2 Samuel 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Hier volgen de laatste woorden van David: Een spreuk van David, den zoon van Jesse; Een spreuk van den held, zo hoog verheven: Den gezalfde van Jakobs God, Den zanger van Israëls psalmen.
1ORA queste son le ultime parole di Davide: Davide, figliuolo d'Isai, dice; Anzi l'uomo che è stato costituito in alta dignità, L'Unto dell'Iddio di Giacobbe, E il componitore delle soavi canzoni d'Israele, dice:
2De geest van Jahweh heeft door mij gesproken, Zijn woord ligt nog op mijn tong;
2Lo Spirito del Signore ha parlato per me, E la sua parola è stata sopra la mia lingua.
3Gesproken heeft de God van Jakob, Tot mij heeft Israëls Rots gezegd: “Wie rechtvaardig de mensen regeert, En heerst in de vreze des Heren;
3L'Iddio d'Israele ha detto; La Rocca d'Israele mi ha parlato, dicendo ; Chi signoreggia sopra gli uomini, sia giusto, Signoreggiando nel timor di Dio.
4Hij is als het morgenlicht bij het stralen der zon Op een wolkenloze morgen; Als de zonneschijn na de regen, Die het groen uit de grond doet ontluiken.”
4Ed egli sarà come la luce della mattina, quando il sole si leva; Di una mattina senza nuvole; Come l'erba che nasce dalla terra per lo sole, e per la pioggia.
5Zo blijft mijn huis bestendig voor God, Want Hij sloot met mij een eeuwig verbond; Onder ieder opzicht vast en verzekerd Is heel mijn geluk, zijn al mijn verlangens.
5Benchè la mia casa non sarà così appo Iddio; Perciocchè egli ha fatto meco un patto eterno Perfettamente bene ordinato ed osservato; Conciossiachè tutta la mia salute, e tutto il mio piacere sia , Ch'egli non lo farà rigermogliare.
6Maar Belialskinderen zal Hij niet doen gedijen, Als doornen werpt men ze allen weg: Men vat ze niet met de hand,
6Ma gli uomini scellerati tutti quanti saranno gittati via, Come spine che non si prendono con la mano;
7En niemand grijpt ze vast, Tenzij met ijzer en hout, Om ze tenslotte in de vlammen te werpen.
7Anzi, chi vuol maneggiarle impugna del ferro, od un'asta di lancia; Ovvero, son del tutto bruciate col fuoco in su la pianta.
8Hier volgen de namen van Davids helden. Isj-Bósjet uit Chakmon was de aanvoerder van de Drie. Hij zwaaide zijn bijl tegen achthonderd man, die hij in één keer versloeg.
8QUESTI sono i nomi degli uomini prodi di Davide: Colui che sedeva nel seggio, il Tacmonita, era il principale de' colonnelli. Esso era Adino Eznita, il quale in una volta andò sopra ottocent'uomini, e li sconfisse.
9Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden. Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. En toen de Israëlieten voor hen terugtrokken,
9E, dopo lui, era Eleazaro, figliuolo di Dodo, figliuolo di Ahohi. Costui era fra i tre prodi ch'erano con Davide, allora che sfidarono i Filistei, che si erano quivi adunati in battaglia, e che gl'Israeliti si ritrassero.
10sprong hij op, en sloeg de Filistijnen, totdat zijn spieren zo stijf waren, dat hij zijn zwaard niet meer los kon laten. Die dag verleende Jahweh een grote overwinning; het volk sloot zich weer bij hem aan, maar het was toch alleen om te plunderen.
10Costui si levò, e percosse i Filistei, finchè la sua mano fu stanca, e restò attaccata alla spada. E il Signore diede una gran vittoria in quel dì; e il popolo ritornò dietro a Eleazaro, solo per ispogliare.
11Na hem kwam Sjamma, de zoon van Aga uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, vol met linzen, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen.
11E, dopo lui, Samma, figliuolo di Aghe, Hararita. Essendosi i Filistei adunati in una stuolo, in un luogo dove era un campo pieno di lenti, ed essendosi il popolo messo in fuga d'innanzi a' Filistei,
12Maar hij ging midden op het veld staan, en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh een grote overwinning.
12costui si presentò in mezzo del campo, e lo riscosse, e percosse i Filistei. E il Signore diede una gran vittoria.
13Een andere keer daalden ze met hun drieën af, en kwamen tegen de oogst bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
13Ora questi tre capi de' colonnelli vennero a Davide, al tempo della ricolta, nella spelonca di Adullam. Ed allora lo stuolo de' Filistei era accampato nella valle de' Rafei.
14David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
14E Davide era allora nella fortezza; ed in quel tempo i Filistei aveano guernigione in Bet-lehem.
15Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
15E Davide fu mosso di desiderio, e disse: Chi mi darà da bere dell'acqua della cisterna di Bet-lehem, ch' è alla porta?
16drongen de drie helden in de legerplaats van de Filistijnen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar hij wilde het niet drinken, en goot het uit voor Jahweh,
16E que 'tre prodi penetrarono nel campo de'Filistei, e attinsero dell'acqua dalla cisterna di Bet-lehem, ch' è alla porta; e la portarono, e la presentarono a Davide; ma egli non volle berne, anzi la sparse al Signore,
17terwijl hij uitriep: Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Dat is het bloed van de mannen, die met gevaar van hun eigen leven er op uit zijn gegaan! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
17e disse: Togli da me, Signore, che io faccia questo; berrei io il sangue di questi uomini che sono andati là al rischio della lor vita? E non volle ber quell' acqua . Queste cose fecero que 'tre prodi.
18Abisjai, de broer van Joab en de zoon van Seroeja, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde.
18Abisai anch'esso, fratello di Ioab, figliuolo di Seruia, era capo fra altri tre. Costui eziandio vibrò la sua lancia contro a trecent' uomini , e li uccise; onde egli acquistò fama fra que' tre;
19Ongetwijfeld was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
19fra i quali certo egli fu il più illustre, e fu lor capo; ma non pervenne a quegli altri tre.
20Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een rijke staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
20Poi vi era Benaia, figliuolo di Ioiada, figliuol d'un uomo valoroso; il qual Benaia fece di gran prodezze, ed era da Cabseel. Costui percosse i due Ariel di Moab; discese ancora, e percosse un leone in mezzo di una fossa, al tempo della neve.
21Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, die met een lans was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist en stak hem met zijn eigen lans dood.
21Egli percosse ancora un uomo Egizio, ch'era ragguardevole, ed avea in mano una lancia; ma Benaia discese contro a lui con un bastone, e gli strappò la lancia di mano, e l'uccise con la sua propria lancia.
22Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada!
22Queste cose fece Banaia, figliuolo di Ioiada, e fu famoso fra quei tre prodi.
23Daardoor was hij beroemder dan de Dertig, maar tegen de Drie kon hij niet op. Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
23Egli fu illustre sopra i trenta; ma pure non pervenne a que' tre. E Davide lo costituì sopra la gente ch'egli avea del continuo a suo comando.
24Tot de Dertig behoorden Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
24Poi vi era Asael, fratello di Ioab, ch'era sopra questi trenta, cioè: Elhanaan, figliuolo di Dodo, da Bet-lehem;
25Sjamma uit Charod; Elika uit Charod;
25Samma Harodita, Elica Harodita;
26Chéles uit Bet-Pélet; Ira de zoon van Ikkesj uit Tekóa;
26Heles Paltita; Ira, figliuolo d'Icches, Tecoita;
27Abiézer uit Anatot; Meboennai uit Choesja;
27Abiezer Anatotita, Mebunnai Husatita;
28Salmon uit Achochi; Maharai uit Netófa;
28Salmon Ahohita, Maharai Netofatita;
29Chéleb, de zoon van Baäna uit Netófa; Ittai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten;
29Heleb, figliuolo di Baana, Netofatita; Ittai, figliuolo di Ribai, da Ghibea de' figliuoli di Beniamino;
30Benajáhoe uit Piraton; Hiddai uit Nachale-Gáasj;
30Benaia Piratonita, Hiddai dalle valli di Gaas;
31Abibáal uit Bet-Arba; Azmáwet uit Bachoerim;
31Abi-albon Arbatita, Azmavet Barhumita;
32Eljachba uit Sjaälbon; Jasjen uit Goen; Jehonatan;
32Elihaba Saalbonita, Gionatan de' figliuoli di Iasen;
33Sjamma uit Harar; Achiam, de zoon van Sjarar, uit Harar;
33Samma Hararita; Ahiam figliuolo di Sarar, Ararita;
34Elifélet, de zoon van Achasbai, uit Bet-Maäka; Eliam, de zoon van Achitófel, uit Gilo;
34Elifelet, figliuolo di Ahasbai, figliuolo di un Maacatita; Eliam, figliuolo di Ahitofel, Ghilonita;
35Chesrai uit Karmel; Paärai uit Arbi;
35Hesrai Carmelita, Parai Arbita;
36Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad;
36Igheal, figliuolo di Natan, da Soba; Bani Gadita;
37Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
37Selec Ammonita; Naarai Beerotita, il quale portava le armi di Ioab, figliuolo di Seruia;
38Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
38Ira Itrita, Gareb Itrita;
39Oerija de Chittiet. In het geheel waren er dus zeven en dertig.
39Uria Hitteo; in tutto trentasette.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.