht, Mijn redder heeft mij uit de verdrukking verlost.
3Egli è l'Iddio della mia rupe, io spererò in lui; Egli è il mio scudo, e il corno della mia salute; Il mio alto ricetto, il mio rifugio; Il mio Salvatore, che mi salva di violenza.
4Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
4Io invocai il Signore, al quale appartiene ogni lode, E fui salvato da' miei nemici.
5De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven van de onderwereld sloegen over mij heen;
5Perciocchè onde di morte mi aveano intorniato, Torrenti di scellerati mi aveano spaventato.
6De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
6Legami di sepolcro, mi aveano circondato, Lacci di morte mi aveano incontrato.
7Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En tot God verhief ik mijn stem. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
7Mentre io era distretto, io invocai il Signore, E gridai all'Iddio mio; Ed egli udì la mia voce dal suo Tempio, E il mio grido pervenne a' suoi orecchi.
8Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten des hemels; Want Hij was in woede ontstoken.
8Allora la terra fu smossa, e tremò; I fondamenti de' cieli furono crollati e scossi; Perciocchè egli era acceso nell'ira.
9Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
9Fumo gli saliva per le nari, E fuoco consumante per la bocca; Da lui procedevano brace accese.
10Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten.
10Ed egli abbassò i cieli, e discese, Avendo una caligine sotto a' suoi piedi.
11Hij besteeg den cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
11E cavalcava sopra Cherubini, e volava, Ed appariva sopra le ale del vento.
12Hij sloeg de duisternis als een dek om zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent.
12Ed avea poste d'intorno a sè, per tabernacoli, tenebre, Viluppi d'acque, e nubi dell'aria,
13En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken vurige kolen.
13Dallo splendore che scoppiava davanti a lui, Procedevano brace accese.
14En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
14Il Signore tonò dal cielo, E l'Altissimo mandò fuori la sua voce;
15Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde bliksems en joeg ze uiteen:
15Ed avventò saette, e disperse coloro; Folgore, e li mise in rotta.
16Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot; Door het dreigen van Jahweh, Door het snuivend gebries van zijn neus.
16E, per lo sgridare del Signore, E per lo soffiar dell'alito delle sue nari, I canali del mare furon veduti, I fondamenti del mondo furono scoperti.
17Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
17Egli da alto distese la mano , Mi prese, mi trasse fuori di grandi acque.
18Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
18Egli mi riscosse dal mio potente nemico, Da quelli che mi odiavano; perciocchè erano più forti di me.
19Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
19Essi mi erano venuti incontro al giorno della mia calamità; Ma il Signore fu il mio sostegno.
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
20E mi trasse fuori in luogo largo; Egli mi liberò; perciocchè egli mi gradisce.
21Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
21Il Signore mi ha fatta la retribuzione secondo la mia giustizia; Egli mi ha renduto secondo la purità delle mie mani.
22Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
22Perciocchè io ho osservate le vie del Signore, E non mi sono empiamente rivolto dall'Iddio mio.
23Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
23Perciocchè io ho tenute davanti agli occhi tutte le sue leggi, E non mi son rivolto da' suoi statuti.
24Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard.
24E sono stato intiero inverso lui, E mi son guardato dalla mia iniquità.
25Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid in zijn ogen.
25E il Signore mi ha fatta la retribuzione secondo la mia giustizia, Secondo la purità che io ho guardata davanti agli occhi suoi.
26Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen,
26Tu ti mostri pietoso inverso il pio, Intiero inverso l'uomo intiero.
27Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig;
27Puro inverso il puro, E ritroso inverso il perverso;
28Want Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken.
28E salvi la gente afflitta, E bassi gli occhi in su gli altieri.
29Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
29Perciocchè tu sei la mia lampana, o Signore; E il Signore allumina le mie tenebre.
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
30Perciocchè per te io rompo tutta una schiera; Per l'Iddio mio io salgo sopra il muro.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
31La via di Dio è intiera; La parola del Signore è purgata col fuoco; Egli è scudo a tutti coloro che sperano in lui.
32Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
32Perciocchè, chi è Dio, fuor che il Signore? E chi è Rocca, fuor che l'Iddio nostro?
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
33Iddio è la mia forza; e il mio valore; Ed ha renduta spedita e appianata la mia via.
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
34Egli rende i miei piedi simili a quelli delle cerve, E mi fa star ritto in su i miei alti luoghi.
35Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
35Egli ammaestra le mie mani alla battaglia, E con le mie braccia un arco di rame è spezzato.
36Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw goedheid maakte mij groot.
36Tu mi hai ancora dato lo scudo della tua salvezza, E la tua benignità mi ha accresciuto.
37Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
37Tu hai allargati i miei passi sotto me, E le mie calcagna non son vacillate.
38Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen.
38Io ho perseguiti i miei nemici, e li ho sterminati; E non me ne son tornato indietro , finchè non li avessi distrutti.
39Ik heb ze verslagen, verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
39Io li ho distrutti, e li ho trafitti, e non son potuti risorgere; E mi son caduti sotto a' piedi.
40Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
40E tu mi hai cinto di prodezza per la guerra; Tu hai abbassati sotto me quelli che si levavano contro a me.
41Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien. Mijn haters heb ik verdelgd.
41Ed hai fatte voltar le spalle a' miei nemici, Ed a coloro che mi odiavano, davanti a me; Ed io li ho sterminati.
42Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
42Essi riguardavano in qua ed in là , ma non vi fu chi li salvasse; Riguardarono al Signore, ma egli non rispose loro.
43Ik vermaal ze als stof der aarde, Vertrap en vertreed ze als slijk op de straten.
43Ed io li ho stritolati minuto come polvere della terra; Io li ho calpestati, schiacciati, come il fango delle strade.
44Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren. En mij aan het hoofd van de naties gesteld: Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar,
44Tu mi hai ancora scampato dalle brighe del mio popolo; Tu mi hai guardato per esser capo di genti; Il popolo che io non conosceva, mi è divenuto servo.
45Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
45Gli stranieri si sono infinti inverso me; Al solo udire degli orecchi, si son renduti ubbidienti a me.
46Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
46Gli stranieri son divenuti fiacchi, Ed hanno tremato di paura fin dentro i lor ricetti chiusi.
47Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God, de Rots van mijn heil!
47Viva il Signore, e benedetta sia la mia Rocca; E sia esaltato Iddio, ch'è la Rocca della mia salvezza.
48Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
48Iddio è quel che mi dà modo di far le mie vendette, E che abbassa i popoli sotto me.
49Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd.
49Ed è quel che mi trae fuori da' miei nemici; Tu mi levi ad alto d'infra coloro che mi assaltano, E mi riscuoti dagli uomini violenti.
50Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw naam verheerlijken onder de volken!
50Perciò, o Signore, io ti celebrerò fra le nazioni, E salmeggerò al tuo Nome;
51Machtige hulp verleent Hij zijn koning, En genade aan zijn Gezalfde, Aan David en zijn geslacht Voor altijd!
51Il quale rende magnifiche le vittorie del suo re, Ed usa benignità inverso Davide, suo Unto, E inverso la sua progenie, in sempiterno.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.