Job 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Er was eens een man in het land van Oes, Job geheten. Deze man was onberispelijk en rechtschapen; hij vreesde God en schuwde het kwaad.
1ウツの地に一人の人がおり、その名はヨブといった。その人は咎がなく正しい人で、神 を恐れ、悪から遠ざかっていた。
2Hij had zeven zonen en drie dochters gekregen;
2彼には七人の息子と三人の娘が生まれた。
3bovendien bezat hij een kudde van zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span ossen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven, zodat hij wel de aanzienlijkste man was van alle bewoners van het oosten.
3彼の財産は、羊七千頭、らくだ三千頭、牛五百くびき、雌ろば五百頭、そして非常に多くの召し使いであった。こうして、この人は東の人々の中で最も有力な者であった。
4Zijn zonen waren gewoon, om elk op zijn beurt en in zijn eigen huis een feestmaal te houden, waarop zij ook hun drie zusters uitnodigden, om met hen te eten en te drinken.
4彼の息子たちは、それぞれの誕生日に自分の家で宴会を開き、人をやって三人の姉妹を招き、一緒に飲み食いした。
5Maar zodra dan de dagen van het feestmaal voorbij waren, liet Job ze bij zich ontbieden, om hen te heiligen, en droeg dan in de vroege morgen voor ieder van hen een brandoffer op. Want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God vervloekt in hun hart. Zo deed Job geregeld.
5宴会の日々が一回りすると、ヨブは人をやって彼らをきよめ、朝早く起きて、彼ら一人一人のために全焼のささげ物をささげた。ヨブは、「もしかすると息子たちが罪を犯し、心の中で神に背いたかもしれない」と考えたのである。ヨブはいつもこのようにしていた。
6Het gebeurde nu op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond.
6さて、神の子らが主 の前に立つために来た日、サタンも彼らの中にやって来た。
7En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerfen speurtocht over de aarde.
7主はサタンに言われた。「お前はどこから来たのか。」 サタンは主に答えた。「地を行き巡り、そこを歩き回って来ました。」
8Jahweh vroeg Satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij?
8主はサタンに言われた。「お前は私のしもべヨブに心を留めたか。地上に彼のように咎がなく正しい人、神を恐れて悪から遠ざかっている者はいない。」
9Maar satan gaf Jahweh ten antwoord: Is Job soms godvrezend om niet?
9サタンは主に答えた。「ヨブは理由もなく神を恐れているのでしょうか。
10Hebt Gij hem, zijn gezin en al wat hij heeft, niet van alle kant met een haag omringd; hebt Gij het werk zijner handen niet gezegend, en overstroomt niet zijn kudde het land?
10あなたが、彼と、彼の家と、彼の持つすべてのものの周り、四方に垣根を巡らせたではありませんか。あなたはその手の働きを祝福され、彼の財産は地で増え広がりました。
11Maar strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in wat hij bezit: dan vloekt hij U in het aangezicht!
11しかし今、あなたの御手を伸ばし、彼の持つすべてのものに触れてください。彼はきっと、面と向かってあなたに背くでしょう。」
12Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt doen wat ge wilt met heel zijn bezit; maar hemzelf raakt ge met de hand niet aan! Zo ging satan van Jahweh heen.
12主はサタンに言われた。「見よ、彼の持つすべてのものはお前の手にある。ただ、彼自身にはお前の手を伸ばしてはならない。」 こうしてサタンは主の御前から出て行った。
13Toen nu enige tijd later de zonen en dochters van Job in het huis van hun oudsten broer zaten te eten en wijn te drinken,
13さて、ある日のこと、彼の息子と娘たちが一番上の兄の家で食事をし、ぶどう酒を飲んでいたとき、
14kwam hem een bode berichten: De Sjabeërs hebben een inval gedaan, terwijl uw ossen aan het ploegen waren, en de ezelinnen vlak bij hen graasden;
14一人の使者がヨブのところに来て言った。「牛が耕し、ろばがそのそばで草を食べていたところ、
15zij hebben ze weggeroofd en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
15シェバ人が襲いかかり、それらを奪い去りました。そうです、彼らは召し使いたちを剣で殺し、私一人だけが逃れ、あなたに知らせに来ました。」
16Nog was hij niet uitgesproken, of een tweede kwam binnen en riep: De bliksem is uit de hemel geslagen, en heeft uw kudde met de herders verbrand en verteerd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
16彼がまだ話している間に、別の者も来て言った。「神の火が天から降り、羊と召し使いたちを焼き尽くしました。私一人だけが逃れ、あなたに知らせに来ました。」
17Nog was deze niet uitgesproken, of een derde kwam binnen en riep: De Chaldeën, in drie benden gesplitst, hebben zich op uw kamelen geworpen, ze weggeroofd, en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
17彼がまだ話している間に、別の者も来て言った。「カルデア人が三つの部隊を組み、らくだに襲いかかって、それらを奪い去りました。そうです、彼らは召し使いたちを剣で殺し、私一人だけが逃れ、あなたに知らせに来ました。」
18En nog was hij niet uitgesproken, of weer een ander kwam binnen en riep: Terwijl uw zonen en dochters zaten te eten en wijn te drinken in het huis van hun oudsten broer,
18彼がまだ話している間に、さらに別の者が来て言った。「あなたの息子と娘たちが一番上の兄の家で食事をし、ぶどう酒を飲んでいました。
19stak er eensklaps een geweldige storm op uit de richting van de woestijn, die het huis aan al de vier hoeken deed schudden; het stortte boven de kinderen in, en zij stierven; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
19すると、荒野から激しい風が吹いてきて、家の四隅を打ちました。家は若者たちの上に倒れかかり、彼らは死にました。私一人だけが逃れ、あなたに知らせに来ました。」
20Toen stond Job op en scheurde zijn kleed; hij schoor zijn hoofd en wierp zich plat ter aarde neer.
20そこでヨブは立ち上がり、自分の上着を裂き、頭をそり、地にひれ伏して礼拝した。
21Maar hij sprak: Naakt kwam ik uit de schoot van mijn moeder; Naakt keer ik er terug! Het was Jahweh, die gaf; het was Jahweh, die nam: De Naam van Jahweh zij gezegend!
21彼は言った。「私は裸で母の胎から出た。裸でそこへ帰ろう。主は与え、主は奪われた。主の御名はほめたたえられよ。」
22Dus ondanks dit alles heeft Job niet gezondigd, en geen onvertogen woord tot God gericht.
22このすべてのことにおいて、ヨブは罪を犯さず、神を不当だと責めなかった。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.