2 Samuel
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Hier volgen de laatste woorden van David: Een spreuk van David, den zoon van Jesse; Een spreuk van den held, zo hoog verheven: Den gezalfde van Jakobs God, Den zanger van Israëls psalmen.
1これはダビデの最後のことばである。 エッサイの子ダビデの告げたことば。 高く上げられた者の告げたことば。 ヤコブの神によって油を注がれた者、 イスラエルの麗しい歌い手のことば。
2De geest van Jahweh heeft door mij gesproken, Zijn woord ligt nog op mijn tong;
2「主の霊はわたしを通して語り、 そのことばはわたしの舌にあった。
3Gesproken heeft de God van Jakob, Tot mij heeft Israëls Rots gezegd: “Wie rechtvaardig de mensen regeert, En heerst in de vreze des Heren;
3イスラエルの神は言われた。 イスラエルの岩はわたしに語られた。 『人を正しく治める者、 神を恐れて治める者は、
4Hij is als het morgenlicht bij het stralen der zon Op een wolkenloze morgen; Als de zonneschijn na de regen, Die het groen uit de grond doet ontluiken.”
4日の昇る朝の光のよう、 雲一つない朝のよう、 雨の後の澄んだ輝きによって、 地から若草が萌え出る時のようだ。』
5Zo blijft mijn huis bestendig voor God, Want Hij sloot met mij een eeuwig verbond; Onder ieder opzicht vast en verzekerd Is heel mijn geluk, zijn al mijn verlangens.
5まことに、わが家は神の前にそのようではないか。 神はわたしと永遠の契約を結び、 すべてを整え、確かなものとされた。 これこそ、わたしの救いのすべて、望みのすべて。 神はそれを実らせてくださらないだろうか。
6Maar Belialskinderen zal Hij niet doen gedijen, Als doornen werpt men ze allen weg: Men vat ze niet met de hand,
6しかし、よこしまな者たちは皆、投げ捨てられる茨のよう。 手でつかむことができない。
7En niemand grijpt ze vast, Tenzij met ijzer en hout, Om ze tenslotte in de vlammen te werpen.
7それに触れる者は、鉄と槍の柄で身を固めなければならない。 茨はその場で火に焼き尽くされる。」
8Hier volgen de namen van Davids helden. Isj-Bósjet uit Chakmon was de aanvoerder van de Drie. Hij zwaaide zijn bijl tegen achthonderd man, die hij in één keer versloeg.
8これらはダビデの勇士たちの名である。隊長たちのかしら、タフケモン人ヨシェブ・バシェベテ。彼はエツェン人アディノと呼ばれ、一度に八百人を殺した。
9Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden. Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. En toen de Israëlieten voor hen terugtrokken,
9彼の次は、アホア人の息子ドダイの息子エレアザルであり、ダビデとともにいた三人の勇士の一人であった。彼らが、戦いのためそこに集まっていたペリシテ人に立ち向かい、イスラエルの人々が退いて行ったとき、
10sprong hij op, en sloeg de Filistijnen, totdat zijn spieren zo stijf waren, dat hij zijn zwaard niet meer los kon laten. Die dag verleende Jahweh een grote overwinning; het volk sloot zich weer bij hem aan, maar het was toch alleen om te plunderen.
10彼は立ち上がり、手が疲れ、剣を握ったまま離れなくなるまでペリシテ人を打った。主はその日、大いなる勝利をもたらされた。民はただ戦利品を奪うためだけに、彼の後に戻って来た。
11Na hem kwam Sjamma, de zoon van Aga uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, vol met linzen, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen.
11彼の次は、ハラル人アゲの息子シャマであった。ペリシテ人が一隊となって集まった場所には、レンズ豆の実った畑があった。民はペリシテ人の前から逃げた。
12Maar hij ging midden op het veld staan, en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh een grote overwinning.
12しかし彼はその畑の真ん中に立ち、そこを守ってペリシテ人を殺した。そして主は大いなる勝利をもたらされた。
13Een andere keer daalden ze met hun drieën af, en kwamen tegen de oogst bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
13三十人の長たちのうち三人が下って行き、収穫の時期にアドラムのほら穴にいるダビデのところに来た。ペリシテ人の一隊はレファイムの谷に陣を敷いていた。
14David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
14その時、ダビデは要害におり、ペリシテ人の守備隊はベツレヘムにあった。
15Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
15ダビデは切望して言った。「ああ、だれか、門のそばにあるベツレヘムの井戸の水を飲ませてくれないか。」
16drongen de drie helden in de legerplaats van de Filistijnen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar hij wilde het niet drinken, en goot het uit voor Jahweh,
16すると、その三人の勇士はペリシテ人の陣営を突き破り、門のそばにあるベツレヘムの井戸から水を汲み、それをダビデのところに持って来た。しかし彼はそれを飲もうとはせず、主の御前に注ぎ出した。
17terwijl hij uitriep: Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Dat is het bloed van de mannen, die met gevaar van hun eigen leven er op uit zijn gegaan! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
17彼は言った。「主よ、このようなことは決してできません。これは、命をかけて行った者たちの血ではありませんか。」それゆえ、彼はそれを飲もうとはしなかった。三人の勇士はこれらのことを行ったのである。
18Abisjai, de broer van Joab en de zoon van Seroeja, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde.
18ツェルヤの息子ヨアブの兄弟アビシャイは、その三人の長であった。彼は槍を振るって三百人を殺し、三人の間で名を上げた。
19Ongetwijfeld was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
19彼は三人のうちで最も誉れ高い者ではなかったか。それゆえ、彼は彼らの隊長となった。しかし、彼は最初の三人には及ばなかった。
20Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een rijke staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
20カブツェエルの勇士の子、エホヤダの息子ベナヤは、数々の勇敢な働きをした人であった。彼はモアブのアリエルの二人の息子を殺した。また、雪の日に下って行き、穴の中で一頭の獅子を殺した。
21Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, die met een lans was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist en stak hem met zijn eigen lans dood.
21彼は大柄なエジプト人を殺した。そのエジプト人の手には槍があったが、ベナヤは杖を持って彼のもとに下って行き、エジプト人の手から槍を奪い取り、その槍で彼を殺した。
22Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada!
22エホヤダの息子ベナヤはこれらのことを行い、三人の勇士の間で名を上げた。
23Daardoor was hij beroemder dan de Dertig, maar tegen de Drie kon hij niet op. Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
23彼は三十人よりも誉れ高かったが、最初の三人には及ばなかった。ダビデは彼を自分の護衛の長とした。
24Tot de Dertig behoorden Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
24ヨアブの兄弟アサエルは三十人の一人であった。ベツレヘムのドドの息子エルハナン、
25Sjamma uit Charod; Elika uit Charod;
25ハロデ人シャマ、ハロデ人エリカ、
26Chéles uit Bet-Pélet; Ira de zoon van Ikkesj uit Tekóa;
26パルティ人ヘレツ、テコア人イケシュの息子イラ、
27Abiézer uit Anatot; Meboennai uit Choesja;
27アナトテ人アビエゼル、フシャ人メブナイ、
28Salmon uit Achochi; Maharai uit Netófa;
28アホア人ツァルモン、ネトファ人マハライ、
29Chéleb, de zoon van Baäna uit Netófa; Ittai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten;
29ネトファ人バアナの息子ヘレブ、ベニヤミン人のギブア出身のリバイの息子イタイ、
30Benajáhoe uit Piraton; Hiddai uit Nachale-Gáasj;
30ピルアトン人ベナヤ、ガアシュの谷のヒダイ、
31Abibáal uit Bet-Arba; Azmáwet uit Bachoerim;
31アラバ人アビ・アルボン、バフルム人アズマベテ、
32Eljachba uit Sjaälbon; Jasjen uit Goen; Jehonatan;
32シャアルボン人エリアバ、ヤシェンの息子たち、ヨナタン、
33Sjamma uit Harar; Achiam, de zoon van Sjarar, uit Harar;
33ハラル人シャマ、アラル人シャラルの息子アヒアム、
34Elifélet, de zoon van Achasbai, uit Bet-Maäka; Eliam, de zoon van Achitófel, uit Gilo;
34マアカ人の息子アハスバイの息子エリフェレテ、ギロ人アヒトフェルの息子エリアム、
35Chesrai uit Karmel; Paärai uit Arbi;
35カルメル人ヘツロ、アルブ人パアライ、
36Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad;
36ツォバのナタンの息子イガル、ガド人バニ、
37Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
37アンモン人ツェレク、ベエロテ人ナハライ。これらはツェルヤの息子ヨアブの武器を持つ者たちであった。
38Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
38イテル人イラ、イテル人ガレブ、
39Oerija de Chittiet. In het geheel waren er dus zeven en dertig.
39ヘテ人ウリヤ。合わせて三十七人。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.